Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1470

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
16/171244-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen met gemeen gevaar voor goederen

Op 2 juni 2025 heeft verdachte samen met een medeverdachte twee ontploffingen veroorzaakt in Amersfoort door het aansteken van cobra-vuurwerk op een geparkeerde auto en in de richting van een woning. Verdachte werd ervan beschuldigd medepleger te zijn, maar de rechtbank oordeelde dat hij slechts medeplichtig was door de medeverdachte te vervoeren, te wachten en weg te brengen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen, verhoren van verdachte en medeverdachte, en camerabeelden. Verdachte had voorafgaand aan de ontploffingen contact gezocht met het slachtoffer, vermoedelijk om haar locatie te achterhalen.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de ontploffingen, waarbij gemeen gevaar voor goederen bestond. De ontploffingen veroorzaakten aanzienlijke schade aan de auto en leidden tot gevoelens van angst bij het slachtoffer.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn spierziekte en psychische problematiek, en het advies van de reclassering. De rechtbank legde een taakstraf van 100 uur op, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, en bijzondere voorwaarden waaronder behandeling en een contact- en locatieverbod.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel. De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen met een taakstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/171244-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ,
adres: [adres 1] , [postcode 1] in [plaats 1] ,
nu gedetineerd in P.I. [locatie] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
3 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A.L. Rinsma;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M.M. Helmers (hierna: de advocaat);
  • [A] , jeugdreclasseerder bij Samen Veilig Midden-Nederland;
  • [B] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair
op 2 juni 2025 in Amersfoort samen met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door vuurwerk op een auto te leggen en aan te steken en door aangestoken vuurwerk in de richting van het balkon van een woning aan de [adres 2] te gooien, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair
aan deze ontploffing medeplichtig was door te bellen naar [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , met [medeverdachte] naar de woning aan de [adres 2] te rijden, daar te blijven wachten tijdens het plegen van de ontploffing en [medeverdachte] na het afsteken van het explosief materiaal op te halen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit op de tenlastelegging heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het subsidiair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 2 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Pleegdatum/tijd: tussen 2 juni 2025 om 00:30 uur en 2 juni 2025 om 00:45 uur.
Plaats delict:
Ik doe aangifte van vernieling van mijn leenauto. Ik heb deze Skoda geparkeerd in [plaats 1] op de [adres 2] . Ik was bij een vriendin aan de [adres 2] in [plaats 1] . Ik ben om 23.30 uur door een onbekend nummer gebeld. Uiteindelijk heeft mijn vriendin dit nummer teruggebeld. Eerst hoorde ik een harde klap op de parkeerplaats achter de woning van mijn vriendin. Ik zag een witte auto door de straat rijden. Ik zag dat hij stopte voor de woning, waar ik zat. Ik zag dat mijn ex [medeverdachte] uitstapte en richting het raam liep. Ik zag dat hij iets van vuurwerk in zijn hand had. Ik zag dit namelijk branden. Ik zag dat hij het vuurwerk op het balkon van de buren gooide. Ik hoorde daarna een harde knal. [2] Toen hij was weggereden, ben ik bij mijn leenauto gaan kijken. Ik zag dat de motorkap verbogen was. Ik zag dat de voorruit kapot was. Ik zag dat zijpanelen van mijn neus van mijn auto door de druk verbogen zijn.
Het kenteken van mijn leenauto is [kenteken 1] . [3]
De verklaring van de verdachte op de zitting van 3 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 1 juni 2025 omstreeks 23:30 uur gebeld naar [benadeelde 1] . Later werd ik teruggebeld door de vriendin van [benadeelde 1] . Ik was de gebruiker van een witte Ford met kenteken [kenteken 2] .
Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] bij de rechter-commissaris van 4 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U wordt verdacht van opzettelijke brandstichting.
U heeft vuurwerk aangestoken en op de auto gelegd en op de woning gegooid?
Niet op de woning, maar ernaast. [4]
Had u zelf in de gaten waar het terecht kwam?
Ik zag twee mensen op het balkon en toen gooide ik de andere kant op.
Wie waren die twee mensen? Was dat [benadeelde 1] [de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1] ]?
Ja.
Wat voor vuurwerk gooide u precies?
Een cobra.
Naar de auto en in de richting van de woning gooide u een cobra?
