Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1468

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
16/207339-25; 16/365100-24; 16/118917-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verdachte voor meervoudige diefstallen en heling met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere diefstallen en heling gepleegd tussen januari en juli 2025 in Utrecht en omliggende plaatsen.

De verdachte werd onder meer verdacht van diefstal van auto's, identiteits- en bankpassen, geldbedragen en andere goederen. De rechtbank sprak de verdachte vrij van enkele primaire tenlasteleggingen, maar verklaarde hem schuldig aan subsidiaire feiten en andere diefstallen en helingen. De verdachte bekende de meeste feiten tijdens de zitting.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 300 dagen op, waarvan 147 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur. Bijzondere voorwaarden werden opgelegd, waaronder meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, dagbesteding en middelencontrole, mede op advies van de reclassering. De proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf werd met één jaar verlengd.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan enkele benadeelden, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. Andere vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing of procedurele redenen. De rechtbank hechtte waarde aan de positieve persoonlijke ontwikkeling van de verdachte en koos voor een straf die recht doet aan de ernst van de feiten en de maatschappelijke belangen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf waarvan 147 dagen voorwaardelijk, 120 uur taakstraf en schadevergoedingen met bijzondere voorwaarden en verlenging proeftijd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/207339-25, 16/365100-24 (vord. tul), 16/118917-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] (Turkije),
adres: [adres 1] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
13 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.L. Kruit;
  • de advocaat van de verdachte: mr. A.W. Syrier.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, ervan dat hij, samengevat:
In de zaak met parketnummer 16/207339-25
feit 1, primair
in de periode van 4 juli 2025 tot en met 7 juli 2025 in Utrecht een auto (Opel Corsa, met kenteken [kenteken] ) van [benadeelde 1] / [bedrijf] B.V. heeft gestolen;
feit 1, subsidiair
zich op 7 juli 2025 in Woerden schuldig heeft gemaakt aan heling van een auto (Opel Corsa, met kenteken [kenteken] );
feit 2
in de periode van 4 juli 2025 tot en met 7 juli 2025 in Utrecht, Amersfoort en Woerden elektriciteit en/of een geldbedrag van € 39,72 van [benadeelde 1] en/of [bedrijf] heeft gestolen door middel van een valse sleutel;
feit 3, primair
in de periode van 20 juni 2025 tot en met 29 juni 2025 in Utrecht identiteitskaarten, rijbewijzen, bankpassen, tank/laadpassen, een ANWB-pas en/of een OV-chipkaart van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] heeft gestolen;
feit 3, subsidiair
zich op 29 juni 2025 in Utrecht schuldig heeft gemaakt aan heling van identiteitskaarten, bankpassen, rijbewijzen, tank/laadpassen, een ANWB-pas en/of een OV-chipkaart van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] ;
feit 4
in de periode van 26 juni 2025 tot en met 28 juni 2025 in Utrecht een auto (Peugeot i280, met kenteken [kenteken] ) heeft gestolen van [benadeelde 2] / [bedrijf] B.V./ [bedrijf] ;
feit 5
in de periode van 26 juni 2025 tot en met 27 juni 2025 in Utrecht € 137,05 heeft gestolen van [benadeelde 6] en € 80,- heeft gestolen van [benadeelde 3] , door middel van valse sleutels;
feit 6
op 26 juni 2025 in Utrecht een portemonnee (met inhoud), huissleutels, een sporttas en een spijkerjack van [benadeelde 3] heeft gestolen;
feit 7
op 21 mei 2025 in Utrecht 2 zonnebrillen, een multitool, een boortol, een schroevendraaier en een Parker pen van [benadeelde 9] heeft gestolen.
