In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of het object aan een adres in een plaats terecht als woning is aangemerkt voor de WOZ-waardering en belastingheffing. De heffingsambtenaar had de waarde van het object vastgesteld en aanslagen opgelegd, maar eiser betwistte het woninggebruik en de WOZ-waarde.
Eiser stelde dat het object uitsluitend als atelier gebruikt mag worden en verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank waarin werd vastgesteld dat het gebruik als woning in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank bevestigt dat de heffingsambtenaar het object ten onrechte als woning heeft aangemerkt.
De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet de heffingsambtenaar het griffierecht en een deel van de proceskosten aan eiser vergoeden. De reiskosten van eiser worden vastgesteld op €16,58, maar overige kosten zoals hotelovernachting worden niet vergoed.
De uitspraak is gedaan door rechter V.E.H.G. Visser en griffier M.A. Barmentlo op 2 april 2026. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.