ECLI:NL:RBMNE:2026:138

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/2301
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WwmArt. 6 WwmArt. 6a WwmArt. 7 WwmArt. 8 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontheffing airsoftwapen zonder lidmaatschap erkende vereniging

Eiser heeft een ontheffing gevraagd voor het bezit en gebruik van een airsoftwapen zonder lid te zijn van een door de minister erkende vereniging. De minister verleende deze ontheffing met beperkingen en voorschriften, waaronder het lidmaatschap van een vereniging als voorwaarde voor vrijstelling. Eiser betwistte deze voorwaarden en stelde dat deze in strijd zijn met zijn rechten onder artikel 8 en Pro 11 EVRM.

De rechtbank nam het procesbelang van eiser aan, ondanks dat hij inmiddels lid is geworden van een erkende vereniging. De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd is om beperkingen en voorschriften aan de ontheffing te verbinden en dat deze niet onrechtmatig zijn. De strengere voorwaarden voor ontheffingshouders ten opzichte van verenigingsleden zijn gerechtvaardigd vanwege het ontbreken van sociale controle en toezicht bij individuele ontheffingshouders.

De rechtbank ging in op de specifieke beperkingen, zoals de verplichting tot het aanleveren van een WM32-formulier, de duur van de ontheffing, de overdracht van het airsoftwapen, leges en het organiseren van evenementen. Geen van deze beperkingen werd als onredelijk of onrechtmatig beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat er geen ongerechtvaardigde inbreuk is op de EVRM-rechten en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de ontheffing voor het bezit van een airsoftwapen zonder lidmaatschap van een erkende vereniging wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: R.J.F. van den Wijngaard),
en

De Minister van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor de beoefening van de airsoftsport. De minister heeft deze ontheffing met het besluit van 30 januari 2024 verleend.
1.1.
Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 2 september 2025 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (per Teams-verbinding) en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
1.5.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twaalf weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

2. Eiser wil de airsoftsport beoefenen. Airsoftapparaten zijn wapens die vallen onder categorie I, onderdeel 7, van de Wet wapens en munitie. [1] Eiser heeft op 6 juli 2023 een ontheffing van het in artikel 13, eerste lid van de Wwm opgenomen verbod tot het voorhanden hebben, vervoeren, dragen, doen binnenkomen en doen uitgaan van categorie I wapens en daarmee airsoftapparaten gevraagd. Artikel 4, aanhef en onder e, van de Wwm geeft de minister de bevoegdheid vrijstelling of ontheffing van dat verbod te verlenen voor het beoefenen van de airsoftsport. In artikel 17a en verder van de Rwm is een vrijstellingsregeling opgenomen. Die is nader uitgewerkt in de Circulaire wapens en munitie (Cwm). Vrijstelling wordt verleend aan personen die lid zijn van een door de minister erkende vereniging. Tot voor kort was dit alleen de NABV. Inmiddels is ook Airsoft Combat Association (ACA) een door de minister erkende vereniging. Eiser heeft ontheffing gevraagd, omdat hij geen lid van een vereniging wilde worden en daardoor niet voor de vrijstellingsregeling in aanmerking kan komen. Hij was op het moment van de aanvraag geen lid van een vereniging. Op 30 januari 2024 heeft de minister de ontheffing op grond van artikel 4, aanhef en onder e, van de Wwm verleend.