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
op 12 januari 2025 in Utrecht een fatbike van [benadeelde 10] heeft gestolen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

In de zaak met parketnummer 16/207339-25
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 primair en subsidiair en feiten 4 tot en met 7 heeft gepleegd. De officier van justitie stelt daarbij dat de verdachte ten aanzien van feit 2 alleen schuldig is aan de diefstal van geld van [benadeelde 1] door middel van een valse sleutel. Ten aanzien van feit 3 is de verdachte schuldig aan de diefstal van de bankpassen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] en schuldig aan de heling van de passen van [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] en [benadeelde 8] . Ten aanzien van het slachtoffer [benadeelde 3] is er sprake van samenloop van de feiten 3 en 6.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde onder feit 1. De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde onder feit 1. Ten aanzien van feit 2 stelt de advocaat dat de verdachte alleen schuldig is aan de diefstal van geld van [benadeelde 1] door middel van een valse sleutel op 7 juli 2025. Ten aanzien van feit 3 verzoekt de advocaat de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 voert de advocaat aan dat indien de fiets van de verdachte is aangetroffen op de plek waar het voertuig gestolen is, hij geen verweer voert over het bewijs ten aanzien van dit feit. Indien dit niet het geval is, is er echter geen bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal en dient de verdachte hiervoor te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 6 verzoekt de advocaat om de verdachte partieel vrij te spreken van de diefstal van de inhoud van de portemonnee, dan wel te bepalen dat er sprake is van samenloop met feit 3. Ten aanzien van feiten 5 en 7 refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde onder feit 1 heeft begaan en zal de verdachte hiervan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. De rechtbank spreekt de verdachte ook vrij van het primair ten laste gelegde onder feit 3, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte de passen die bij hem zijn aangetroffen heeft gestolen.
3.3.1.
Bewijsmiddelen feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 tot en met 3 en de feiten 5 tot en met 7 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
feit 1, subsidiair
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] ;
feit 2
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] ;
feit 3, subsidiair
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] ;
- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] ; [5]
- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] ; [6]
- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] ; [7]
- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] ; [8]
- een proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2025; [9]
feit 5
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] ;
- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] ; [11]
feit 6
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] ;
feit 7
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] .
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 4
Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn weergegeven, oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal.
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 28 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 26 juni 2025 omstreeks 19:00 uur heb ik de auto nog geparkeerd zien staan voor mijn woning aan de [adres 2] te [plaats] . Op 28 juni 2025 omstreeks 12:00 uur, zag ik dat de auto niet meer op de hierboven genoemde locatie stond. Achteraf bezien had mijn vriendin in de loop van de dag op 27 juni 2025 de auto ook al niet gezien. [14]
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant] , van 1 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 29 juni 2025 kreeg ik, verbalisant [verbalisant] , een mail van de aangever onder proces 2025215349 (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 2] ) met foto’s van een Kalkhoff-fiets die vermoedelijk is achtergelaten op het moment dat zijn auto werd gestolen.
Foto 1. Op 1 juli 2025 kreeg ik toegang tot de camerabeelden van een andere diefstal onder procesnummer 2025213397 (de rechtbank begrijpt: de diefstal op 26 juni 2025, zoals tenlastegelegd onder feit 6). Ik herkende de fiets waarop die verdachte reed als zijnde de fiets die bij de autodiefstal is aangetroffen.
Foto 2. Omschrijving: Ik zie dat deze fiets een zilverkleurige kettingkast heeft waarvan alleen de bovenkant van de ketting bedekt is. Ik zie dat er een zwarte rand om de kettingkast zit. Ik herken deze kettingkast als zijnde van de aangetroffen fiets. Ik zie dat er iets zwarts op de onderbuis ter hoogte van de trapas zit. Ik herken de vorm van dit object als zijnde het fietsslot van de aangetroffen fiets. Ik herken de vorm van het frame als zijnde van de
aangetroffen fiets. [15]
Foto 3. Omschrijving: Ik zie dat de fiets blauwe snelbinders heeft. Ik herken deze snelbinders als zijnde van de aangetroffen fiets aan de kleur en aan hoe strak de snelbinders gespannen zijn. Ik zie dat de stuurbuis verhoogd is. Ik zie dat de fiets grijskleurig is. Ik zie dat het zadel bruin van kleur is en opvallend grote vering heeft. Ik zie dat de spaken zilverkleurig zijn. Ik zie dat de fiets een voorvork met vering en vermoedelijk hydraulische velgremmen heeft. Ik herken deze remmen als remmen van het merk Magura. Ik zie dat er witte letters op het frame te zien zijn. Ik herken de kleur, het zadel, de voorvork, remmen en witte letters als zijnde de aangetroffen fiets. [16]
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant] , van 8 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 juli 2025 stelde ik een onderzoek in, waarbij ik de volgende fotografische opnamen heb gemaakt:
Foto 1. Omschrijving: Op camerabeelden, gericht op de inrit van het tankstation aan de rijksweg A12, de Esso te Bunnik, is te zien dat de op 26 juni 2025 gestolen Peugeot i208 met kenteken [kenteken] aan komt rijden. [17]
Foto 4. Omschrijving: Ik zie dat de verdachte uit de auto stapt. Ik zie dat de verdachte lang krullend haar heeft, een baard, een wit t-shirt draagt en loopt op loafers. [18]
Foto 6. Omschrijving: Op de camera's gericht op de ingang van het tankstation zie ik een man die ik ambtshalve herken als [verdachte] . Ik vermoed dat dit de bestuurder van de op
26 juni 2025 gestolen Peugeot i208 met kenteken [kenteken] is, want ik herken de kleding en haardracht van de in foto 4 omschreven beelden. [19]
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
3.3.3.
