Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] B.V.,
2.
[eiser sub 2] B.V.,
1.De procedure
- de pleitnota van [eiser sub 1] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser sub 1 was exclusief handelsagent voor gedaagde in Frankrijk en startte een procedure tegen gedaagde na beëindiging van de agentuurovereenkomst. Vervolgens startte eiser een procedure tegen bedrijf 1, die exclusief agent werd, en heeft zij in hoger beroep bewijsstukken nodig die ook bij gedaagde aanwezig zijn.
Eiser verzocht in kort geding om afgifte van deze stukken van gedaagde, een derde partij. Gedaagde betwistte het spoedeisend belang en het recht op inzage. De voorzieningenrechter oordeelde dat de procedure correct was ingeleid en dat de artikelen 194 en 195a Rv ook van toepassing zijn op verzoeken in het kader van buitenlandse procedures.
Echter, eiser had onvoldoende belang bij het verzoek omdat zij de stukken ook bij haar wederpartij, bedrijf 1, had kunnen opvragen maar slechts één brief had gestuurd zonder verdere actie. De gevraagde informatie was deels te ruim, en eiser had niet aannemelijk gemaakt waarom zij eerst niet meer had ondernomen richting bedrijf 1.
Daarom werden de vorderingen afgewezen en werd eiser veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde. De voorwaardelijke reconventie werd onbesproken gelaten.
Uitkomst: Het verzoek tot afgifte van stukken wordt afgewezen wegens onvoldoende belang bij het inzageverzoek aan een derde.