In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Midden-Nederland op 21 januari 2026, heeft de eiser, vertegenwoordigd door mr. R.F. Vonk, een kort geding aangespannen tegen de gedaagde, vertegenwoordigd door mr. R.C. Vermeer. De eiser vordert een verbod voor de gedaagde om zonder zijn toestemming te verhuizen met hun minderjarige kind, geboren in 2014. De gedaagde heeft echter aangegeven dat zij voornemens is te verhuizen, wat de eiser wil voorkomen. Tijdens de zitting was de advocaat van de eiser afwezig, wat in strijd was met de procesregels voor kort gedingen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de afwezigheid van de advocaat een formeel vereiste schond en dat de zaak verder behandeld kon worden zonder de advocaat van de eiser. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de eiser geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, aangezien hij geen bezwaar heeft tegen een verhuizing binnen de gemeente. De vordering tot verbod van verhuizing is afgewezen, en de proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken door mr. M.W.J. van Elsdingen, in samenwerking met mr. J.C.M. Joosten, en is uitvoerbaar bij voorraad.