ECLI:NL:RBMNE:2026:1357

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/16/607372 / HA RK 26-27
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 lid 1 RvArt. 196 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot inzage en afgifte van financiële stukken na bewijsbeslag

In deze zaak verzoekt [verzoeker] om afschrift van diverse financiële stukken en overeenkomsten die na het gelegde bewijsbeslag in bewaring zijn genomen door DigiJuris B.V. De stukken betreffen grootboekrekeningen, bankafschriften, belastingaangiften, jaarverslagen, huurafrekeningen, rekening-courant overzichten en geldleningsovereenkomsten van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4].

De procedure vloeit voort uit een eerdere onrechtmatigheidszaak waarin [verweerders c.s.] zijn veroordeeld tot betaling van ruim € 9 miljoen aan [verzoeker]. Ondanks deze veroordeling hebben [verweerders c.s.] nog niet betaald, wat aanleiding gaf tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag en het verzoek tot inzage van de beslagen stukken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat [verzoeker] een voldoende spoedeisend belang heeft, dat de stukken voldoende bepaald zijn en dat [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] over de gevraagde informatie beschikken. Het belang van [verzoeker] weegt zwaarder dan de door [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] aangevoerde bezwaren omtrent concurrentiegevoelige en privacygevoelige informatie. Het verzoek wordt daarom grotendeels toegewezen met enkele beperkingen, zoals het uitsluiten van bankmutaties onder de € 10.000.

Daarnaast worden [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 door mr. R.J. Verschoof en mr. A.A.T. van Rens.

Uitkomst: Verzoek tot inzage en afgifte van financiële stukken wordt toegewezen met beperkingen; verweerders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/607372 / HA RK 26-27
Beschikking van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] B.V.,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw,
tegen

1.[verweerder sub 1] ,

te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 1]
2.
[verweerder sub 2],
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 2]
3.
[verweerder sub 3] B.V.,
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 3]
4.
[verweerder sub 4] B.V.,
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 4]
5.
[verweerder sub 5] B.V.,
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 5]
6.
[verweerder sub 6] B.V.,
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 6]
7.
[verweerder sub 7] B.V.,
te [plaats 2] , hierna te noemen: [verweerder sub 7] ,
verwerende partijen,
partij 1, 2, 3, 5, 6, 7, hierna samen te noemen: [verweerders c.s.] ,
advocaat: mr. M.F.H. van Delft en mr. T. Novakovski,
.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van [verweerders c.s.] ;
- de pleitaantekeningen van [verzoeker] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
2.1.
[verzoeker] verzoekt afschrift van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] van diverse financiële stukken en overeenkomsten die na het gelegde bewijsbeslag in bewaring zijn genomen door DigiJuris B.V. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek grotendeels toe, omdat aan alle vereisten voor een dergelijk verzoek is voldaan.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn getrouwd en wonen samen in de bedrijfswoning waar ook hun bedrijven gevestigd zijn, verweerders 3 tot en met 7.
3.2.
Partijen zijn al jaren met elkaar verwikkeld in diverse procedures. Het is allemaal begonnen in 2014 met de verkoop door NS Vastgoed van diverse percelen grond, de zogenaamde [naam] , nabij het spoor. De verkoop is verlopen via een tenderprocedure, waar zeven partijen aan hebben meegedaan. Uiteindelijk is de verkoop gegund aan [verweerder sub 5] tegen een negatieve koopprijs van € 6.750.000,00 (vergoeding van NS Vastgoed voor toekomstige onderhoudsverplichtingen en mogelijke toekomstige saneringsverplichtingen) minus € 1,00 (koopprijs).
3.3.
[bedrijf 1] B.V. en [verzoeker] hebben ook meegedaan aan de tenderprocedure voor de [naam] , maar zij hebben de [naam] dus niet gegund gekregen. Beide hebben bezwaar gemaakt tegen de gunning van de [naam] aan [verweerder sub 5] , omdat volgens hen sprake was van een onrechtmatige samenspanning bij de verwerving van deze portefeuille door [verweerder sub 5] en de heer [A] (hierna: [A] ). Deze zou namelijk een dubbelrol hebben vervuld door als adviseur voor zowel [verzoeker] als voor [verweerders c.s.] op te treden. Het Gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 30 juli 2024 geoordeeld dat [A] hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [verzoeker] .