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandag 2 juni 2025 omstreeks 00.30 uur zat ik in mijn woning aan de [straat 1] . Ik hoorde een harde knal en ik zag rook in de hoek van de parkeerplaats aan de zijde van de speeltuin. Ik zag een witte Ford wegrijden zonder verlichting. [6]
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant] , van 4 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Zoals benoemd in een eerder proces verbaal van bevindingen, is de daadwerkelijke tijd in de filmfragmenten een uur later. In de omschrijving zal ik de tijdstippen gebruiken, die overeenkomen met de daadwerkelijke tijd op dat moment.
Ik, verbalisant, zag dat deze beelden opgenomen waren op de [straat 2] , ter hoogte van nummer [nummer] . Ik weet ambtshalve dat op [adres 3] het bedrijf [bedrijf] gevestigd zit. Het is mij ambtshalve bekend dat [medeverdachte] de eigenaar is van dit bedrijf.
Fragment: zondag 18.10u [verdachte] .MOV
Ik zag dat er een witte Ford Fiesta, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , aan kwam
rijden op de [straat 2] . Ik zag dat dit omstreeks 19.10 uur was, op 1 juni 2025. Ik
zag dat deze Fiesta stopte ter hoogte van nummer [nummer] . Ik zag dat een persoon
uitstapte, deze persoon herken ik als [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] namelijk
precies dezelfde kleding droeg, als de kleding die hij droeg toen hij werd
aangehouden. Ik zag dat [verdachte] het volgende signalement had:
- man;
- blauwe pet;
- grijs vest met capuchon, met daaronder een zwart shirt;
- zwarte trainingsbroek met een witte streep over de lengte;
- zwarte sportschoenen.
Ik zag dat [verdachte] kort het bedrijf van [medeverdachte] binnen ging, en hierna
weer het pand verlaat.
Fragment: [bestandsnaam 1]
Ik zag dat dit de beelden waren van de brandstichting op de [adres 2] . Hierbij
zag ik een witte hatchback. [7] Op dit fragment was te zien dat de witte hatchback wacht tot het vuurwerk was gegooid. Daarna was te zien dat de persoon in de hatchback stapt als passagier en dat de hatchback daarna zonder brandende verlichting wegrijdt.
Fragment: [bestandsnaam 2]
Ik zag dat deze opnamen waren gemaakt op 2 juni 2025, om 00.39 uur. Ik wist dat er om
0.34
die zelfde datum een melding bij de politie was binnengekomen van de hierboven
beschreven brandstichting. Ik zag dat er om 00.39 een witte Audi parkeerde op de
[straat 2] ter hoogte van nummer [nummer] . Ik weet ambtshalve dat [medeverdachte] een witte
Audi Q5 op naam heeft. Ik zag dat de Audi parkeerde en dat er twee personen inzaten.
Ik zag dat vanaf de bestuurderskant een persoon uitstapte en zich leek te verbergen
voor de camera' s. Ik zag dat deze persoon volledig voldeed aan het signalement van
[verdachte] . Even later zag ik een witte hatchback het terrein oprijden. Ik
zag dat de witte hatchback de passagier ophaalde, welke nog in de Audi zat. Deze
witte hatchback kwam overeen qua model, type en kleur, als de witte Ford Fiesta met
het kenteken [kenteken 3] . Ook zag ik dat dit voertuig nog steeds zonder verlichting
reed, net zoals het voertuig welke gezien was op de [adres 2] . De persoon
welke in de hatchback stapte, komt qua signalement volledig overeen met [medeverdachte] . [8]
Een proces-verbaal van bevindingen, van 2 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 2 juni 2025 surveilleerden wij, verbalisanten, in de gemeente Amersfoort . Wij, verbalisanten, reden richting de [adres 1] in [plaats 1] , het adres waar betrokkene [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) volgens het basisregister personen stond ingeschreven. Wij reden omstreeks 02:20 uur de Overtoom in vanaf de Queekhoven. Wij zagen, terwijl wij de straat in reden, een persoon lopend vanaf de Queekhoven de Overtoom op lopen. Wij reden in de richting van de [adres 1] en wij zagen dat ook deze persoon in deze richting liep. Wij zagen dat de Ford, voorzien van kenteken [kenteken 2] geparkeerd stond voor [adres 4] . De betrokkene bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [plaats 1] . [9] Voor het overbrengen van de verdachte voerden wij een vervoersfouillering uit, hierbij troffen wij een autosleutel aan. Wij hoorden de verdachte verklaren dat dit de autosleutel was van de Ford met kenteken [kenteken 2] . [10]
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken was bij de ontploffingen van twee cobra’s op 2 juni 2025 in Amersfoort , die [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) teweeg heeft gebracht. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de betrokkenheid van de verdachte meebrengt dat hij als medepleger van die ontploffingen moet worden aangemerkt (zoals primair ten laste is gelegd) of dat hij daaraan medeplichtig is (zoals subsidiair ten laste is gelegd).
