Eiser diende een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, maar het college stelde deze buiten behandeling omdat niet alle gevraagde documenten tijdig werden aangeleverd. Eiser bevond zich tijdens de aanvraag in detentie en kon niet alle stukken overleggen, waaronder een bewijs van vrijlating en inschrijving.
Het college gaf eiser een termijn om de ontbrekende stukken aan te leveren, maar deze werden niet binnen de gestelde termijn verstrekt. Eiser voerde aan dat hij door overmacht niet kon voldoen aan de verzoeken en dat hij wel een kopie van zijn identiteitsbewijs had meegestuurd, wat het college ontkende.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde omdat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de beoordeling en eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was deze tijdig te overleggen. Bovendien kwam eiser vanwege zijn detentie niet in aanmerking voor bijstand. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.