3.4.
Na jarenlang procederen heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn eindarrest van 28 februari 2023 geoordeeld dat [verweerders c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [verzoeker] . Het hof heeft daarom [verweerders c.s.] hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade als gevolg van het verlies van de kans op de aankoop van de [naam] (45% kanspercentage). Het hof heeft de zaak hiervoor verwezen naar de schadestaatprocedure. Dit arrest is bekrachtigd door de Hoge Raad in het arrest van 5 april 2024. In de schadestaatprocedure heeft de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) in een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van 17 september 2025 (hierna: het vonnis) geoordeeld dat [verweerders c.s.] € 9.121.510,44 aan [verzoeker] moeten betalen, naast andere bijkomende kosten. [verweerders c.s.] zijn hiertegen in hoger beroep gegaan.
3.5.
Daarnaast zijn [verweerders c.s.] een executiegeschil gestart waarin zij opheffing van de door [verzoeker] gelegde beslagen vorderen en verder de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in hoger is beslist (hierna: het eerste executiegeschil). De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 19 december 2025 de vorderingen van [verweerders c.s.] afgewezen. Ook tegen deze uitspraak hebben [verweerders c.s.] hoger beroep ingesteld. Beide procedures lopen nog.
3.6.
[verweerders c.s.] zijn opnieuw een executiegeschil gestart waarin zij stellen dat sprake is van een novum (hierna: het tweede executiegeschil). Het tweede executiegeschil is gezamenlijk op zitting behandeld met deze verzoekschriftprocedure. Het vonnis in het tweede executiegeschil is gewezen op 10 maart 2026. Hierin zijn de vorderingen van [verweerders c.s.] afgewezen.
3.7.
[verweerders c.s.] hebben ondanks de uitkomsten in de hiervoor beschreven procedures, vooralsnog niet aan haar betalingsverplichting voldaan. [verzoeker] is er kort gezegd van overtuigd dat dit het gevolg is van betalingsonwil en niet van betalingsonmacht, zoals door [verweerders c.s.] aangevoerd. Daarom heeft [verzoeker] op 3 februari 2026 de rechtbank verzocht verlof te verlenen voor het (doen) leggen van conservatoir bewijsbeslag op diverse (financiële) stukken en overeenkomsten van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] . Dit verlof is diezelfde dag verleend [1] en verlengd op basis van het op 5 februari 2026 verleende verlof [2] . Op 5 februari 2026 heeft [verzoeker] op de door haar verzochte stukken beslag laten leggen. De stukken zijn in bewaring genomen door DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris). Om toegang te kunnen krijgen tot de inhoud van deze stukken is [verzoeker] deze verzoekschriftprocedure bij de voorzieningenrechter gestart.

4.De beoordeling

[verzoeker] heeft een voldoende spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een verzoek tot inzage van wat in beslag genomen is, dat vanwege de spoedeisendheid aan de voorzieningenrechter is voorgelegd. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [verzoeker] ten tijde van dit vonnis bij de voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat heeft zij omdat [verweerders c.s.] tot nu toe niet uit eigen beweging hebben betaald aan [verzoeker] , hoewel [verweerders c.s.] wel tot betaling zijn veroordeeld, terwijl diverse (bank)beslagen tot nu toe onvoldoende hebben opgeleverd. [verzoeker] vermoedt dat [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] verhaalsmogelijkheden frustreren. Dat volgens [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat deze verzoekschriftprocedure samen met het tweede executiegeschil op zitting is behandeld en omdat [verzoeker] al beslag in de meest ruime zin zou hebben gelegd, kan de voorzieningenrechter niet volgen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot afgifte toe
4.2.