De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde.
De rol van verdachte
De verklaring van verdachte dat hij ten tijde van de ontploffing niet in de witte Ford met kenteken [kenteken 2] heeft gereden, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft voorafgaande aan de ontploffingen gebeld met [benadeelde 1] . Nadat de vriendin van
[benadeelde 1] verdachte had teruggebeld, was op de achtergrond medeverdachte [medeverdachte] te horen. De verdachte heeft voor het bellen geen verklaring gegeven. Het bellen kan niet anders dan in verband met de onderhavige ontploffingen worden gezien. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk verder dat hij eerder op die bewuste avond samen met medeverdachte [medeverdachte] is gezien bij het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] is degene die de ontploffingen feitelijk heeft verricht. Na de ontploffing bij de parkeerplaats heeft een buurtbewoner een witte Ford gezien die zonder brandende verlichting wegreed. Op de beelden na de ontploffing bij het balkon van de [straat 1] is een witte hatchback gezien die zonder brandende verlichting wegreed. Kort na de ontploffingen is op de beelden bij het bedrijf van [medeverdachte] te zien dat een witte Audi wordt geparkeerd met daarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Vanaf de bestuurderskant stapte namelijk een persoon uit die volledig voldeed aan het signalement van verdachte. Even later kwam een witte hatchback zonder verlichting aanrijden, die qua model, type en kleur, overeenkomt met de witte Ford Fiesta met het kenteken [kenteken 3] . De persoon die in de hatchback stapte, kwam qua signalement volledig overeen met [medeverdachte] .
Gelet op voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank, anders dan de verdediging, tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die de medeverdachte [medeverdachte] met de auto naar de locatie van de eerste ontploffing heeft gebracht (de parkeerplaats waar de leenauto van [benadeelde 1] geparkeerd stond) en dat hij – nadat die ontploffing voltooid was – de medeverdachte [medeverdachte] direct naar de locatie van de tweede ontploffing heeft gebracht (de woning aan de [adres 2] ).Terwijl de medeverdachte de cobra’s naar de auto van [benadeelde 1] en de woning aan de [adres 2] gooide stond de verdachte in de auto te wachten. Toen de medeverdachte [medeverdachte] na de tweede ontploffing opnieuw was ingestapt, zijn zij samen weggereden. Voorafgaand aan de ontploffing heeft verdachte naar aangeefster [benadeelde 1] gebeld, kennelijk om te achterhalen waar zij op dat moment verbleef.
Is er sprake van medeplegen?
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte bij het plegen van het strafbare feit. Dat is het geval als sprake is van een gezamenlijke uitvoering of als de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit (anderszins) van voldoende gewicht is.
Gelet op de hiervoor beschreven bijdrage van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan. Uit de bewijsmiddelen is niet gebleken dat de verdachte heeft bijgedragen aan het daadwerkelijk tot stand brengen van de ontploffingen, bijvoorbeeld door de benodigde cobra’s te regelen of mee te nemen of door zelf uitvoeringshandelingen te verrichten. Evenmin volgt uit het dossier dat hij enige andere intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het delict. Het enkel ‘chauffeuren’ van de medeverdachte is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.
Nu geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van de verdachte aan het primair ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht is, zal de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.
Is er sprake van medeplichtigheid?
De volgende vraag is of de verdachte medeplichtig is aan de ontploffingen. Daarvan is sprake als hij daartoe opzettelijk behulpzaam is geweest, of daartoe bewust gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft. Daarbij moet het opzet zowel gericht zijn op het eigen handelen, als op het misdrijf dat wordt gepleegd (dubbel opzet).
