Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1446

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/16/592945 / FO RK 25-534
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning kind en afwijzing omgangsregeling

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning van zijn dochter, geboren in 2023, en om een omgangs- en informatieregeling vast te stellen. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, verzette zich tegen de omgangsregeling en verwees naar eerdere rechterlijke uitspraken en het contactverbod jegens de man.

De rechtbank stelde vast dat de man de biologische vader is en dat erkenning in het belang is van de identiteitsontwikkeling van het kind. Er was geen bewijs dat erkenning de emotionele ontwikkeling van het kind of de relatie met de moeder zou schaden. De erkenning brengt alleen de juridische situatie in overeenstemming met de biologische werkelijkheid, zonder dat de man zeggenschap krijgt over het kind.

Het verzoek tot omgangsregeling werd afgewezen omdat de man meerdere malen bedreigingen had geuit, een contactverbod geldt en de moeder angstig is. De man kon onvoldoende veiligheid bieden, mede gezien zijn beperkte inzet voor behandeling en het lopende reclasseringstoezicht. De rechtbank stelde wel een informatieregeling vast, waarbij de moeder via de hulpverlening van de man maandelijks informatie verstrekt over het kind.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad voor de informatieregeling, maar niet voor de erkenning, die pas na onherroepelijkheid kan worden geregistreerd. Tegen de beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning van het kind en stelt een informatieregeling vast, maar wijst het verzoek tot omgangsregeling af vanwege veiligheidsrisico's.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/592945 / FO RK 25-534
Vervangende toestemming voor erkenning
Beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.M.P.M. Adank,
tegen
[de vrouw],
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W. Kok,
met als belanghebbende
mr. L.M. Bongers,
kantoorhoudende in [plaats] ,
als bijzondere curator over het kind:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] .

1.De procedure

1.1.
De man heeft op 7 mei 2025 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen.
1.2.
In de beschikking van 13 juni 2025 heeft de rechtbank mr. Adank benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1 (voornaam)] . De bijzondere curator vertegenwoordigt haar in deze procedure en komt op voor haar belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het advies van 18 september 2025 van de bijzondere curator;
  • de brief van de moeder van 1 oktober 2025;
  • het F-formulier van de man van 7 oktober 2025.
1.4.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met mr. D.R.M. Hos (als waarnemer van mr. Adank);
  • de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, locatie [locatie] (hierna te noemen: de Raad);
  • de bijzondere curator.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De moeder en de man hebben een relatie gehad.
2.2.
De moeder en de man hebben samen een kind:
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige 2 (voornaam)] erkend.
2.3.
Vervolgens is de moeder bevallen van dochter:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] .
[minderjarige 1 (voornaam)] is niet erkend.
2.4.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] . Dit betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over hen mag nemen.
2.5.
In de beschikking van deze rechtbank van 11 september 2024 heeft de rechtbank – voor zover voor deze procedure relevant – de volgende omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige 2 (voornaam)] :
  • nadat [minderjarige 2 (voornaam)] haar EMDR traject heeft afgerond zien [minderjarige 2 (voornaam)] en de man elkaar één keer in de veertien dagen gedurende een uur onder begeleiding van het Centrum voor Jeugd en Gezin of een door hen aangewezen professionele derde;
  • onder regie van het Centrum voor Jeugd en Gezin, in overleg met de betrokken hulpverleners en in overeenstemming met de draagkracht van [minderjarige 2 (voornaam)] wordt deze omgangsregeling uitgebreid naar een onbegeleide omgang van eens in de veertien dagen een weekenddag bij de man.
2.6.
Daarnaast heeft de rechtbank in diezelfde beschikking een informatieregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder de man – voor zolang dat nodig is via zijn hulpverlening – minstens één keer per maand een e-mail stuurt over onder andere de gezondheid van [minderjarige 2 (voornaam)] , hoe het met haar gaat op school en haar hobby’s en sociale activiteiten.
2.7.
De onderhavige procedure ziet alleen op [minderjarige 1 (voornaam)] .
2.8.
De man verzoekt om hem toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1 (voornaam)] . Dat wil zeggen dat de man voortaan in juridische zin als de vader van [minderjarige 1 (voornaam)] wordt aangemerkt. De man stelt dat hij de biologische vader is van [minderjarige 1 (voornaam)] . Ook verzoekt de man om een omgangsregeling, gelijk aan de omgangsregeling met [minderjarige 2 (voornaam)] , en een informatieregeling vast te stellen.
2.9.
De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de erkenning van [minderjarige 1 (voornaam)] door de man. De moeder heeft tegen de overige verzoeken van de man verweer gevoerd.

