Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1466

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/1034
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.46 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen kap bomen Haarrijnse Plas wegens ontbreken spoedeisend belang

De zaak betreft een verzoek van Stichting Natuurlijk Kapitaal Midden Nederland tegen het college van gedeputeerde staten van Utrecht inzake handhaving tegen kapwerkzaamheden aan de Haarrijnse Plas.

Op 23 september 2025 verleende de gemeente Utrecht vergunningen voor het kappen van 243 bomen. Verzoekster diende op 2 oktober 2025 een handhavingsverzoek in, stellende dat de kap in strijd was met soortenbeschermingsregels en verzocht om onmiddellijke stopzetting via een last onder dwangsom of bestuursdwang.

De bomen zijn medio oktober 2025 gekapt. Het college wees het handhavingsverzoek op 22 december 2025 af, stellende dat geen overtreding was geconstateerd en dat de vergunning rechtmatig was verleend. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het handhavingsverzoek zich uitsluitend richtte op de kap van de bomen, die inmiddels was voltooid, waardoor geen spoedeisend belang meer bestond voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. Het college zal nog een besluit nemen op een nieuw handhavingsverzoek. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de bomen al zijn gekapt en er geen spoedeisend belang meer is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1034

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting Natuurlijk Kapitaal Midden Nederland, uit Vleuten, verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde 1] , voorzitter, en [gemachtigde 2] , secretaris),
en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht

(gemachtigde: mr. B. van der Woude).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Utrecht.