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte medeplichtig aan de ontploffingen. De verdachte is immers behulpzaam geweest bij het teweegbrengen van de ontploffingen door de medeverdachte met de auto eerst naar de ene en vervolgens naar de andere locatie van de ontploffing te brengen, in de tussentijd op hem te wachten en hem daarna weg te brengen. De verdachte is daarmee behulpzaam geweest bij het teweegbrengen van de ontploffingen. Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte ook wist wat de medeverdachte van plan was. De verdachte had dus ook (vol) opzet op het plaatsvinden van de ontploffingen en wilde daar actief behulpzaam bij zijn, zodat voldaan is aan het vereiste van dubbel opzet. Het feit dat de verdachte voorafgaand aan de ontploffingen naar de aangeefster heeft gebeld, vermoedelijk om hiermee haar locatie te achterhalen, draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank dat de verdachte vol opzet had op het plaatsvinden van de ontploffingen.
Gevaarzetting
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het opzet van de verdachte en de medeverdachte gericht was op het veroorzaken van een ontploffing op een auto die geparkeerd stond op een parkeerplaats en het veroorzaken van een ontploffing in de buurt van een balkon van een woning. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of daarmee gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Om dat aan te kunnen nemen dient dat gevaar ten tijde van de ontploffingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar te zijn geweest.
Het is een feit van algemene bekendheid dat een cobra zwaar en illegaal vuurwerk betreft en bij ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen met een gelijke kracht als van een handgranaat. Een cobra kan dus veel schade aanrichten aan de goederen en gebouwen in de directe omgeving daarvan. Deze omstandigheden maken dat gemeen gevaar voor goederen (namelijk de auto, het gebouw en het balkon) te duchten was. Dat gevaar heeft zich in dit geval overigens ook gedeeltelijk gerealiseerd. De voorruit van de auto was volledig vernield en de motorkap en zijpanelen van de neus van de auto waren verbogen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 2 juni 2025 in Amersfoort schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij het opzettelijk teweegbrengen van ontploffingen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
verdachte [medeverdachte] op 2 juni 2025 te Amersfoort ontploffingen teweeg heeft gebracht, door
- tweemaal een cobra aan te steken en- vervolgens die brandende stuks (knal)vuurwerk te leggen op een auto met het kenteken [kenteken 1] en te gooien in de richting van het balkon van de woning aan de [adres 2] en- ten gevolge waarvan dat brandend (knal)vuurwerk tot ontploffing is gekomen, waarbij voornoemde auto is vernield, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde auto en het balkon en het gebouw (gelegen aan de [adres 2] ) te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 2 juni 2025 te [plaats 1] opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- te bellen naar [benadeelde 1] en
- (met) voornoemde [medeverdachte] te rijden naar de woning aan de [adres 2] en (daar) te blijven wachten tijdens het aansteken van het (knal)vuurwerken zich gereed te houden om voornoemde [medeverdachte] na het afsteken van het explosief materiaal weg te brengen;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert de volgende strafbare feit op:
medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als algemene voorwaarde het niet plegen van strafbare feiten;
  • een taakstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
  • een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafvordering, voor de duur van vijf jaren, te vervangen door twee weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van zes maanden hechtenis.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om bij een veroordeling het advies van de reclassering ten aanzien van het opleggen van een deels voorwaardelijke werkstraf te volgen en aan de verdachte een taakstraf van 160 uren op te leggen, waarvan een gedeelte van 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast verzoekt de advocaat om een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod ten aanzien van de [adres 2] in [plaats 1] en het adres van het slachtoffer in de vorm van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan het voorwaardelijke deel van de taakstraf, op te leggen. De advocaat vraagt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat de verdachte een spierziekte heeft en hierdoor binnen vijf jaar rolstoelafhankelijk zal zijn. Een gevangenisstraf is hierdoor niet geschikt. De verdachte heeft ook op de zitting verklaard dat zijn gezondheidstoestand in detentie achteruit is gegaan. Ook verzoekt de advocaat de rechtbank rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij vier dagen in voorarrest heeft gezeten. Verder heeft de verdachte in het kader van een andere lopende strafzaak al een zeer strak schorsingskader opgelegd gekregen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte is medeplichtig aan het opzettelijk tot ontploffing brengen van twee cobra’s. De ontploffingen hebben plaatsgevonden in de nachtelijke uren op een parkeerplaats en vlak voor een woning. Dit is een ernstig feit. Door de ontploffingen is grote schade ontstaan aan de auto en de ontploffingen hebben tot gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer gezorgd. Ook leiden feiten als deze, mede gezien de grote hoeveelheid ontploffingen die de afgelopen tijd in Nederland hebben plaatsgevonden, tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft bijgedragen aan deze zeer intimiderende vorm van geweld, zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en omwonenden.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 2 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafmatigende of strafverzwarende zin mee.
