Eiseres heeft op 7 februari 2025 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Eiseres stelde verweerder op 11 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende op 26 februari 2026 een beroepschrift in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank draagt verweerder op om uiterlijk 5 april 2027 een besluit te nemen, waarbij deze termijn is gebaseerd op een eerdere uitspraak waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na de wettelijke termijn van 52 weken is vastgesteld.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 50,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 54,-. Partijen hebben afgezien van een zitting, waarna het onderzoek is gesloten.