[verzoeker] verzoekt afschrift van alle gegevens die op grond van het gelegde bewijsbeslag in bewaring zijn genomen door DigiJuris, bestaande uit:
de grootboekrekeningen van alle verweerders waarin de bankmutaties vanaf mei 2018 zijn verwerkt tot en met 31 januari 2026;
de dagafschriften van alle bankrekeningen die door alle verweerders worden aangehouden, waaronder Rabobank, ING Bank en ABN AMRO Bank over de periode vanaf mei 2018 tot en met 31 januari 2026 en in ieder geval de dagafschriften met mutaties boven EUR 10.000 (uitdrukkelijk inclusief de ABN AMRO Bankafschriften van [verweerder sub 7] over de periode mei 2018 tot en met 31 januari 2026);
de aangiften van IB 2017 t/m 2014 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ;
e aangifte vennootschapsbelasting en financieel jaarverslag van de verweerders [verweerder sub 3] , [verweerder sub 4] , [verweerder sub 6] en [verweerder sub 7] 2017 t/m 2024;
de huurafrekeningen vanaf 2018 tot en met mei 2024 van de tussenpersonen die door [verweerder sub 7] zijn ingezet bij het afwikkelen van de huurcontracten en het incasseren van de huur (waaronder [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V.);
de rekening courant overzichten en mutaties tussen alle verweerder van 2018 t/m heden;
geldleningsovereenkomsten en rekening-courant overeenkomsten tussen verweerders;
geldlening(sovereenkomsten) met derden en/of rekening courant bij derden.
Deze documenten worden hierna: de stukken genoemd.
Juridisch kader
4.3.
De voorzieningenrechter zal de vordering van [verzoeker] grotendeels toewijzen. Het uitgangspunt is namelijk dat de (voorzieningen)rechter het verzoek toewijst, tenzij niet is voldaan aan de vereisten in artikel 196 lid 2 Rv Pro in samenhang gelezen met artikel 194 Rv Pro. Maar in deze zaak is aan alle vereisten is voldaan. De voorzieningenrechter licht dit oordeel hierna toe.
4.4.
Op grond van artikel 195 lid 1 Rv Pro kan de rechter een partij die over bepaalde gegevens beschikt bevelen om inzage, afschrift, of uittreksel te verstrekken van gegevens als deze partij daartoe niet zelf overgaat en voldaan is aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 196 lid 2 en Pro 194 lid 1 Rv. Deze vereisten zijn:
Degene die informatie van een ander verlangt, moet
1)
partijzijn bij een rechtsbetrekking;
2) de verlangde informatie moet
voldoende bepaaldzijn;
3) een partij moet
voldoende belanghebben bij haar informatieverzoek;
4) degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie
beschikken.
Partij bij een rechtsbetrekking
4.5.
Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Hieronder worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen partijen verstaan, dus ook een onrechtmatige daad. Vast staat dat [verzoeker] op basis van het vonnis een vorderingsrecht van € 9.121.510,44 met bijkomende kosten heeft op [verweerders c.s.] hebben tot twee keer toe en zonder succes in kort geding de schorsing van de executie gevorderd en hebben niet aan het oordeel in het vonnis voldaan. Als een partij niet voldoet aan datgene waartoe hij door de rechter is veroordeeld, dan is dat een onrechtmatige daad op zich. [verweerders c.s.] stellen dat dit komt door betalingsonmacht. [verzoeker] betwist dit en voert aan dat het om betalingsonwil gaat. Om dit standpunt te onderbouwen vordert [verzoeker] de afgifte van de stukken. Aan dit vereiste is daarom voldaan. Het is niet noodzakelijk dat de rechtsbetrekking al definitief in rechte vaststaat, waardoor deze conclusie niet verandert.
Beschikken over de gevraagde informatie
4.6.
De stukken genoemd in overweging 4.2 zijn dezelfde stukken die genoemd worden in het beslagrekest van 3 februari 2026. Voor beslag op die stukken is bij beschikking van 3 en 5 februari 2026 verlof verleend. Op 5 februari 2026 is op die stukken beslag gelegd. De verzoeken van [verzoeker] gaan over diezelfde stukken, voor zover DigiJuris deze als bewaarder onder zich heeft. Dit betekent automatisch dat het verzoek van [verzoeker] alleen gaat over stukken waarover [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] beschikken. Bovendien hebben [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] niet betwist over deze stukken te beschikken. Aan het vereiste dat zij over de gevraagde stukken beschikken, is dus voldaan.
