AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering omgevingsvergunning voor dakkapel wegens strijd met bouwregels en stedenbouwkundige belangen
Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van hun woning. Het college heeft deze aanvraag geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met de bouwregels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht, met name de regels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan zowel aan de bouwregels voor hoofdgebouwen als die voor bijbehorende bouwwerken getoetst moet worden. Hoewel het college aanvankelijk alleen aan de regels voor hoofdgebouwen toetste, is dit gebrek gepasseerd omdat het college op de zitting alsnog een inhoudelijk standpunt innam over de regels voor bijbehorende bouwwerken. Het bouwplan voldoet niet aan de bouwhoogte-eis voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken.
Daarnaast is het bouwplan stedenbouwkundig onaanvaardbaar omdat het niet aansluit bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het advies van de afdeling Stedenbouw benadrukt het belang van het behoud van het schuine dakvlak om de eenheid van de stedenbouwkundige opzet te waarborgen. Eisers betogen dat het daklandschap al verstoord is en dat hun plan juist aansluit bij bestaande dakkapellen, maar de rechtbank acht het uitgangspunt van het college en Stedenbouw niet onredelijk.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de dakkapel.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4066
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. A.J. Braxhoven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van de woning [adres 1] in [plaats] . Eisers wonen in deze woning en zijn het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft beoordeeld dat het bouwplan in strijd is met de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Verder oordeelt de rechtbank dat het standpunt van het college dat het bouwplan stedenbouwkundig niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet onredelijk is. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Het bouwplan
3. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voor- en achterkant van hun woning. Aan de achterkant van de woning zit een originele kleine dakkapel. Samen met de buren aan de [adres 2] en [adres 3] hebben eisers de wens om aan de achterkant een grote dakkapel te realiseren. Met de maatvoering en materiaalkeuze hebben zij aansluiting gezocht bij aanwezige dakkapellen aan de [adres 4] en [adres 5] .
Procesverloop
4. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 5 juni 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de weigering gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser Ruijgrok met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling van de aanvraag door het college
6. De aanvraag ziet op een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. [1] Het college heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de regels uit het Omgevingsplan van de gemeente Utrecht. In het bestemmingsplan Cartesiusweg e.o., dat op grond van art. 22.1 van de Omgevingswet van rechtswege deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan, heeft het perceel [adres 1] de bestemming “Wonen” en de aanduiding “maximum aantal bouwlagen: 2”. Artikel 12, lid 12.2.1 bevat bouwregels voor hoofdgebouwen. Het college vindt dat het bouwplan in strijd is met de onderdelen c en e uit dit artikellid. Op grond van onderdeel c mag het aantal bouwlagen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal bouwlagen” is aangegeven. In onderdeel e is bepaald dat de bestaande dakvorm niet mag worden gewijzigd.
7. Omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met het omgevingsplan is de aanvraag getoetst aan het beoordelingskader uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van een negatief stedenbouwkundige advies heeft het college gesteld dat hiervan geen sprake is en de omgevingsvergunning geweigerd.
Aan welke bouwregels moet het bouwplan getoetst worden?
8. Eisers betogen dat het bouwplan ten onrechte is getoetst aan artikel 12, lid 12.2.1, omdat het bouwplan niet ziet op een hoofdgebouw, maar op een bijbehorende bouwwerk.