3.De beoordeling

De erkenning
3.1.
De rechtbank zal toestemming verlenen aan de man om [minderjarige 1 (voornaam)] te erkennen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1 (voornaam)] . Het uitgangspunt van de wet is dat zowel het kind als de verwekker er recht op hebben dat hun familieband officieel wordt vastgelegd. De rechter kan alleen in uitzonderlijke gevallen weigeren om vervangende toestemming te geven voor de erkenning. Dit kan als door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad of als een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. [1]
3.3.
De rechtbank vindt het in het belang van (de identiteitsontwikkeling van) [minderjarige 1 (voornaam)] dat officieel wordt vastgelegd wie haar vader is. Niet is gebleken dat de erkenning door de man de ontwikkeling van [minderjarige 1 (voornaam)] zal schaden of de relatie tussen de moeder en [minderjarige 1 (voornaam)] zal verstoren. Bij de moeder is sprake van (emotionele) weerstand tegen de erkenning van [minderjarige 1 (voornaam)] door de man. De moeder stelt zich op het standpunt dat de man tot op heden geen interesse in [minderjarige 1 (voornaam)] heeft getoond. Daarnaast wil de moeder [minderjarige 1 (voornaam)] tegen de man in bescherming nemen. De moeder vindt de man psychisch niet stabiel en daarnaast zou er sprake zijn van alcoholproblematiek. De moeder vreest dat de man door de erkenning invloed krijgt op het leven van [minderjarige 1 (voornaam)] . Hierdoor ervaart de moeder veel stress, angst en verdriet. De rechtbank overweegt dat de band tussen [minderjarige 1 (voornaam)] en de moeder niet zal veranderen, enkel door de erkenning. Daarnaast heeft de man [minderjarige 2 (voornaam)] ook erkend en is het belangrijk dat de man ten opzichte van de twee kinderen dezelfde juridische positie heeft. De bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming zijn het daarmee eens. Enkel door de erkenning zal de man geen (fysieke) rol spelen in het leven van de moeder en [minderjarige 1 (voornaam)] . Hierdoor wordt alleen de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid, door de man te vermelden op de geboorteakte van [minderjarige 1 (voornaam)] als haar vader. De rechter vindt het belangrijk dat in officiële papieren staat wie de vader is van [minderjarige 1 (voornaam)] , zodat niemand daarover later kan twijfelen. Enkel door de erkenning krijgt de man geen zeggenschap over [minderjarige 1 (voornaam)] . De moeder blijft alleen belast met het gezag en zal de belangrijke beslissingen voor [minderjarige 1 (voornaam)] blijven nemen.
Registratie erkenning bij de gemeente
3.4.
De beslissing over de erkenning van de rechtbank wordt niet automatisch geregistreerd bij de burgerlijke stand. Om de beslissing te laten registeren, moet de man met deze beschikking naar de gemeente (afdeling burgerlijke stand). Dit kan pas na het verstrijken van drie maanden vanaf de datum van deze beschikking. Dit is de termijn voor het instellen van hoger beroep. Als binnen die termijn geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing over de erkenning, is die beslissing onherroepelijk. Om de beslissing te laten registreren bij de gemeente, moet de man een verklaring non-appèl opvragen bij de rechtbank. Deze verklaring houdt in dat niemand in hoger beroep is gegaan van de beslissing. De verklaring non-appèl moet de man ook meenemen naar de gemeente om de erkenning te laten registreren.
De registratie van de beslissing over de erkenning kan bij iedere willekeurige gemeente in Nederland plaatsvinden. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt dan de akte van erkenning op en voegt deze als latere vermelding toe aan de geboorteakte van [minderjarige 1 (voornaam)]
De omgangsregeling
3.5.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1 (voornaam)] afwijzen. De rechtbank zal hierna toelichtend waarom zij deze beslissing neemt.
3.6.