Voldoende belang bij het informatieverzoek
4.7.
Ook heeft [verzoeker] voldoende belang bij dit verzoek. Dit volgt uit de uitspraken die in overweging 3.3 tot en met 3.6 genoemd worden, omdat die in het voordeel van [verzoeker] zijn, in combinatie met het feit dat [verweerders c.s.] nog niet aan de veroordeling in het vonnis hebben voldaan. Dit laatste wordt ook niet betwist door [verweerders c.s.] Het is voor [verzoeker] evident relevant te weten wat de reden hiervan is. Door [verweerders c.s.] is namelijk ook niet betwist dat [verweerder sub 7] door de aankoop van de [naam] een aanzienlijke hoeveelheid geld heeft verdiend. Dit blijkt wel uit het oordeel in het vonnis dat [verweerders c.s.] op basis van een kanspercentage van 45% maar liefst € 9.121.510,44 aan [verzoeker] moet betalen. Daarnaast is niet weersproken dat de ondernemingen van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] nog altijd inkomsten genereren. Het is daarom voorstelbaar dat [verzoeker] zich afvraagt waar al dit geld is gebleven nu de door [verzoeker] gelegde (bank)beslagen hier geen antwoord op geven. Dat [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] ter zitting hebben genoemd dat [verweerders c.s.] slechte investeringen zouden hebben gedaan, panden zouden hebben gekocht, advocaatkosten zouden hebben gemaakt etc. doet niets af aan het belang van [verzoeker] bij dit verzoek. Bovendien wordt dit op geen enkele manier onderbouwd. Het belang van [verzoeker] rechtvaardigt dus dat zij afgifte krijgt van de in overweging 4.2 genoemde stukken van [verweerders c.s.]
4.8.
[verweerder sub 4] is niet veroordeeld in het arrest. [verweerder sub 4] heeft dus in 2014 niet onrechtmatig tegenover [verzoeker] gehandeld. Maar [verweerder sub 4] zou tegenover [verzoeker] wél een onrechtmatige daad plegen als zij in samenwerking met [verweerders c.s.] – tussen alle verweerders bestaat een nauwe samenhang [3] – het verhaal door [verzoeker] frustreert. Daarom heeft [verzoeker] ook haar belang bij het verkrijgen van informatie van [verweerder sub 4] als derde partij voldoende onderbouwd. Daarnaast is door [verweerders c.s.] niet aangevoerd dat de verzochte informatie van [verweerder sub 4] ook bij [verweerders c.s.] kan worden opgevraagd.
De verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn
4.9.
Het is noodzakelijk dat het verzoek ziet op gegevens die relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij [verzoeker] informatieverzoeker is. In de pleitaantekeningen heeft [verzoeker] per onderdeel (a tot en met h) aangegeven waarom dit relevant is. De verlangede informatie moet voldoende bepaald zijn. Dit zogenoemde bepaalbaarheidsvereiste gaat niet zover dat de verzochte gegevens precies moeten worden aangeduid, op zo’n manier dat elk stuk afzonderlijk moet worden omschreven, of dat moet worden vermeld waar deze gegevens zich bevinden. Het bepaaldheidsvereiste heeft tot doel een passend evenwicht te vinden tussen de belangen van de informatieverzoeker en die van de informatiebezitter.
4.10.
De voorzieningenrechter oordeelt dat als uitgangspunt geldt “wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten”. Na jaren procederen zijn [verweerders c.s.] veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van bijna 10 miljoen euro, omdat zij onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [verzoeker] . Het is onwenselijk dat [verweerders c.s.] het oordeel van de rechter niet volgen, met als argument dat sprake is van betalingsonmacht, zonder hier verder uitgebreid handen en voeten aan geven. Dit terwijl uit een globale rekensom van [verzoeker] volgt dat er nog miljoenen euro niet zijn verantwoord. [verzoeker] heeft er belang bij om te weten wat de reden is dat [verweerders c.s.] haar niet betalen. Dit belang van [verzoeker] als informatieverzoeker gaat boven het belang van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] als informatieverstrekkers. De in beslag genomen stukken kunnen duidelijkheid bieden of de betwisting door [verzoeker] van de door [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] gestelde betalingsonmacht terecht is. Daarom en gelet op het belang van [verzoeker] in overweging 4.7 en 4.8 oordeelt de voorzieningenrechter dat de stukken voldoende bepaald zijn.