Procesbelang

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ontheffing die aan hem is verleend. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat hij inmiddels bij de door de minister erkende vereniging ACA is aangesloten. Dit roept de vraag op of eiser nog belang heeft bij de uitkomst van deze procedure.
4. De rechtbank neemt procesbelang aan. De ontheffing waar eiser beroep tegen heeft ingesteld, liep weliswaar tot 30 januari 2025, maar eiser heeft aangevoerd dat hij het voor het beoefenen van zijn sport niet eens is met de gestelde eis van lidmaatschap van een vereniging. De omstandigheid dat hij er kennelijk nu wel voor heeft gekozen lid te zijn van een vereniging, betekent niet dat hij geen belang heeft gehouden bij de vraag of dit vereiste mocht worden gesteld. De rechtbank zal daarom het beroep inhoudelijk behandelen.
De grondslag van de opgelegde beperkingen en voorschriften
5. De minister heeft op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm ontheffing verleend van het in artikel 13, eerste lid, van de Wwm neergelegde verbod. Op grond van artikel 6 van Pro de Wwm is de minister bevoegd om de ontheffing onder beperkingen te verlenen. Ook kan de minister volgens dit wetsartikel aan de ontheffing voorschriften verbinden.
6. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften zijn grondslag vinden in wettelijke bepalingen. Eiser stelt dat de minister geen toepassing had mogen geven aan deze wettelijke bepalingen, omdat hiermee aan de ontheffinghouders zwaardere eisen worden gesteld dan aan personen die lid zijn van een door de minister erkende airsoftvereniging. Door toepassing te geven aan de wettelijke bepalingen waarin deze beperkingen en voorschriften zijn neergelegd, handelt de minister volgens eiser in strijd met artikel 8 en Pro 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Een vergelijking met het verenigingslidmaatschap
7. De vraag die voorligt is of de in de wet- en regelgeving neergelegde beperkingen en voorschriften die zijn verbonden aan de ontheffing in strijd zijn met artikel 8 en Pro 11 van het EVRM, omdat deze volgens eiser niet noodzakelijk zijn gelet op de in de Rwm neergelegde vrijstelling die geldt voor verenigingsleden. Aan deze vrijstelling zijn geen of minder strikte beperkingen en voorschriften verbonden. Door de strengere beperkingen en voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden, wordt eiser alsnog gedwongen lid te worden van een vereniging en ook gaan deze strengere beperkingen en voorschriften verder dan noodzakelijk is, waarmee in strijd met artikel 8 en Pro 11 van het EVRM wordt gehandeld.
8. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een uitspraak van de Afdeling en vindt dat het besluit van de minister daarmee in strijd is. [2] De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister zijn bevoegdheid om op een verzoek om ontheffing te beslissen feitelijk aan een privaatrechtelijke partij (de NABV) heeft overgelaten, zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag was gegeven. Ook is het grotendeels aan de vereniging overgelaten om toezicht te houden. In het kader van de vraag of sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 11 van Pro het EVRM heeft de hoogste rechter het vereiste van een lidmaatschap van de NABV voor het verkrijgen van een ontheffing een beperking genoemd die verder gaat dan noodzakelijk. De minister had in dat verband niet aannemelijk gemaakt dat de openbare veiligheid en de gezondheid en de rechten van anderen niet kunnen worden beschermd door een minder vergaande maatregel als die van de ontheffing waaraan ook voorschriften kunnen worden verbonden.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister in lijn met de hiervoor vermelde uitspraak eiser ontheffing heeft verleend zonder als vereiste te stellen dat hij lid is van een vereniging, waarmee hij heeft gehandeld overeenkomstig voren genoemde uitspraak. De minister heeft immers de door de Afdeling genoemde minder vergaande maatregel van ontheffing verleend. Los daarvan dienen de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen te worden beoordeeld. Vaststaat dat voor deze voorschriften en beperkingen wettelijke bepalingen gelden die als strenger kunnen worden opgevat dan die voor een verenigingslid gelden.
10. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat voor deze strengere voorwaarden voldoende rechtvaardiging gevonden kan worden in de omstandigheid dat een verenigingslid lid moet zijn van een erkende vereniging. Om als vereniging in aanmerking te komen voor een erkenning moet zijn voldaan aan wettelijke bepalingen die als waarborgen kunnen worden aangemerkt die de openbare veiligheid en de gezondheid en de rechten van anderen dienen. [3] In de Cwm is verder nader uitgewerkt aan welke randvoorwaarden een vereniging moet voldoen als het door de minister als airsoftsportvereniging wordt aangewezen. [4] Daarbij is het van belang dat de vereniging en haar bestuur betrouwbaar zijn. Zij moeten ook de betrouwbaarheid van airsoftbeoefenaars bevorderen. De vereniging moet via haar statuten of huisregels ervan blijk geven dat en hoe zij de betrouwbaarheid van haar leden toetst en hoe zij omgaat met gebleken twijfel aan de betrouwbaarheid. De vereniging moet in die beoordeling ‘de vrees voor misbruik’ meenemen. [5] De vereniging beoordeelt ook of een lid als actief en serieus airsoftbeoefenaar kan worden beschouwd. Er is dus vanuit de vereniging een (sociale) controle op leden die ten aanzien van individuele ontheffinghouders niet bestaat. De verenigingsstructuur en -setting maken dat de controle meer in beeld van de vereniging is. Daargelaten of deze bevoegdheden aan de vereniging konden worden overgedragen, brengen deze randvoorwaarden met zich mee dat aan een buiten verenigingsverband afgegeven ontheffing strengere beperkingen en voorschriften kunnen worden verbonden.
10. De rechtbank zal hieronder nog apart ingaan op de beperkingen en voorschriften waartegen eiser bezwaren heeft geuit.
Betrouwbaarheid
11. Dat de screening voor een individuele ontheffingshouder onterecht zwaarder is dan de procedure van het verenigingslid, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank gelet op het bovenstaande niet. Een ontheffingshouder moet een WM32-formulier aanleveren. [6] Dat is een formulier waarmee informatie wordt opgevraagd waaruit volgt of er redenen zijn om te vrezen dat een aanvrager het onder zich hebben van een airsoftapparaat niet kan worden toevertrouwd. Het betreft een individuele ontheffinghouder, zodat er verder geen controle of toezicht is op dit punt. Door inzicht te verschaffen in de inlichtingen van het WM32-formulier toont de ontheffinghouder aan dat hij met de verantwoordelijkheid van de airsoftsport om kan gaan. Hiermee ontstaat controle en toezicht en worden risico’s voor de samenleving met het oog op potentieel misbruik beperkt. Een verenigingslid moet aan de vereniging een VOG aanleveren. Ook een VOG is bedoeld om de betrouwbaarheid van een verenigingslid te toetsen. Met een VOG ontstaat ook controle en toezicht. Dat dit via een andere aanvraagmanier moet plaatsvinden, is te rechtvaardigen omdat een verenigingslid immers onder meer (sociale) controle staat dan een individuele ontheffingshouder.
Duur van de ontheffing
12. De minister kan een ontheffing voor ten hoogste vijf jaren verlenen. [7] Dit betekent dat de minister ook voor een kortere periode een ontheffing kan verlenen als hij daarvoor aanleiding ziet. Dat de minister aansluiting heeft gezocht bij een vereniging en dat daardoor in beide gevallen een termijn van een jaar geldt, is gelet op het belang van toezicht op de airsoftsport te rechtvaardigen. Dat daardoor financiële verschillen volgen, maakt dit oordeel niet anders. Een ontheffingshouder betaalt jaarlijks legeskosten, waar een verenigingslid ieder jaar voor het verenigingslidmaatschap betaalt.

