Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene, die lijdt aan niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Betrokkene was na een hartinfarct opgenomen geweest in een revalidatie-instelling, waar ongeremd gedrag en desoriëntatie werden vastgesteld. Ondanks het advies van de instelling om niet naar huis terug te keren, verblijft betrokkene sinds 23 februari 2026 thuis samen met zijn dementerende echtgenote en wordt hij ondersteund door zijn zoon.
De rechtbank baseerde zich op medische verklaringen en getuigenissen van betrokken artsen en familieleden. De kernvraag was of betrokkene zich in de chronische fase van NAH bevindt, een vereiste voor toepassing van de Wet zorg en dwang (Wzd). De medische verklaring was opgesteld binnen vier maanden na het infarct, en de rechtbank oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat de chronische fase was bereikt. Bovendien bleek uit de thuissituatie dat betrokkene goed functioneert, geen ernstig nadeel ondervindt en openstaat voor hulp.
De rechtbank concludeerde dat het ingrijpen via een rechterlijke machtiging op dit moment niet gerechtvaardigd is. Zij benadrukte dat bij verslechtering altijd spoedaanvragen mogelijk zijn en adviseerde inzet van een casemanager NAH. Het verzoek werd daarom afgewezen.