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [20]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting;
  • een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 10] .
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 16/207339-25
feit 1, subsidiair
op 7 juli 2025 te Woerden
een personenauto van het merk Opel, type Corsa, voorzien van kenteken [kenteken] ,
voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van
dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door
misdrijf verkregen goed betrof;
feit 2
op 7 juli 2025 te Woerden,
een geldbedrag van in totaal 24,51 euro, dat geheel aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een laadpas van voornoemde [benadeelde 1] voor een laadpaalkaartlezer te houden, tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet was gerechtigd;
feit 3, subsidiair
op 29 juni 2025 te Utrecht een of meer identiteitskaarten en rijbewijzen en bankpassen en tank/laadpassen en een ANWB pas en een OV-chipkaart op naam van andere personen, te weten ten name van [benadeelde 2] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 11] [benadeelde 8] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
feit 4
in de periode van 26 juni 2025 tot en met 28 juni 2025 te Utrecht een personenauto van het merk Peugeot, type i280, voorzien van het kenteken [kenteken] , die geheel aan [bedrijf] B.V. toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5
in de periode van 26 juni 2025 tot en met 27 juni 2025 te Utrecht
- op 27 juni 2025 een geldbedrag, van in totaal 134,15 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde 6] ,
- op 26 juni 2025 een geldbedrag, van in totaal 80 euro, dat geheel aan [benadeelde 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpas van voornoemde [benadeelde 6] en [benadeelde 3] meermaals betalingen te verrichten, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;
feit 6
op 26 juni 2025 te Utrecht een portemonnee (met daarin diverse bankpassen en 150 euro contant geld) en huissleutels en een sporttas en een spijkerjack, die geheel aan [benadeelde 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 7
op 21 mei 2025 te Utrecht 2 zonnebrillen en een multitool en een boortol en een schroevendraaier en een parker pen, die geheel aan [benadeelde 9] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
op 12 januari 2025 te Utrecht een fatbike, die geheel aan [benadeelde 10] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
In de zaak met parketnummer 16/207339-25
feit 1, subsidiair
schuldheling;
feit 2
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
feit 3, subsidiair
opzetheling, meermalen gepleegd;
feit 4
diefstal;
feit 5
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;
feit 6
diefstal;
feit 7
diefstal;
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
diefstal.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 147 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een klinische opname, meewerken aan begeleid wonen of een maatschappelijke opvang, meewerken aan dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. Daarnaast eist de officier van justitie dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte vraagt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de positieve ontwikkeling die de verdachte de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Daarnaast verzoekt de advocaat de rechtbank om kritisch te kijken naar de hoogte van de door de officier van justitie geëiste taakstraf. Het is de vraag of het reëel is om aan de verdachte een forse taakstraf op te leggen, hoewel een dagbesteding voor de verdachte wel goed kan zijn.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende diefstallen en aan heling. De verdachte heeft met de diefstallen ervan blijk gegeven zich niet te bekommeren om de eigendomsrechten van anderen en heeft overlast en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Door de andere (gestolen) spullen bij zich aanwezig te hebben, terwijl hij wist of had kunnen vermoeden dat zij van misdrijf afkomstig waren, heeft de verdachte geprofiteerd van de diefstallen. Ook voor deze feiten geldt dat de verdachte de eigendomsrechten van anderen niet heeft gerespecteerd en alleen heeft gedacht aan zijn eigen belang. Een aantal van de slachtoffers heeft nieuwe passen moeten aanvragen en één van de slachtoffers heeft zijn auto moeten laten reinigen omdat de verdachte zijn auto ernstig vervuild had. Dit zijn vervelende feiten voor de slachtoffers, die hun spullen kwijt zijn en achterblijven met schade. