Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de gedaagde woont. De eiser vordert in kort geding een verbod voor de gedaagde om zonder zijn toestemming te verhuizen met het kind, een dwangsom bij overtreding, en voorlopige toewijzing van het kind aan hem bij niet-naleving.
De advocaat van de eiser verscheen niet op de zitting, wat in strijd is met het procesreglement dat verplichte procesvertegenwoordiging voorschrijft. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om uitstel te verlenen voor herstel, mede omdat de afwezigheid was ingegeven door kostenbesparing en de zaak al kundig was voorbereid.
De voorzieningenrechter beoordeelde de zaak inhoudelijk en concludeerde dat de eiser geen belang meer heeft bij het verbod, omdat hij geen bezwaar heeft tegen verhuizing binnen de woonplaats, terwijl de gedaagde aangaf te verhuizen naar een andere gemeente. Een vermeerdering van eis werd niet toegestaan vanwege het ontbreken van advocaatvertegenwoordiging.
De overige vorderingen werden niet inhoudelijk behandeld. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 21 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.