Uit het reclasseringsadvies van 24 februari 2026 blijkt dat de verdachte kwetsbaar is door zijn psychische problemen (ASS en ADHD), zijn gebrek aan probleemoplossende vaardigheden en zijn beïnvloedbaarheid. Het risico op recidive is gemiddeld. Het is positief dat de verdachte zich begeleidbaar opstelt, samen met de gemeente op zoek is naar dagbesteding en open staat om een behandeling ter verbetering van zijn emotieregulatie te volgen. De reclassering vindt het wel zorgelijk dat de verdachte negatief in beeld is bij de politie, er een nieuwe verdenking bij is gekomen en dat de verdachte verdacht wordt van een reeks plofkraken in Oostenrijk ten tijde van het schorsingstoezicht. De reclassering acht het voortzetten van behandeling noodzakelijk om meer zicht te krijgen op zijn psychosociaal functioneren, om vervolgens te werken aan risicobeheersing. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ondersteunt het opleggen van een gevangenisstraf niet, omdat de fysieke gezondheid van de verdachte in detentie achteruit gaat.
Uit het rapport van Samen Veilig Midden-Nederland (SAVE) van 26 februari 2026 blijkt de negatieve jeugdervaringen en relatieproblemen binnen het gezin mogelijk van invloed zijn op het gedrag van de verdachte en kunnen zorgen voor instabiliteit. De verdachte heeft geen structurele dagbesteding en het lukt hem vanwege zijn spierziekte niet om een passende dagbesteding te vinden. SAVE vindt het zorgelijk dat de verdachte, ondanks dat zijn voorlopige hechtenis is geschorst met voorwaarden, opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen. Het risico op recidive is gemiddeld-hoog, aangezien de behandeling bij de Waag nog niet is opgestart. Het is wel positief dat de verdachte openstaat voor hulpverlening en er op deze manier in de toekomst toegewerkt kan worden naar een gedragsverandering. SAVE noemt de samenwerking met de verdachte positief. De verdachte stelde zich meewerkend op en kwam zijn afspraken na. SAVE adviseert om de verdachte gezien de zwaarte van het feit een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden de reclasseringsmaatregel. SAVE vindt het passend dat de opdracht van uitvoering van de maatregel wordt gegeven aan Reclassering Nederland, omdat de aanpak vanuit de jeugdreclassering niet passend is.
De op te leggen straf
De verdachte was negentien jaar oud ten tijde van het plegen van het feit. Toepassing van het volwassenenstrafrecht is dan het uitgangspunt. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt en zal de verdachte conform het advies van de reclassering volgens het volwassenenstrafrecht berechten.
Vanwege de aard en ernst van het feit kan normaal gesproken niet volstaan worden met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming meebrengt en die langer duurt dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering is de rechtbank echter toch van oordeel dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat sprake is van medeplichtigheid (en niet van medeplegen) en dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder is de verdachte nog jong en kan hij zich nog verder ontwikkelen.
Wel vindt de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, het belangrijk dat de verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt. De voorwaardelijke straf is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Ook biedt een voorwaardelijk strafdeel de rechtbank de mogelijkheid om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden waaraan de verdachte zich moet houden. Gelet op de ernst van het feit vindt de rechtbank dat de verdachte gedurende een proeftijd van twee jaren behandeling en toezicht en begeleiding door de reclassering nodig heeft. De rechtbank zal dit dan ook als bijzondere voorwaarden opleggen. Op deze manier is de verdachte, los van het schorsingskader in de andere strafzaak, verzekerd van behandeling en begeleiding. Ook zal de rechtbank een contact- en locatieverbod ten aanzien van het slachtoffer opleggen als bijzondere voorwaarden, zoals die zijn opgenomen in het dictum. De rechtbank ziet geen noodzaak om het contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen.
De rechtbank vindt het verder belangrijk dat de verdachte ook direct de gevolgen van zijn handelen ervaart. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De rechtbank zal daarom aan de verdachte ook een taakstraf opleggen.