Tussenconclusie
4.11.
Hiermee is voldaan aan de vereisten van artikel 194 Rv Pro. De vordering van [verzoeker] tot afgifte van de stukken zal daarom in principe worden toegewezen. Dit is alleen anders als sprake is van gewichtige redenen aan de zijde van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] .
Geen gewichtige redenen
4.12.
De rechtbank heeft het betoog van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] zo begrepen dat zij stellen dat er gewichtige redenen zijn waardoor het verzoek van [verzoeker] zou moeten worden afgewezen. Deze gewichtige redenen bestaan uit de mogelijkheid dat [verzoeker] concurrentiegevoelige en privacygevoelige informatie onder ogen krijgt en uit de onduidelijkheid die bestaat over de inhoud van de stukken waarop beslag gelegd is. [verweerders c.s.] hebben deze redenen onvoldoende gesteld. Daarom verandert het onder 4.11 genoemde oordeel niet. De voorzieningenrechter licht dit hieronder toe.
Bedrijfsvertrouwelijke gegevens
4.13.
Dat [verzoeker] toegang krijgt tot concurrentiegevoelige informatie is onvoldoende gesteld door [verweerders c.s.] gelet op de betwisting hiervan door [verzoeker] . Volgens [verzoeker] is het verwerven van grond, al dan niet via tenderprocedures, geen onderdeel van de bedrijfsvoering van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] . De deelname aan de tenderprocedure ter verkrijging van de [naam] was hierop een uitzondering, waarover inmiddels is geoordeeld dat de deelname onrechtmatig was. [verweerders c.s.] zitten nog steeds in het onderhoud van percelen en in de verkoop van appartementen. Dit is door [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] niet betwist. Dit is een ander werkterrein, zodat concurrentiegevoelige informatie niet voor de hand ligt. [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] hebben verder geen toelichting gegeven, waarom dat anders zou (kunnen) zijn.
Privacygevoelige gegevens
4.14.
Daarnaast hebben [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] onvoldoende gesteld dat de afgifte van de stukken onevenredige inbreuk zal maken op de privacy van verweerders. Zo hebben [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] niet aangevoerd dat de geldleningen privacygevoelig zijn. Zij hadden concreter moeten zijn over de wijze waarop de in beslag genomen stukken privacygevoelige informatie zouden bevatten en moeten onderbouwen waarom hun belang op basis daarvan zwaarder zou moeten wegen dan het belang van [verzoeker] . Sterker nog, alleen het gegeven dat de stukken privacygevoelige informatie bevatten, maakt nog niet dat het belang van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] zwaarder weegt. Ook bepaalde geldstromen in de privésfeer zouden immers kunnen wijzen op de verkwisting, die [verzoeker] veronderstelt. [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] noemen als enige voorbeeld voor de privacyschending de correspondentie met advocaten. [verzoeker] vraagt alleen afschrift van financiële stukken en overeenkomsten [4] . Daarom valt niet in te zien op welke manier correspondentie met advocaten onderdeel zal uitmaken van de stukken.
4.15.
Om toch zoveel mogelijk te voorkomen dat [verzoeker] een afschrift krijgt van privacygevoelige informatie die niet van belang is voor [verzoeker] , wordt voor verzoek I) sub b) een beperking opgelegd. Deze beperking bestaat hieruit dat [verzoeker] afschrift mag krijgen van de dagafschriften en mutaties
boven de € 10.000,00van alle bankrekeningen die door alle verweerders worden aangehouden, waaronder Rabobank, ING Bank en ABN AMRO Bank over de periode vanaf mei 2018 tot en met 31 januari 2026 (uitdrukkelijk inclusief de ABNAMRO Bankafschriften van [verweerder sub 7] over de periode mei 2018 tot en met 31 januari 2026). Op die manier worden ‘kleine’ mogelijk privacygevoelige privéuitgaven uitgesloten van het verzoek.