De rechtbank acht het op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] dat een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen haar en de man. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat de man meerdere malen bedreigingen heeft geuit richting de moeder. Ook heeft de man meerdere malen in de nacht bij de moeder aangebeld. Uit de beschikking van 11 september 2024 blijkt dat de man is veroordeeld naar aanleiding van aangiftes van de moeder en oma (moederszijde). Daarnaast is aan de man een contactverbod richting de moeder opgelegd. Dit contactverbod geldt op dit moment nog steeds. De moeder is angstig voor de man en daarnaast vertrouwt zij hem niet. De gebeurtenissen tussen partijen hebben ook invloed gehad op de kinderen. Uit de beschikking van 11 september 2024 volgt dat [minderjarige 2 (voornaam)] een trauma heeft opgelopen door de ingrijpende gebeurtenissen in de relatie met de man. Zij dient een EMDR traject te volgen om dit trauma te verwerken. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank het aannemelijk acht dat de man niet veilig is voor zijn kinderen, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de situatie aanzienlijk is veranderd. Het is voor de rechtbank op dit moment niet duidelijk hoe het met de man gaat en welke hulpverlening hij heeft ingezet om zijn situatie te verbeteren. De man heeft verklaard dat hij vanuit [instelling] behandelingen krijgt, dat hij in maart 2026 start met emotieregulatietherapie en dat hij vanuit de reclassering wekelijks urinecontroles heeft. De man heeft dit standpunt echter niet met stukken onderbouwd. Zelfs als de man inderdaad gestart zou zijn met behandeling is dat van zo beperkte tijdsduur dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gebleken dat de ingezette hulpverlening een langdurig positief effect heeft op de man Uit het feit dat de proeftijd is verlengd en hij pas recent is gestart met de behandeling, leidt de rechtbank af dat de man zich de afgelopen jaren in de proeftijd onvoldoende ingezet heeft voor zijn behandeling. De rechtbank t concludeert dat de man [minderjarige 1 (voornaam)] in het contact niet voldoende veiligheid kan bieden. De rechtbank zal het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dan ook afwijzen.
De informatieregeling
3.7.
In de beschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van [minderjarige 2 (voornaam)] een informatieregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder de man – voor zolang dat nodig is via zijn hulpverlening – minstens één keer per maand een e-mail stuurt over onder andere de gezondheid van [minderjarige 2 (voornaam)] , hoe het met haar gaat op school en haar hobby’s en sociale activiteiten. De rechtbank acht het in dit geval redelijk dat de man op dezelfde wijze door de moeder over [minderjarige 1 (voornaam)] wordt geïnformeerd en zal dan deze informatieregeling dan ook ten aanzien van [minderjarige 1 (voornaam)] vaststellen. De rechtbank bepaalt daarbij dat de informatieregeling, zolang de man een contactverbod heeft richting de moeder, via de hulpverlening van de man dient te lopen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.8.
De man heeft verzocht om de beslissing – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen ten aanzien van de toestemming voor de erkenning. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent aan
[de man], geboren op [geboortedatum 3] 1992 in [geboorteplaats] ,
toestemming om te erkennen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] ;
4.2.
stelt een informatieregeling vast, waarbij de moeder de man – voor zolang dat nodig is via zijn hulpverlening – minstens één keer per maand een e-mail stuurt over onder andere:
  • de gezondheid van [minderjarige 1 (voornaam)] ;
  • haar hobby’s en sociale activiteiten;
4.3.
verklaart deze beschikking ten aanzien van 4.2. uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de verzoeken van de man voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. M.N. Cheuk A Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1: 204 lid 3 BW.