De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een 12-jarige minderjarige, die onder toezicht is gesteld sinds september 2025. De minderjarige woont bij haar moeder, die het ouderlijk gezag heeft. Tijdens de zitting op 10 maart 2026 werd de minderjarige gehoord en is een kindbrief aan haar gericht.
De GI heeft het verzoek gedaan vanwege verergerde zorgen over de veiligheid binnen het gezin, ondanks intensieve hulpverlening en veiligheidsafspraken. De minderjarige vertoont intimiderend en bedreigend gedrag, gebruikt fysiek geweld tegen haar jongere zusje, vernielt spullen en zoekt grensoverschrijdend contact. Een dag voor de zitting heeft zij een suïcidepoging gedaan, wat de kinderrechter zeer zorgelijk acht.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verleend voor vier maanden, tot 10 juli 2026, met de mogelijkheid tot herbeoordeling. De GI moet de rechter uiterlijk 11 juni 2026 informeren over de actuele stand van zaken. De moeder stemt in met de uithuisplaatsing. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een vervolgzitting gepland op 25 juni 2026.
De kinderrechter benadrukt dat de uithuisplaatsing geen straf is en dat de minderjarige recht heeft op contact met haar moeder. Tevens wordt een traject gestart voor hulpverlening aan het gehele gezin, inclusief partnerrelatiebegeleiding en systeemtherapie. De beschikking is openbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.