9. Artikel 12, lid 12.2.2 van de planregels bevat bouwregels voor bijbehorende bouwwerken. In artikel 1.29 (en 1.30) van de planregels is bijbehorend bouwwerk als volgt gedefinieerd: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
10. De rechtbank stelt voorop dat de woning het hoofdgebouw is. Als gevolg van het bouwplan zal het hoofdgebouw wijzigen. Tussen partijen is in geschil of het bouwplan getoetst moet worden aan de bouwregels van hoofdgebouwen of van bijbehorende bouwwerken. Het college heeft de aanvraag getoetst aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. De rechtbank is het met eisers eens dat de dakkapellen ook voldoen aan de definitiebepaling van een bijbehorend bouwwerk. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2] Vervolgens is de vraag of dit betekent dat het bouwplan alleen getoetst moet worden aan de bouwregels van bijbehorende bouwwerken, zoals eisers betogen, of (ook) aan de bouwregels van een hoofdgebouw. De rechtbank volgt eisers op dit punt niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet het bouwplan getoetst worden aan zowel de bouwregels van hoofdgebouwen als die van bijbehorende bouwwerken. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2024 [3] , oordeelt de rechtbank dat het toetsen aan beide regels verenigbaar is met het onderscheid dat de planwetgever in dit omgevingsplan heeft gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Gelet op de definitie van hoofdgebouw in artikel 1.50 van de planregels, is het bouwplan in dit geval aan te merken als een bijbehorende bouwwerk zijnde een uitbreiding van het hoofdgebouw. Dat maakt dat de uitbreiding naar het oordeel van de rechtbank ook getoetst moet worden aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. Bouwen ziet gelet de definitie uit artikel 1.31 van de planregels niet alleen op het oprichten van een bouwwerk, maar ook op het veranderen of vergroten van een bouwwerk.
11. Omdat het college het bouwplan in het bestreden besluit niet heeft getoetst aan de planregels voor bijbehorende bouwwerken is sprake van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te passeren, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Het college heeft immers op de zitting alsnog een inhoudelijk standpunt ingenomen over de vraag of het bouwplan aan deze bouwregels voldoet en eisers hebben hierop kunnen reageren.
Is het bouwplan in strijd met de bouwregels voor hoofdgebouwen of de regels voor bijbehorende bouwwerken?
Hoofdgebouw
12. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met de onderdelen c en e van artikel 12, lid 12.2.1 van de bouwregels voor hoofdgebouwen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers bevestigd dat daartegen geen beroepsgronden zijn aangevoerd, omdat hun standpunt is dat sowieso niet aan deze regels getoetst hoeft te worden. De rechtbank zal zich daarover dan ook niet uitlaten.
Bijbehorende bouwwerken
13. Eisers voeren aan dat de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken niet van toepassing zijn, omdat deze regels zich beperken tot op de grond staande bijbehorende bouwwerken. Het bouwplan is dus niet in strijd met deze bouwregels of andere planregels. Daarom had de aanvraag volgens eisers getoetst moeten worden aan artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl en had het bouwplan vergund moeten worden.
14. De omstandigheid dat de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken niet expliciet zijn geschreven met het oog op dakkapellen, zoals het college op de zitting heeft toegelicht, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het bouwplan daaraan niet getoetst hoeft te worden. Uit artikel 12, lid 12.2.2, van de regels valt geen beperking af te leiden dat de bouwregels alleen van toepassing zijn op bijbehorende bouwwerken die op de grond staan. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk hoeft niet per definitie op de grond te staan. Het college heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat het bouwplan niet aan het bepaalde in artikel 12, lid 12.2.2, van de regels voldoet. De rechtbank volgt het college dat het bouwplan in strijd is met onderdeel d van lid 12.2.2. waarin is bepaald dat de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,30 meter.
15. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de planregels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het college heeft de aanvraag daarom terecht getoetst aan het beoordelingskader uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.
Is het bouwplan stedenbouwkundig onaanvaardbaar?
16. Eisers voeren aan dat het bouwplan geen inbreuk maakt op de stedenbouwkundige waarde, omdat aan de achterzijde van de woning al sprake is van een verstoord daklandschap. Eisers wijzen erop dat zij met het bouwplan aansluiting hebben gezocht bij de dakkapellen aan de achterkant van de woningen [adres 4] en [adres 5] , zodat juist meer eenheid ontstaat.