Procesverloop

1. Aan de Haarrijnse Plas wordt de komende jaren woningbouw gerealiseerd. Op
23 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht omgevingsvergunningen verleend voor het kappen en herplanten van 156 en 87 bomen aan de Haarrijnse Plas.
2. Op 2 oktober 2025 heeft verzoekster bij het college een verzoek tot handhaving ingediend. Verzoekster heeft het college verzocht om:
1. vast te stellen dat de kapwerkzaamheden in de oeverzone van de Haarrijnse Plas
in strijd zijn met de soortenbeschermingsregels van de Omgevingswet;
2. handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom of bestuursdwang
en de werkzaamheden onmiddellijk te laten staken;
3. te bevestigen dat de ontheffing Tijdelijke Natuur Haarrijn geen dekking biedt voor de
plas en de oeverzone;
4. geen instemming te verlenen met een eventuele verlenging van de ontheffing Tijdelijke
Natuur zolang de door Bureau Viridis geadviseerde mitigerende maatregelen niet zijn
verankerd.
3. Medio oktober 2025 zijn de 243 bomen gekapt.
4. Met het bestreden besluit van 22 december 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigde van het college. Derde-partij heeft schriftelijk laten weten niet deel te nemen aan de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen, omdat naar zijn mening geen sprake is van een overtreding. Hij heeft zich hiervoor gebaseerd op het controlerapport van 24 november 2025 van de toezichthouder, waaruit blijkt dat langs en nabij de oever geen sprake is van een essentieel foerageergebied. Dat betekent dat het (foerageer)gebied geen bescherming geniet als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Verder heeft het college erop gewezen dat voor de kapwerkzaamheden een omgevingsvergunning is verleend. Volgens het college heeft vergunninghouder niet gehandeld in strijd met de specifieke zorgplicht.
7. Over het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het handhavingsverzoek van 2 oktober 2025 alleen betrekking had op de kap van 243 bomen langs en nabij de noordoostelijke oever. Omdat deze bomen inmiddels zijn gekapt, is er geen spoedeisend belang meer bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het college heeft het verzoek om een voorlopige voorziening wel opgepakt als een nieuw verzoek om handhavend optreden en zal hierover uiterlijk op 27 maart 2026 een besluit nemen.
8. Verzoekster is van mening dat het standpunt van het college dat het handhavingsverzoek uitsluitend de (reeds uitgevoerde) bomenkap zou betreffen, berust op een te beperkte lezing van het oorspronkelijke verzoek om handhaving en de aard van de lopende bezwaarprocedure miskent. Het handhavingsverzoek richt zich materieel tegen de vernietiging van essentieel foerageergebied door het project “Tijdelijke Natuur Haarrijn” en in het verzoek is expliciet benoemd dat het bouwplan voorziet in de bouw van meer dan
20 watervilla’s buiten het plangebied en dat mitigerende maatregelen niet geborgd zijn. Het verzoek strekte ertoe “vast te stellen dat de kapwerkzaamheden [...] in strijd zijn met de
soortenbeschermingsregels” en “handhavendop te treden [...] en de werkzaamheden onmiddellijk te laten staken”. Onder “werkzaamheden” in de oeverzone vallen volgens verzoekster logischerwijs ook de grondwerkzaamheden, de aanleg van landtongen en de bouw van de woningen zelf, die onlosmakelijk verbonden zijn met de kap. Verder wijst verzoekster er op dat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging en het haar vrijstaat om in bezwaar de gronden aan te vullen en te preciseren dat de handhaving zich (nu de bomen weg zijn) primair moet richten op het voorkomen van verdere aantasting door de bouwwerkzaamheden.
9. In het verweerschrift van 26 februari 2026 heeft het college onderbouwd betwist dat het oorspronkelijke handhavingsverzoek ook betrekking had op de voorgenomen bouw van de steigerwoningen en de daarmee verband houdende werkzaamheden.
10. De voorzieningenrechter heeft tijdens de zitting met partijen besproken dat een voorlopige voorziening een spoedmaatregel is om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. [1] Verder heeft de voorzieningenrechter toegelicht dat volgens vaste rechtspraak de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. [2] De inhoud van het oorspronkelijke verzoek is dus bepalend voor de omvang van het geding. Dat betekent voor deze zaak dat als het handhavingsverzoek alleen zag op het voorkomen van de kap van de bomen, er voor de voorzieningenrechter geen aanleiding meer is een spoedmaatregel te treffen aangezien de bomen al gekapt zijn.
11. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft besloten het oorspronkelijke handhavingsverzoek op te vatten als enkel gericht op het voorkomen van de kapwerkzaamheden. In het verzoek staat “betreft”: verzoek tot handhaving inzake voorgenomen kapwerkzaamheden oeverzone Haarrijnse Plas, Utrecht. Weliswaar staat onder het kopje Inleiding dat de “voorgenomen werkzaamheden in de oeverzone van de Haarrijnse Plas negatieve gevolgen hebben voor beschermde diersoorten” maar de kap van de bomen was op dat moment de enige concrete voorgenomen werkzaamheid. Dat heeft verzoekster op de zitting bevestigd. De vermelding verderop dat het bouwplan daarnaast voorziet in de bouw van meer dan 20 watervilla’s buiten het plangebied waar de ontheffing van toepassing is, en dus in dit foerageergebied, is onderdeel van de presentatie van de feiten zonder dat hieraan een verzoek wordt verbonden. Onder het kopje Beoordeling beperkt verzoekster zich wederom tot de voorgenomen kap van bomen in de oeverzone en ook onder het kopje Verzoek tot handhaving verzoekt verzoekster het college vast te stellen dat de kapwerkzaamheden in de oeverzone van de Haarrijnse Plas in strijd zijn met de soortenbeschermingsregels. Verzoekster heeft er in dit verband nog op gewezen dat zij onder punt 2 van dit kopje ook heeft verzocht om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom of bestuursdwang en de werkzaamheden onmiddellijk te laten staken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het college er van uit heeft mogen gaan dat dit ging over de onder punt 1 opgenomen kapwerkzaamheden waarvan volgens verzoekster zou moeten worden vastgesteld dat die een overtreding opleverden van de soortenbeschermingsregels.
12. Aan het voorgaande voegt de voorzieningenrechter toe dat het college er terecht op heeft gewezen dat in de ontvangstbevestiging van 7 oktober 2025 wordt vermeld dat het verzoek wordt gezien als een verzoek om handhavend op te treden tegen voorgenomen kapwerkzaamheden van bomen langs de noordoostelijke oeverzone van de Haarrijnse Plas te Utrecht. Als verzoekster van mening was dat dit een te beperkte lezing van het handhavingsverzoek was had zij toen aan de bel kunnen trekken, zodat het college zijn besluitvorming hierop had kunnen aanpassen.
13. De voorzieningenrechter concludeert dat nu de bomen al zijn gekapt er geen sprake meer is van een situatie waarin een spoedmaatregel moet worden getroffen. Zoals hiervoor al opgemerkt, zal het college nog een besluit nemen op het nieuwe verzoek om handhaving. Tijdens de zitting hebben het college en verzoekster hun bereidheid uitgesproken om hierover ook met elkaar in overleg te gaan.

Conclusie en gevolgen

14. De conclusie is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
verhinderd te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712, rechtsoverweging 5.1.