Onduidelijkheid over de inhoud van het gelegde bewijsbeslag
4.16.
Tot slot het argument van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] dat niet bekend is welke informatie DigiJuris nu daadwerkelijk onder zich heeft door het gelegde bewijsbeslag. Ook dit argument maakt niet dat het belang van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] boven het belang van [verzoeker] gaat. Dit licht de voorzieningenrechter toe.
4.17.
In deze verzoekschriftprocedure worden de stukken gevorderd die op basis van die beschikking van 3 februari 2026 en op basis van de beschikking van 5 februari 2026 in bewaring zijn genomen door DigiJuris. In de beschikking van 3 februari 2026 staat in overweging 3.6 beschreven op welke wijze er beslag moet worden gelegd [5] :
“3.6. het bewijsbeslag dient zoveel mogelijk te worden gelegd op kopieën van de onder het beslag vallende documenten en/of digitale bestanden. Als het selecteren van die documenten en/of digitale bestanden (uit het totaal van de aan te treffen documenten en/of digitale bestanden) op de plaats van de beslaglegging praktisch niet uitvoerbaar blijkt, mag de deurwaarder een integrale kopie maken van dat totaal aan documenten en/of digitale bestanden.
Als het maken van een integrale kopie op de plaats van de beslaglegging praktisch ook niet uitvoerbaar blijkt, mag de deurwaarder de gegevensdrager(s) waarop de documenten en/of digitale bestanden staan, meenemen naar zijn kantoor of dat van de IT-specialist om de integrale kopie daar te maken. De gegevensdrager(s) moet(en) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee werkdagen aan de beslagene worden geretourneerd.
De definitieve selectie van de daadwerkelijk in beslag te nemen bescheiden wordt vervolgens op het kantoor van de deurwaarder of de IT-specialist (onder toezicht van de deurwaarder) gemaakt. De gerekwestreerde/beslagene, diens advocaat en/of een door deze aan te wijzen eigen IT-specialist is/zijn gerechtigd daarbij aanwezig te zijn met maximaal 2 personen. Om die aanwezigheid mogelijk te maken zal het selectieproces uiterlijk 3 werkdagen worden uitgesteld.
De deurwaarder moet binnen 24 uur na aanvang van de beslaglegging in een proces-verbaal vastleggen dat sprake is van een beslag dat ter plaatse niet praktisch uitvoerbaar is onder vermelding van de omstandigheden waarop die beoordeling is gebaseerd. Dit proces-verbaal wordt aan verzoeker, gerekwestreerde en de beslagene verstrekt.”
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het beslag overeenkomstig de beschikkingen van 3 en 5 februari 2026 is gelegd. De voorzieningenrechter heeft in ieder geval geen aanknopingspunten hieraan te twijfelen. Het is niet aan de voorzieningenrechter in deze verzoekschriftprocedure om te toetsen of het bewijsbeslag overeenkomstig de vereisten in genoemde beschikkingen is gelegd. De voorzieningenrechter ziet in dit argument van [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] daarom geen reden om hun belang boven dat van [verzoeker] te plaatsen.
4.18.
Om toch alle mogelijke onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, zal de voorzieningenrechter het verzoek tot inzage/afgifte van stukken aldus zal toewijzen.
De inzage/afgifte betreft in de eerste plaats die documenten en/of digitale bestanden (uit het totaal van de aangetroffen documenten en/of digitale bestanden), waarvan het selecteren op de plaats van de beslaglegging praktisch uitvoerbaar is gebleken. Bij de andere documenten en/of digitale bestanden wordt de afgifte toegestaan voor het gedeelte ervan dat behoort tot ‘de definitieve’ selectie als bedoeld in overweging 3.6 van de beschikking van 3 februari 2026. Dit betekent dat als er nog een definitieve selectie gemaakt moet worden van deze op 5 februari 2026 in beslag genomen documenten/digitale bestanden, deze niet mogen worden ingezien/afgegeven totdat duidelijk is dat en voor welk gedeelte deze documenten/digitale bestanden tot de definitieve selectie behoren.