Inleveren wapen

13. Dat een ontheffingshouder bij intrekking van de ontheffing het airsoftapparaat aan de korpschef moet inleveren (beperking 9), is naar het oordeel van de rechtbank geen andere beperking of voorschrift dan die voor een verenigingslid geldt. Het is een verenigingslid namelijk zonder lidmaatschap, net als eenieder zonder vrijstelling of ontheffing, verboden om een airsoftapparaat tot zijn beschikking te hebben. [8] Reden waarom ook een verenigingslid het airsoftapparaat zal moeten inleveren of anders een individuele ontheffing zal moeten aanvragen.
Overdracht airsoftapparaat
14. Dat een ontheffingshouder een airsoftapparaat alleen aan een verenigingslid kan overdragen is een te beperkte lezing van beperking 11 van eiser. Een airsoftapparaat kan ingevolge de beperking immers ook aan ontheffinghouders worden overgedragen. [9] Aan anderen dan ontheffinghouders en verenigingsleden mag een ontheffinghouder bovendien in het geheel geen airsoftapparaat overdragen. Het bezit van een airsoftapparaat is immers verboden en een ontheffinghouder en verenigingslid bevinden zich in een uitzonderingspositie.
Leges
15. Eiser verbindt aan beperking 17, de ontheffinghouder moet bij verhuizing de ontheffing onmiddellijk ter wijziging aan de minister aanbieden, het gevolg dat hij daardoor leges moet betalen. Dat eiser bij een wijziging leges moet betalen volgt uit de wet en houdt geen verband met de vraag of de beperking op zichzelf te rechtvaardigen valt. Een verenigingslid kan een wijziging doorgeven aan de vereniging, waar een ontheffinghouder dit niet kan en daarom is het doorgeven van een verhuizing aan de minister gerechtvaardigd. [10] Het betalen van leges geeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dit zal apart aan de orde moeten worden gesteld.
Evenementen
16. Eiser heeft kort voor de zitting ook aangekaart dat ontheffinghouders geen evenement kunnen organiseren. De minister heeft dit volgens eiser ook in een e-mail erkend. Uit die e-mail leidt de rechtbank deze erkenning niet af. Dit betreft een nieuwsbrief van de NABV waarin wordt genoemd dat door het bestaan van de mogelijkheid van een ontheffing ook rekening moet worden gehouden met het feit dat ontheffinghouders zich melden om deel te mogen nemen aan een evenement. Die kunnen volgens de NABV alleen als introducé aan een evenement deelnemen. Wat het standpunt van de minister daarin is, leest de rechtbank niet. Voor het organiseren van een evenement geldt bovendien dat een individuele ontheffingshouder evenals een individueel verenigingslid niet zelfstandig evenementen kunnen organiseren. Ontheffinghouders verenigen zich juist niet doordat zij kiezen voor de individuele ontheffing. De rechtbank ziet op dit punt dus ook geen verschil met individuele leden van een vereniging. Dat de minister het organiseren van een evenement uitsluitend aan de vereniging heeft overgelaten, is gelet op de controle en het toezicht terecht.
Conclusie
17. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 en Pro 11 van het EVRM nu de afwegingen van de minister te rechtvaardigen zijn. Eiser heeft verder geen individuele omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften in zijn geval niet gerechtvaardigd of evenwichtig zijn. Het beroep van eiser slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van 't Hof, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.E. Mollerus, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder 7, van de Wwm en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling wapens en munitie (Rwm) is een airsoftwapen een categorie I wapen.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1625.
3.Zie artikel 11 van Pro het EVRM en de bepalingen hierna genoemd bij de beperkingen.
4.Zie ook artikel 17a, eerste lid, van de Rwm en paragraaf 2.9.1. van de Cwm.
5.Dit volgt uit artikel 7 van Pro de Wwm.
6.Dit volgt uit artikel 6a van de Wwm in samenhang met artikel 48a Rwm.
7.Dit volgt uit artikel 38 en Pro 39 van de Wwm in samenhang met artikel 1.4.2.1 van de Cwm.
8.Dit volgt uit artikel 8 en Pro 13 van de Wwm.
9.Dit volgt uit artikel 4 onder Pro e van de Wwm en artikel 17a van de Rwm.
10.Een ontheffingshouder is gebonden aan artikel 41 van Pro de Wwm en artikel 50 van Pro de Rwm.