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 15 oktober 2025. Daarin staat dat het recidiverisico hoog is en dat de verslavingsproblematiek en de dakloosheid van de verdachte hierop van invloed is. Ook is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Andere risico verhogende factoren zijn het sociale netwerk, de beïnvloedbaarheid van de verdachte en de pro criminele houding. Inmiddels lijken er ook wat beschermende factoren te bestaan. De verdachte is in beeld bij stadsteam Back up en is in detentie abstinent van middelen. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert een meldplicht, de verplichting om mee te werken aan dagbesteding en begeleid wonen/maatschappelijke opvang, de verplichting om mee te werken aan middelencontrole en de verplichting om mee te werken aan een ambulante behandeling met de mogelijkheid van een klinische opname.
Verder houdt de rechtbank rekening met de op de zitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij van zijn (hard)drugsverslaving af is gekomen en dat hij begeleid is gaan wonen. Ook is hij bezig met het opzetten van dagbesteding en is hij op zoek naar werk. De rechtbank zal dit alles in strafmatigende zin meewegen.
De op te leggen straf
Alles afwegende, en met name gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, vindt de rechtbank het niet zinvol om de verdachte terug naar de gevangenis te sturen. Het gaat beter met de verdachte sinds hij van zijn (hard)drugsverslaving af is gekomen en begeleid woont. Daarnaast loopt hij bij een nieuwe gevangenisstraf het risico om zijn woonplek te verliezen en terug te vallen in oude gewoontes. De rechtbank ziet dat de verdachte in zeer moeilijke omstandigheden zijn leven een positieve wending heeft gegeven en wil de verdachte daarom de kans geven een nieuwe start te maken.
Om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan het plegen van nieuwe strafbare feiten, legt de rechtbank bovenop het al uitgezeten voorarrest een voorwaardelijke gevangenisstraf van 147 dagen op. Ook vindt de rechtbank het nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen, zodat een terugval mogelijk kan worden voorkomen en zo nodig kan worden ingegrepen door de reclassering. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vindt de rechtbank dat de verdachte een taakstraf moet verrichten.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 300 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 147 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren op.
De rechtbank wijkt ten aanzien van de taakstraf af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank rekening houdt met de positieve ontwikkeling die de verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt en met zijn belastbaarheid. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Vorderingen benadeelde partijen

In de zaak met parketnummer 16/207339-25

6.1.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde 6] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 68,05 voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 205,00 aan materiële schade minus € 137,05 aan reeds vergoede schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gaat om de volgende materiële schadeposten:
  • aanvraag nieuw rijbewijs € 52,10;
  • aanvraag nieuwe OV-chipkaart € 11,00;
  • aanvraag nieuwe bankpas.
[bedrijf] B.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.937,56 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gaat om de volgende materiële schadeposten:
  • schade € 3.377,26;
  • bedrijfsschade € 432,30;
  • expertisekosten BSM € 128,00.
[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 607,05 voor feit 1 en feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gaat om de volgende materiële schadeposten:
  • reiniging auto € 202,00;
  • interieurfilters € 20,78;
  • eigen risico schade bij diefstal € 300,00;
  • kilometervergoeding private lease € 44,55;
  • laadkosten € 39,72.