Conclusie
4.19.
Het verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen, met dien verstande dat voor b) de beperking geldt, zoals genoemd in overweging 4.15. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter ter voorkoming van eventuele onduidelijkheden besloten het verzoek onder I sub e) in het petitum te verhelderen: het gaat om de huurafrekeningen voor zover [verweerders c.s.] deze heeft ontvangen. Het verzoek in het petitum onder I sub h) gaat over inzage van “geldlening(sovereenkomsten) met derden en/of rekening courant bij derden”. De voorzieningenrechter begrijpt dit verzoek zo dat het gaat om “geldleningsovereenkomsten met derden en/of rekening courant bij derden;” Het is namelijk niet duidelijk wat [verzoeker] bedoelt met “geldlening met derden en/of rekening courant bij derden”, wanneer wat tussen haakjes staat wordt weggelaten.
[verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] moeten de proceskosten betalen
4.20.
[verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.21.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] om binnen zeven dagen na deze beschikking aan [verzoeker] afschrift te verstrekken van alle gegevens die op grond van het beslagverlof van 3 februari 2026 en het verlof tot verlenging daarvan van 5 februari 2026 in bewaring zijn genomen door DigiJuris, zijnde:
de grootboekrekeningen van alle verweerders waarin de bankmutaties vanaf mei 2018 zijn verwerkt tot en met 31 januari 2026,
de dagafschriften en mutaties boven de € 10.000,00 van alle bankrekeningen die door alle verweerders worden aangehouden, waaronder Rabobank, ING Bank en ABN AMRO Bank over de periode vanaf mei 2018 tot en met 31 januari 2026 (uitdrukkelijk inclusief de ABN AMRO Bankafschriften van [verweerder sub 7] over de periode mei 2018 tot en met 31 januari 2026),
de aangiften van IB 2017 t/m 2014 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ;
e aangifte vennootschapsbelasting en financieel jaarverslag van de verweerders [verweerder sub 3] , [verweerder sub 4] , [verweerder sub 6] en [verweerder sub 7] 2017 t/m 2024,
de huurafrekeningen vanaf 2018 tot en met mei 2024 van de tussenpersonen die door [verweerder sub 7] zijn ingezet bij het afwikkelen van de huurcontracten en het incasseren van de huur (waaronder [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V.),
de rekening courant overzichten en mutaties tussen alle verweerder van 2018 t/m heden,
geldleningsovereenkomsten en rekening-courant overeenkomsten tussen verweerders,
geldleningsovereenkomsten met derden en/of rekening courant bij derden,
voor zover het selecteren van deze documenten/digitale bestanden op de plaats van de beslaglegging praktisch uitvoerbaar is gebleken of, als dat niet het geval was, voor het gedeelte van deze documenten/digitale bestanden dat behoort tot de definitieve selectie, zoals bedoeld in 3.6 van de beschikking waarbij toestemming tot het leggen van beslag is gegeven,
5.2.
geeft [verzoeker] toestemming om de in overweging 5.1 opgesomde gegevens bij de gerechtelijk bewaarder op te vragen voor inzage en afschrift daarvan, voor zover van die gegevens volgens 5.1 van deze beschikking een afschrift moet worden verstrekt,
5.3.
beveelt [verweerders c.s.] en [verweerder sub 4] hoofdelijk de proceskosten van € 2.101,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verweerders c.s.] of [verweerder sub 4] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Verschoof en door mr. A.A.T. van Rens in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
LMT 5629

Voetnoten

1.Zie productie 2 verzoekschrift
2.Zie productie 3 verzoekschrift
3.[verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] zijn gezamenlijk eigenaar en bestuurders van [verweerder sub 3] en [verweerder sub 3] is weer eigenaar en bestuurder van [verweerder sub 4] .
4.Overweging 4.2
5.Productie 2 verzoekschrift