3.3.2.Bewijsoverwegingen
Vastgestelde feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en wat op zitting is besproken het volgende vast.
Op 23 december 2023 heeft er in Linschoten op de Noord-Linschoterdijk een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een door de verdachte bestuurde auto en twee hardlopers. Door deze botsing heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] letsel opgelopen.
De verdachte wilde met haar auto het parkeerterrein aan de Noord-Linschoterdijk verlaten en reed daarom naar de uitrit van dat parkeerterrein. In verband met een hardloopevenement, waarvan een deel van het hardloopparcours over de Noord-Linschoterdijk liep, golden ter plaatse tijdelijke verkeersmaatregelen en werd het verkeer geregeld door verkeersregelaars.
Aan de verdachte werd door een verkeersregelaar een stopteken gegeven, waaraan zij in eerste instantie gehoor gaf door haar auto tot stilstand te brengen. Vlak daarna gaf de verdachte echter plotseling (en blijvend) gas, reed zij met hoge snelheid de Noord-Linschoterdijk op en hield zij haar auto niet onder controle, waardoor zij in botsing kwam met twee hardlopers.
Na een afstand van ongeveer 93 meter kwam de verdachte met haar auto tot stilstand op de M.A. Reinaldaweg.
Juridisch kader
De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat zij artikel 6 WVW heeft overtreden, doordat zij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor anderen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Om deze schuld bewezen te kunnen verklaren, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht
Beoordeling
Bij de beoordeling van de (mate van) schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden.
De rechtbank stelt voorop dat ter plaatse sprake was van een hardloopevenement, waarbij het hardloopparcours deels over de weg liep en waardoor het verkeer ter plaatse werd geregeld door verkeersregelaars. Deze verkeerssituatie op zichzelf vereist al bijzondere oplettendheid van een verkeersdeelnemer.
De verdachte heeft echter, terwijl zij een stopteken kreeg van een verkeersregelaar, plotseling gas gegeven en is met hoge snelheid de Noord-Linschoterdijk op gereden. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat het niet haar bedoeling was om gas te geven. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat haar auto ineens (hard) uit zichzelf ging rijden en op de zitting heeft zij verklaard dat zij denkt dat er geen andere mogelijkheid is dan dat zij het verkeerde pedaal heeft ingetrapt (het gaspedaal in plaats van de rem). De rechtbank gaat uit van dit laatste scenario. Daartoe is onder meer van belang dat na het ongeval technisch onderzoek is verricht aan de auto waarin de verdachte reed. Uit de rij- en remproeven is gebleken dat de auto zonder problemen gas kon geven en kon remmen en er werden geen storingen vastgesteld die relevantie zouden kunnen hebben voor het ontstaan van het verkeersongeval.
De advocaat heeft betoogd dat de enkele vergissing bij het bedienen van de pedalen onvoldoende is om van schuld in de zin van artikel 6 WVW te spreken. De rechtbank ziet dat anders en legt hierna uit waarom.
Een kortdurende vergissing en verwisseling van de pedalen is weliswaar onvoorzichtig, maar nog niet zodanig dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid (en dus strafrechtelijk verwijtbaar handelen). Tegelijkertijd mag van de gemiddelde bestuurder, en dus ook van de verdachte, op dat moment worden verwacht dat een dergelijke vergissing direct wordt hersteld. Dit geldt des te meer, nu de verdachte heeft verklaard dat zij al twee jaar lang regelmatig in deze auto reed. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte niet slechts een enkele (fractie van een) seconde gas heeft gegeven, maar dat zij het gaspedaal langere tijd ingedrukt heeft gehouden. De verdachte heeft haar vergissing dus niet (tijdig) gecorrigeerd, terwijl er gedurende de rit meerdere momenten zijn geweest om dit te doen.
Uit deze omstandigheden blijkt niet alleen dat de verdachte (per ongeluk) gas heeft gegeven, maar ook dat zij gas is blijven geven, haar auto niet voortdurend onder controle heeft gehad, met een hogere snelheid reed dan ter plaatse – gelet op het hardloopevenement – voor een veilig verkeer geboden was en haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij haar auto tijdig tot stilstand kon brengen. Van een enkele verkeersfout of een kort moment van onoplettendheid is dan ook geen sprake.
Deze feiten en omstandigheden samen bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte met het (hiervoor beschreven) verkeersgedrag tekortgeschoten is ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen dan zij heeft gedaan. De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte – net als de officier van justitie – als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zeer onvoorzichtig rijgedrag (ernstige schuld). Om vast te kunnen stellen dat daarvan sprake is, is namelijk meer nodig dan wat er in deze zaak bewezen kan worden. Naast de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, is niet van andere verwijtbare verkeersgedragingen gebleken. De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van de zwaardere ten laste gelegde schuldgradatie van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
Zwaar lichamelijk letsel
Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Ook kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat volgens algemeen spraakgebruik zo kan worden genoemd.
Uit de medische informatie blijkt dat het slachtoffer bij het ongeval een gebroken schouder en een hersenschudding heeft opgelopen en dat de genezingsduur op de datum van het ongeval onbekend was. Op 25 januari 2024 verklaarde het slachtoffer dat zij ook scheuren in drie ruggenwervels had, dat zij nog steeds klachten heeft als gevolg van al haar letsel en dat zij een revalidatietraject in zal gaan dat nog maanden in beslag zal nemen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van het slachtoffer blijkt dat zij ruim twee jaar na het ongeval, nog steeds niet volledig is hersteld. Het letsel van het slachtoffer kan vanwege de aard van het letsel en het feit dat er nog geen uitzicht is op (volledig) herstel worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen vindt dat de verdachte artikel 6 WVW heeft overtreden, dat zij aanmerkelijke schuld heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval en dat het slachtoffer door haar verkeersovertreding zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.