[benadeelde 9] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 985,00 voor feit 7, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gaat om de volgende materiële schadeposten:
  • zonnebril Rayban € 350,00;
  • multitang € 60,00;
  • Keyang schroefslagmachine incl batterij + oplader € 375,00;
  • Zonnebril Specsevers € 200,00.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [benadeelde 6] en [benadeelde 1] volledig kunnen worden toegewezen, omdat deze vorderingen voldoende onderbouwd zijn. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de toewijsbare schadebedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en bij deze benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De vordering van [benadeelde 9] is onvoldoende onderbouwd en moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook de vordering van [bedrijf] B.V. moet, volgens de officier van justitie, niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is gebleken dat de vordering door een daartoe bevoegd persoon is ingediend.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat sluit zich met betrekking tot alle vorderingen aan bij het standpunt van de officier van justitie.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [benadeelde 6]
De vordering tot vergoeding van € 68,05 aan materiële schade is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder feit 3 bewezenverklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van € 68,05 aan materiële schade daarom geheel toe.
Proceskostenveroordeling
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Benadeelde partij [bedrijf]
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering, nu de vordering niet op de door de wet voorgeschreven wijze is ingediend. Het is immers niet gebleken dat de vordering door een daartoe bevoegd persoon is ingediend. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit te corrigeren, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskostenveroordeling
Nu [bedrijf] B.V. niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de reiniging van de auto (€ 202,00), de interieurfilters (€ 20,78), de kilometervergoeding (€ 44,55) en de laadkosten op 7 juli 2025
(€ 24,51) is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder feiten 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (in totaal € 291,84) daarom toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige laadkosten en het eigen risico bij diefstal (€ 300,00) niet-ontvankelijk, omdat de verdachte niet is veroordeeld voor de diefstal van deze overige laadkosten en de diefstal van de auto van de benadeelde partij.
Proceskostenveroordeling
In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Benadeelde partij [benadeelde 9]
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskostenveroordeling
Nu [benadeelde 9] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen [benadeelde 6] en [benadeelde 1] moet vergoeden worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 1] de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
6.5.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde 10] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.6.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [benadeelde 10] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.
6.7.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is.
6.8.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de gevorderde materiële schade, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid bieden om die nadere onderbouwing te geven, leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskostenveroordeling
Nu [benadeelde 10] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zal de benadeelde partij in de kosten van de verdachte worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op het verweer tegen de vordering. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/365100-24 op 10 januari 2025 een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de proeftijd wordt verlengd voor de duur van één jaar, omdat het niet wenselijk is dat de verdachte op dit moment opnieuw een gevangenisstraf ondergaat.
7.2.
Vordering van de officier van justitie
De advocaat verzoekt de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit binnen de opgelegde proeftijd. In beginsel is dit aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De rechtbank laat echter het belang van behandeling en begeleiding van de verdachte op dit moment zwaarder wegen, zowel in het belang van de verdachte zelf maar in het bijzonder ook in het belang van de maatschappij. Om die reden zal de rechtbank de proeftijd van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf verlengen met één jaar.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- Artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63, 310, 311, 416, 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 7 onder parketnummer 16/207339-25 en het feit onder parketnummer 16/118917-25 heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 tot en met 7 onder parketnummer 16/207339-25 en het onder parketnummer 16/118917-25 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot
een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van 300 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf
in minderingzal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 147 dagen,
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd (hetgeen betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis als hij zich aan de hierna te noemen voorwaarden houdt);
- stelt daarbij
een proeftijd van 2 jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als
bijzondere voorwaardengelden dat de verdachte:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen twee dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils reclassering op het adres Zeehaenkade 30, 3526 LC in Utrecht;
zich laat behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling
geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
in andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 6] (parketnummer 16/207339-25, feit 3)
- wijst de vordering van [benadeelde 6] geheel toe tot een bedrag van € 68,05;
- veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde 6] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de proceskosten die de [benadeelde 6] heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, deze kosten zijn tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 6] € 68,05 aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan [benadeelde 6] dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [bedrijf] B.V. (parketnummer 16/207339-25, feit 1)
- verklaart [bedrijf] B.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (parketnummer 16/207339-25, feit 1 en feit 2)
- wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 291,84;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 291,84 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij betaling aan te vullen met 2 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 9] (parketnummer 16/207339-25, feit 7)
- verklaart [benadeelde 9] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 10] (parketnummer 16/118917-25)
- verklaart [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 16/365100-24)
- verlengt de proeftijd met één jaar in de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 10 januari 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.F. Geerdink, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Belhadi als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 16/207339-25
1
hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2025 tot en met 7 juli 2025 te Utrecht, althans in Nederland een (personen)auto van het merk Opel, type Corsa, voorzien van kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of
[bedrijf] B.V., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Woerden, althans in Nederland
een (personen)auto van het merk Opel, type Corsa, voorzien van kenteken [kenteken] ,
althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft
overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van
dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door
misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2025 tot en met 7 juli 2025 te Utrecht,
Amersfoort en/of Woerden,
elektriciteit en/of een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 39,72 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of
[bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen
elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking,
inklimming en/of een valse sleutel, door met een of meerdere laadpas(sen) van voornoemde [benadeelde 1] en/of [bedrijf] meermaals, althans eenmaal voor een laadpaalkaartlezer(s) te houden, tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet was gerechtigd;
3
hij in of omstreeks de periode van 20 juni 2025 tot en met 29 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland een of meer identiteitskaarten en/of rijbewijzen en/of bankpassen en/of tank/laadpassen en/of een ANWB pas en/of een OV-chipkaart op naam van andere personen, te weten ten name van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 12] en [benadeelde 8] ,, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 12] en/of [benadeelde 8] ., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien en voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal een of meer identiteitskaarten en/of rijbewijzen en/of bankpassen en/of tank/laadpassen en/of een ANWB pas en/of een OV-chipkaart op naam van andere personen, te weten ten name van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 12] en [benadeelde 8] , althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
4
hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2025 tot en met 28 juni 2025 te Utrecht,
althans in Nederland, een personenauto van het merk Peugeot, type i280, voorzien van het kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of
[bedrijf] B.V. en/of Mobilee Management en advies, in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5
hij in of omstreeks de periode van 26 juni 2025 tot en met 27 juni 2025 te Utrecht,
althans in Nederland,
- op 27 juni 2025 een of meer geldbedragen, van in totaal ongeveer 137,05 euro, in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] ,
- op 26 juni 2025 een of meer geldbedragen, van in totaal ongeveer 80 euro, in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door met de bankpas van voornoemde [benadeelde 6] en/of [benadeelde 3] meermaals, althans eenmaal, geldopnames en/of betalingen te verrichten met de bankpas van voornoemde
[benadeelde 6] en/of [benadeelde 3] , tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;
6
hij op of omstreeks 26 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland,
een portemonnee (met daarin diverse bankpassen en 150 euro contant geld) en/of
huissleutels en/of sporttas en/of een spijkerjack, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
7
hij op of omstreeks 21 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland,
2 zonnebrillen en/of een multitool en/of een boortol en schroevendraaier en/of een
parker pen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 9] , in
elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
In de zaak met parketnummer 16/118917-25
hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Utrecht een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voetnoten

2.Pagina’s 8 t/m 10 (dossier II).
3.Pagina’s 8 t/m 10 (dossier II).
4.Pagina’s 42 t/m 46 (dossier I).
5.Pagina’s 210 en 211 (dossier I).
6.Pagina’s 116 en 117 (dossier I).
7.Pagina’s 151 t/m 153 (dossier I).
8.Pagina’s 213 t/m 214 (dossier I).
9.Pagina 216 (dossier I).
10.Pagina’s 65 t/m 67 (dossier I).
11.Pagina’s 151 t/m 153 (dossier I).
12.Pagina’s 65 t/m 67 (dossier I).
13.Pagina’s 218 t/m 221 (dossier I).
14.Pagina 42 (dossier I).
15.Pagina 80 (dossier I).
16.Pagina 81 (dossier I).
17.Pagina 190 (dossier I).
18.Pagina 193 (dossier I).
19.Pagina 195 (dossier I).
21.Pagina’s 5 t/m 7.