Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1463

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/5252
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij kinderopvangtoeslag compensatie

Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslagcompensatie op grond van de Wet herstel toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen voerde eerst een lichte toets uit en wees de compensatie af. Eiseres maakte bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard (bestreden besluit I). Vervolgens vond een integrale herbeoordeling plaats, die eveneens tot afwijzing leidde (bestreden besluit II).

Eiseres stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank constateerde dat het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk is omdat de integrale herbeoordeling de lichte toets heeft ingehaald en het beroep tegen het tweede besluit eveneens niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank kan immers niet oordelen dat eiseres als gedupeerde moet worden aangemerkt, omdat de integrale beoordeling dit reeds heeft vastgesteld.

De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk en veroordeelt Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. Eiseres kan nog hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen beide besluiten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5252

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft melding gemaakt bij Dienst Toeslagen dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat zij een herbeoordeling wenst van het recht op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet herstel toeslagen (Wht).
1.1.
Dienst Toeslagen heeft vervolgens een zogeheten ‘lichte toets’ uitgevoerd. In die toets is gekeken of eiseres als gedupeerde kan worden aangemerkt en – daardoor - in aanmerking komt voor het compensatiebedrag van € 30.000,- uit de Catshuisregeling.
1.2.
Op 16 december 2021 heeft Dienst Toeslagen naar aanleiding van deze lichte toets vastgesteld dat eiseres niet als gedupeerde kan worden aangemerkt en dus geen compensatie krijgt. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Dienst Toeslagen heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard in het besluit van 20 juni 2024 (het bestreden besluit I).
1.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.4.
Al daarvoor, op 22 februari 2024 heeft Dienst Toeslagen een besluit genomen naar aanleiding van de ‘integrale herbeoordeling’, die na een lichte toets volgt. Daarbij heeft Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen gedupeerde is en ook niet in aanmerking komt voor compensatie.
1.5.
Op 21 oktober 2024 heeft Dienst Toeslagen een gewijzigd besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit II). Daarin heeft de Dienst Toeslagen het bestreden besluit I ingetrokken en het bezwaarschrift van eiseres alsnog inhoudelijk behandeld en ongegrond verklaard.
1.6.
Eiseres heeft ook tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24/7814).
1.7.
Omdat op grond van artikel 6:19 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) het beroep van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II, heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer UTR 24/7814 afgeboekt als ‘ten onrechte ingeschreven’.
1.8.
Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend in deze procedure.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Dienst Toeslagen heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit I
2. Gedurende de beroepsprocedure heeft verweerder het bestreden besluit I vervangen door het gewijzigde bestreden besluit II. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit I daarom niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het gewijzigde bestreden besluit niet tegemoetkomt aan de bezwaren van eiseres, heeft het beroep gericht tegen het bestreden besluit I van rechtswege ook betrekking op het gewijzigde bestreden besluit II.
Het bestreden besluit II
3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij haar beroep tegen het bestreden besluit II. Ook het beroep tegen het bestreden besluit II is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank licht dit hierna toe.
3.1.
Procesbelang houdt in dat het doel dat eiseres voor ogen staat met het beroep moet kunnen worden bereikt en voor haar feitelijk van betekenis is. [1] Eiseres kan met dit beroep niet bereiken dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt en in aanmerking komt voor het minimale compensatiebedrag van € 30.000,-. De Dienst Toeslagen heeft namelijk inmiddels een integrale beoordeling uitgevoerd, en had dat ook al gedaan op het moment dat eiseres het beroep instelde. In die integrale beoordeling is opnieuw – en grondiger – gekeken naar de kinderopvangtoeslag die eiseres heeft gekregen. Dienst Toeslagen komt in de integrale beoordeling tot de conclusie dat de kinderopvangtoeslag is aangepast vanwege reguliere wijzigingen. Eiseres is daarom volgens Dienst Toeslagen terecht niet als gedupeerde aangemerkt en heeft daarom geen recht op compensatie op grond van de Wht.
3.2.
De rechtbank kan in deze procedure echter niet oordelen dat eiseres als gedupeerde moet worden aangemerkt, omdat de lichte toets inmiddels is ingehaald door de integrale beoordeling. De rechtbank zou in dit beroep tegen de lichte toets hooguit kunnen constateren dat de voorbereiding en besluitvorming naar aanleiding van de lichte toets onzorgvuldig zijn geweest en verweerder opdragen hier opnieuw naar te kijken. Maar omdat de lichte toets hoe dan ook al is ingehaald door de integrale beoordeling levert dat eiseres niets op.
3.3.
Dat betekent dus dat ongeacht de uitkomst van deze procedure blijft staan dat eiseres op grond van de integrale beoordeling volgens Dienst Toeslagen geen gedupeerde is en dus geen aanspraak maakt op compensatie op grond van de Wht. Eiseres zal alleen met rechtsmiddelen
tegen het besluit in de integrale beoordeling(eventueel) kunnen bereiken dat zij alsnog wordt aangemerkt als gedupeerde.
3.4.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiseres met dit ingestelde beroep in het kader van de lichte toets geen reëel en actueel belang meer heeft. Het beroep tegen het bestreden besluit II zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het bestreden besluit I en het beroep tegen het bestreden besluit II zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
4.1.
Dienst Toeslagen moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit, omdat er een gewijzigde beslissing op bezwaar is genomen. Eiseres krijgt om deze reden ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 1.868,-;
- bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Volgens vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van ECLI:NL:RVS:2025:2279 overweging 4.1.