Alles afwegende vindt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank legt daarbij de algemene en bijzondere voorwaarden op, zoals hieronder opgenomen in de beslissing. Deze straf is lager dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank weegt de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk zijn spierziekte en het feit dat hij binnen vijf jaar in een rolstoel zal belanden, zwaarder mee dan de officier van justitie. Het verrichten van een taakstraf (en een eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt) zal voor de verdachte vanwege zijn spierziekte namelijk een zwaardere belasting vormen dan voor de gemiddelde persoon.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [benadeelde 1] volledig kan worden toegewezen, omdat deze vordering voldoende onderbouwd is. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om het toewijsbare schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en bij deze benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De verdediging stelt zich subsidiair op het standpunt dat het verzoek tot schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat er geen sprake is van lichamelijk letsel en de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd heeft dat er sprake is van geestelijk letsel ten gevolge van het strafbare feit. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk moet worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Van vergoeding van immateriële schade kan op grond van art. 6:106 sub b BW Pro sprake zijn als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon. Hoewel de rechtbank het goed voorstelbaar acht dat het meemaken van de ontploffingen een nare ervaring is geweest, behoort een dergelijke situatie niet tot een van de uitzonderingen waarbij nadere onderbouwing achterwege kan blijven. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskostenveroordeling
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 49, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot
een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van drie maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij
een proeftijd van twee jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als
bijzondere voorwaardengelden dat de verdachte:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2;
zich laat behandelen door de Waag in Amersfoort of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met de aangeefster [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2003), zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;
zich niet bevindt in een straal van 200 meter rondom de woning van [benadeelde 1] ( [adres 5] , [postcode 2] in [plaats 2] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contact- en locatieverbod, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1]
- verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mr. O. Böhmer en
mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Belhadi, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
De griffier is verhinderd om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Amersfoort tezamen en in vereniging, althans
alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door
- een cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk, in elk geval explosief materiaal,
op een auto met het kenteken [kenteken 1] te leggen en/of vervolgens aan te steken
en/of tot ontbranding te brengen en/of in aanraking te brengen met open vuur
en/of
- ten gevolge waarvan/waarna deze cobra 6, in elk geval het stuk (knal)vuurwerk
en/of explosief materiaal tot ontploffing is gekomen en/of voornoemde auto heeft
beschadigd en/of
- ( vervolgens) een tweede cobra 6, in elk geval een stuk (knal)vuurwerk en/of
explosief materiaal aan te steken en/of tot ontbranding te brengen en/of in
aanraking te brengen met open vuur en/of
- ( vervolgens) te gooien naar/in de richting van het balkon van de woning aan de
[adres 2] en/of
- ten gevolge waarvan/waarna de tweede cobra 6, in elk geval een stuk
(knal)vuurwerk en/of explosief materiaal tot ontploffing is gekomen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde
auto en/of het balkon en/of het gebouw en/of de omliggende gebouw(en) (onder
andere gelegen aan de [adres 2] ) en/of de zich in omliggende gebouwen
bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
verdachte [medeverdachte] op of omstreeks 2 juni 2025 te Amersfoort tezamen en in
vereniging, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing
teweeg heeft gebracht, door
- tweemaal een cobra 6, in elk geval (knal)vuurwerk, in elk geval explosief materiaal,
aan te steken en/of in aanraking te brengen met open vuur en/of
- ( vervolgens) die brandende stuks (knal)vuurwerk en/of brandende explosieven te
leggen op/in een auto met het kenteken [kenteken 1] en/of te gooien naar/in de richting
van het balkon van de woning aan de [adres 2] en/of
- ten gevolge waarvan/waarna dat brandend (knal)vuurwerk en/of dat brandend
explosief materiaal tot ontploffing is gekomen, waarbij voornoemde auto is vernield,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde
auto en/of het balkon en/of het gebouw en/of de omliggende gebouw(en) (onder
andere gelegen aan de [adres 2] ) en/of de zich in omliggende gebouwen
bevindende goederen te duchten was,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 2 juni 2025 te
Amersfoort , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- te bellen naar [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of
- ( met) voornoemde [medeverdachte] te rijden naar en/of vanaf de woning aan de [straat 1]
en/of (daar) te blijven wachten tijdens het plegen van de
ontploffing/explosie en/of het aansteken van het (knal)vuurwerk, in elk geval het
explosief materiaal, en/of zich gereed te houden om voornoemde [medeverdachte] na het
afsteken van het explosief materiaal op te halen en/of weg te brengen/rijden.

Voetnoten

2.Pagina 8.
3.Pagina 9.
4.Pagina 1.
5.Pagina 2.
6.Pagina 15.
7.Pagina 37.
8.Pagina 38.
9.Pagina 26.
10.Pagina 27.