Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1459

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
12100710 / MV EXPL 26-21 van
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige en structurele overlast na regeling

De Stichting De Alliantie vordert in kort geding de ontruiming van een woning die zij verhuurt aan [gedaagde], vanwege aanhoudende ernstige en structurele overlast jegens medebewoners. De huurder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Tijdens de procedure hebben partijen een regeling getroffen waarbij de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 1 mei 2026, en de huurder de woning op die datum leeg en ontruimd zal opleveren.

De kantonrechter oordeelt dat De Alliantie een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, gelet op de ernst van de overlast en het risico dat de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. De regeling bevat tevens een voorwaardelijke proceskostenveroordeling voor het geval de huurder niet aan zijn verplichtingen voldoet.

De rechter veroordeelt de huurder om uiterlijk op 1 mei 2026 de woning te ontruimen en ter beschikking te stellen, met de mogelijkheid tot executie door de deurwaarder na die datum. Tevens wordt de huurder voorwaardelijk veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op €1.013,02 plus kosten van betekening en wettelijke rente, indien hij de regeling niet nakomt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning per 1 mei 2026 met een voorwaardelijke proceskostenveroordeling bij niet-nakoming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Vonnis in kort geding van 9 april 2026
in de zaak met zaaknummer / rolnummer 12100710 / MV EXPL 26-21 van
de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum,
eiseres,
hierna te noemen: De Alliantie,
gemachtigde mr. D.L. van Praag,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. E.D. van Tellingen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 27 februari 2026, met producties 1 en 2
  • de nagekomen producties 3 en 4
  • de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.
1.2.
De Alliantie heeft de kantonrechter vóór de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 bericht dat partijen een regeling hebben getroffen. De Alliantie heeft verzocht de regeling op te nemen in een vonnis en [gedaagde] heeft verklaard dat hij zich hiertegen niet zal verzetten. [gedaagde] heeft ook overigens geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van De Alliantie.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt een woning van De Alliantie in [woonplaats] , aan het adres [adres] .
2.2.
[gedaagde] schiet al geruime tijd tekort in zijn verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst, door overlast te veroorzaken in het gehuurde, jegens zijn medebewoners.
2.3.
Vanwege de aanhoudende overlast, en een ander ernstig incident, heeft De Alliantie [gedaagde] , in overleg met de politie, aangemeld bij het Meldpunt Vangnet & Advies.

3.Het geschil

3.1.
De Alliantie heeft daarom bij dagvaarding – kort gezegd – de veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de gehuurde woning gevorderd, vanwege de door hem veroorzaakte structurele en ernstige overlast, en om hem te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
[gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft De Alliantie een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen in dit kort geding. Zij heeft gesteld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van ernstige en structurele overlast, die zodanig ernstig is, dat deze overlast (in een eventueel te voeren bodemprocedure) de ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen. [gedaagde] heeft het bestaan van een spoedeisend belang ook niet betwist.
4.2.
Partijen hebben een regeling getroffen. Deze regeling houdt het volgende in:
De in de considerans tussen De Alliantie en [gedaagde] omschreven huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde eindigt met wederzijds goedvinden op 1 mei 2026;
[gedaagde] zal het gehuurde op 1 mei 2026 om 13.30 uur leeg en ontruimd en op de wijze als in de huurovereenkomst is voorgeschreven aan De Alliantie ter beschikking stellen, waarbij hij de sleutels aan De Alliantie zal overhandigen;
[gedaagde] zal gedurende de resterende looptijd van de huurovereenkomst aan zijn omwonenden en aan medewerkers van De Alliantie geen overlast veroorzaken, in welke vorm dan ook. Verder zal hij tot het einde voldoen aan zijn verplichting de huurprijs tijdig te betalen;
De Alliantie kan zich niet het risico veroorloven dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet nakomt. De Alliantie vordert daarom in kort geding de ontruiming van het gehuurde en een proceskostenveroordeling. [gedaagde] zal daartegen geen verweer voeren. Indien het gehuurde uiterlijk op 1 mei 2026 zoals in 3. is beschreven aan De Alliantie ter beschikking stelt, maakt De Alliantie geen aanspraak op de proceskostenveroordeling. Voldoet [gedaagde] niet (geheel) aan deze verplichting zal De Alliantie het vonnis laten executeren en onverminderd op de proceskostenveroordeling aanspraak maken;
[…].
4.3.
Indien [gedaagde] deze regeling nakomt – en de woning per 1 mei 2026 heeft verlaten en De Alliantie de woning niet zal hoeven te ontruimen – heeft De Alliantie verklaard dat het vonnis niet ten uitvoer zal worden gelegd, voor wat betreft de hierna uit te spreken (voorwaardelijke) proceskostenveroordeling.
4.4.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld, echter alleen indien hij de hiervoor onder 4.2. opgenomen regeling niet (geheel) nakomt. De kosten aan de zijde van De Alliantie worden in dat geval begroot op:
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde 577,00
- kosten van de dagvaarding 153,02
- nakosten
144,00Totaal € 1.013,02 (plus de kosten van betekening van dit vonnis).
De tevens gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de hierna te vermelden wijze.

5.De beslissing

De kantonrechter
Voor het geval [gedaagde] niet (geheel) voldoet aan de regeling, zoals hiervoor onder 4.2. is weergegeven en De Alliantie dit vonnis laat executeren
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [woonplaats] met aan- en toebehoren en met inbegrip van eventueel bij de woning behorende opslagruimte en tuin, met al het zijne en de zijnen uiterlijk op 1 mei 2026 te ontruimen en de woning met aan- en toebehoren ter vrije beschikking van De Alliantie te stellen, dit onder afgifte van de sleutels, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd met behulp van de sterke arm conform het beginsel in artikel 555 Rv Pro e.v. in verbinding met artikel 444 Rv Pro, met dien verstande dat deze veroordeling niet eerder dan 1 mei 2026 ten uitvoer kan worden gelegd;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , voorwaardelijk, in de proceskosten, aan de zijde van De Alliantie tot vandaag vastgesteld op € 1.013,02, te vermeerderen met de kosten van betekening, als [gedaagde] niet (geheel) aan de overeengekomen regeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.