17. Het college heeft advies gevraagd aan de afdeling Stedenbouw. In dit advies staat dat Stedenbouw hecht aan het behouden van het schuine dakvlak om de eenheid van de stedenbouwkundige opzet van de rij, het blok en de buurt leesbaar te houden. Met het oog op de ruimtelijke eenheid van een rij woningen, hanteert Stedenbouw het gelijkheidsbeginsel per rij. Dat houdt in dat per rij woningen gekeken wordt wat onder de gelding van het huidige bestemmingsplan, dat nu onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, in afwijking daarvan is vergund. De woning van eisers maakt deel uit van een lange aaneengesloten rij met soortelijke woningen (nummers [nummer] tot en met [nummer] ). In een aanvullende stedenbouwkundig advies is uiteengezet dat het grootste deel van deze rij een ondergeschikte dakkapel aan de achterzijde heeft. Daardoor is er een nieuw daklandschap ontstaan, waarmee de oorspronkelijke hoofdgebouwen nog goed herkenbaar blijven. Omdat in deze rij woningen geen dakopbouwen zijn vergund onder de gelding, maar in afwijking van het huidige bestemmingsplan, is Stedenbouw niet akkoord met de aanvraag.
18. Volgens eisers is geen sprake van een dakopbouw. Zij brengen naar voren dat in het stedenbouwkundig advies onderscheid wordt gemaakt tussen een dakkapel en een dakopbouw zonder dat duidelijk is waar dit op is gebaseerd.
19. In de bestreden besluit is vermeld dat Stedenbouw de term dakopbouw heeft gehanteerd omdat het bouwplan niet voldoet aan de door Stedenbouw gehanteerde richtlijn voor een ondergeschikte dakkapel. Het college heeft verder toegelicht dat bij stedenbouwkundige beoordeling naar het bouwplan als zodanig gekeken, waardoor de definities niet direct van belang zijn. De rechtbank overweegt dat het voor eisers duidelijker geweest zou zijn als de begrippen in het stedenbouwkundig advies waren toegelicht, maar dat maakt niet dat het college de besluitvorming niet op dit stedenbouwkundig advies heeft mogen baseren.
20. De beroepsgrond dat geen sprake is van een te behouden stedenbouwkundige waarde, omdat het daklandschap al in verregaande mate is verstoord, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom het zo veel mogelijk willen behouden van het daklandschap met de bestaande schuine dakvlakken geen stedenbouwkundige waarde vertegenwoordigt. De stedenbouwkundige opzet van de rij woningen met twee woonlagen en een kap vormt immers een ruimtelijke eenheid. Het stedenbouwkundig uitgangspunt om het daklandschap met de bestaande schuine dakvlakken zo veel mogelijk in stand te laten acht de rechtbank niet onredelijk.
21. In het verleden zijn verschillende typen dakkappelen vergund en gerealiseerd, wat ten koste is gegaan van de eenheid. Om verdere verrommeling tegen te gaan is ervoor gekozen om een knip te maken bij het huidige bestemmingsplan, waarmee de in het verleden toegestane situaties worden afgesloten en voor de toekomst alleen vergunningsvrije dakkapellen worden toegestaan of dakkapellen die aansluiten bij dakkapellen in de rij woningen die onder het huidige planologische regime maar in afwijking daarvan zijn vergund. Gelet op het doel om verdere verrommeling tegen te gaan, beoordeelt de rechtbank dit uitgangspunt als niet onredelijk. Dat eisers met hun bouwplan juist aansluiting hebben gezocht bij naastgelegen dakkapellen aan de achterkant, maakt niet dat het college dit uitgangspunt in navolging van Stedenbouw niet heeft mogen hanteren.
22. De dakkappelen aan de achterkant van de woningen [adres 4] en [adres 5] zijn volgens eisers in 2000 gerealiseerd. Niet in geschil is dat op dat moment een ander planologische regime gold. Verder heeft het college gesteld dat in de rij woningen van eisers onder het huidige planologische regime geen dakkappellen aan de voorkant zijn vergund. Eisers hebben dit niet bestreden.
Conclusie en gevolgen
23. De rechtbank oordeelt dat het college gevolgd kan worden in het standpunt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft.
24. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd.