Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1475

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11594597 \ MC EXPL 25-1422
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling schade en huur na aanrijding met huurauto toegewezen aan verhuurder

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurbedrijf en een huurder over betaling van facturen voor schade en huur na een aanrijding met een huurauto. De auto was bestuurd door een vriend van de huurder, die zonder toestemming de autosleutel had gepakt en onder invloed van alcohol reed. De verhuurder vordert betaling van schade aan de huurauto, eigen risico voor letselschade, administratieve kosten en huur over de periode dat de auto in beslag was genomen.

De kantonrechter oordeelt dat de huurder als enige bestuurder op het huurcontract staat vermeld en daarmee verantwoordelijk is voor het gebruik van de auto. Het verweer van overmacht faalt omdat de huurder onvoldoende heeft gesteld dat hem de schade niet kan worden toegerekend. Het achterlaten van de autosleutel in een jaszak buiten het zicht wordt gezien als schending van de zorgplicht.

De gevorderde schadebedragen zijn voldoende onderbouwd met producties. De huurder is ook aansprakelijk voor de huur over de periode van inbeslagname, omdat hij niet aan zijn verplichting tot teruggave heeft voldaan. De huurder moet wettelijke rente betalen vanaf het moment dat hij in verzuim is geraakt. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen vanwege een formele tekortkoming in de aanmaning. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van schade, huur en wettelijke rente na aanrijding met huurauto.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11594597 \ MC EXPL 25-1422
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A.T. Buwalda en mr. I.E.E. Taling,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I. Asati

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025;
- de akte aanvullende producties van [eiseres] met producties 24 tot en met 27;
- de mondelinge behandeling op 3 februari waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2.
[gedaagde] is bij incidenteel vonnis van 14 mei 2025 in de gelegenheid is gesteld, [A] in vrijwaring op te roepen. [gedaagde] heeft de vrijwaringsprocedure nog niet gestart.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De kern van de zaak
2.1.
[eiseres] , is een verhuurbedrijf van onder meer personenauto’s en heeft aan [gedaagde] een auto verhuurd, hierna de huurauto. Daarmee zijn door [gedaagde] verkeersovertredingen begaan. Ook is de auto op 16 juni 2022 betrokken geweest bij een aanrijding met letselschade van een tweetal personen, schade aan een andere auto en de gehuurde auto tot gevolg. De auto werd toen bestuurd door een toenmalige vriend van [gedaagde] , de heer [A] . Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] de facturen van [eiseres] moet betalen die zien op schade van [eiseres] als gevolg van de aanrijding. Ook is in geschil of [gedaagde] huur verschuldigd is over de periode dat de huurauto na de aanrijding door de politie in beslag genomen is. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] voor alle schade van [eiseres] en de huur over de periode van beslaglegging van de auto aansprakelijk is.
De vordering
2.2.
[eiseres] vordert in hoofdsom een bedrag van € 32.283,25. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
a. € 90 aan administratieve kosten voor de verkeersovertredingen,
b. € 16.472,61 aan schade aan de gehuurde auto
c. € 15.000 voor wat betreft het eigen risico van [eiseres] betreffende (letsel)schade van de slachtoffers bij het ongeval.
d. € 720,64 aan huur voor de auto in de periode dat de auto na het ongeval in beslag is genomen door de politie
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst(en) en de daarop van toepassing zijnde de BOVAG algemene voorwaarden voor verhuur- en deelautobedrijven, verplicht is tot het betalen van voormeld bedrag.
[gedaagde] moet de administratieve kosten voor de verkeersovertredingen betalen2.3. Niet in geschil is dat [gedaagde] € 90 aan administratieve kosten voor de verkeersovertredingen is verschuldigd is. Dit deel van de vordering wordt dan ook toegewezen.
Alleen [gedaagde] was bevoegd om in de auto te rijden
2.4.
[gedaagde] betwist dat hij de posten b. tot en met d. is verschuldigd. [gedaagde] voert ten eerste aan dat hij in de huurovereenkomst niet duidelijk als bestuurder is vermeld. Om die reden zou van een overtreding van artikel 9 lid 4 van Pro de algemene voorwaarden geen sprake zijn. Dit verweer slaagt niet. In dat artikel 9 lid 4 staat Pro:
“Huurder moet er voor zorgen dat het voertuig niet wordt bestuurd door iemand die onbevoegd is of kennelijk geestelijk of lichamelijk ongeschikt. Alleen personen die als bestuurder op de huurovereenkomst zijn vermeld, mogen het voertuig besturen of anders over het voertuig beschikken.”.
De kantonrechter constateert dat alleen de naam van [gedaagde] op de huurovereenkomsten is vermeld. Bovendien staat in de door [gedaagde] ondertekende huurovereenkomst onder punt 4
: “alleen personen die vermeld zijn, op het contract, met geldig rijbewijs zijn verzekerd en bevoegd om te rijden in ons voertuig.”Het voorgaande leidt ertoe dat uit het huurcontract naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk volgt dat [gedaagde] als bestuurder is vermeld. Daaruit volgt dat hij op grond van artikel 9 lid 4 ervoor Pro moet zorgen dat het voertuig niet door een ander wordt bestuurd.
2.5.
Ter onderbouwing van zijn verweer dat de algemene voorwaarden onduidelijk zijn over dat [gedaagde] de enige bestuurder is, wijst [gedaagde] er nog op dat in artikel 9 lid 8 van Pro de algemene voorwaarden wordt gesproken over dat huurder verplicht is om (onder andere) bestuurders te wijzen op de regels van de verhuur en er voor te zorgen dat deze zich hier ook aan houden. De kantonrechter is van oordeel dat deze bepaling, gelet op het expliciete gebod in zowel de huurovereenkomst zelf als in de algemene voorwaarden dat alleen personen die zijn vermeld op het contract bevoegd zijn om te rijden in de auto, niet meebrengt dat het voor [gedaagde] onduidelijk moet zijn geweest dat hij de enige toegestane bestuurder was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] bovendien gezegd dat het bekend was dat er niemand in zijn auto mocht rijden, omdat de auto door hem was gehuurd. [gedaagde] wist dus dat hij de enige toegestane bestuurder van de auto was.
2.6.
[gedaagde] stelt dat er ten aanzien van zijn zorgplicht sprake is van een overmacht situatie, omdat [A] zonder zijn medeweten de autosleutel uit zijn jaszak heeft gepakt en met de auto is gaan rijden. Hij beroept zich er op dat de schade niet aan hem kan worden toegerekend, omdat deze door [A] is veroorzaakt.
2.7.
Artikel 12 lid 2 van Pro de algemene voorwaarden luidt als volgt:
“Wanneer de schade volgt uit handelen of nalaten zoals bedoeld in artikel 9 dan Pro moet huurder de schade van verhuurder volledig vergoeden. Dit geldt niet als huurder bewijst dat dit handelen of nalaten aan hem niet toegerekend kan worden of als volledige vergoeding niet redelijk en billijk is.”Omdat de schade van [eiseres] voortvloeit uit de niet nakoming door [gedaagde] van de zorgplicht van artikel 9 lid Pro 4, dient [gedaagde] te stellen en te bewijzen dat hem dat niet kan worden toegerekend of volledige vergoeding niet redelijk en billijk is.
2.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat [A] destijds een vriend van hem was. Zij waren op bezoek bij een gemeenschappelijke vriend. De autosleutel zat in de zak van [gedaagde] ’s jas die hij in het huis van de vriend had opgehangen. [A] heeft zonder medeweten van [gedaagde] de autosleutel uit zijn jaszak gehaald en is vervolgens met de auto gaan rijden. Later bleek dat hij onder invloed van alcohol was. [gedaagde] heeft niet opgemerkt dat [A] de auto stiekem meenam. [gedaagde] vertrouwde erop dat hij de autosleutel in zijn jaszak achter kon laten. [eiseres] heeft betoogd dat [gedaagde] zijn zorgplicht op toerekenbare wijze heeft geschonden door de autosleutel in zijn jaszak te laten nadat hij die opgehangen had.
2.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] met het voorgaande onvoldoende heeft gesteld dat hem de overtreding van voornoemde zorgplicht niet toegerekend kan worden. [gedaagde] had de sleutel op een andere plek dichter bij hem, zoals in zijn broekzak, kunnen bewaren. Door de sleutel in zijn jaszak te laten en die kennelijk elders en buiten zijn zichtveld op te hangen, heeft hij zijn zorgplicht geschonden. Om die reden is de door [A] veroorzaakte schade aan [gedaagde] toerekenbaar. Van overmacht is geen sprake. Artikel 12 lid 5 bepaalt Pro dat de huurder aansprakelijk is voor het doen of nalaten van derden die het voertuig besturen. Dit geldt ook als deze derde het voertuig zonder toestemming van de huurder heeft gebruikt.
2.10.
[gedaagde] heeft aanvankelijk bij dupliek betwist dat de schadebedragen door [eiseres] zijn onderbouwd. Daarna heeft [eiseres] bij akte nadere stukken ingebracht. De kantonrechter constateert dat de schade aan de huurauto van € 16.472,16 (zie nr. 2.2 onder b) is onderbouwd met de producties 16 en 24. Uit productie 27 blijkt dat [eiseres] het eigen risico van € 15.000 (zie nr. 2.2 onder c) aan Centraal Beheer heeft voldaan. De schade aan het aangereden voertuig en uitgekeerde letselschade bedragen totaal € 15.253,86. Dit bedrag betreft i) € 2.308,55: de schade aan het voertuig van de tegenpartij (waarvan het schaderapport en de factuur als producties 25 en 17 zijn overgelegd) en (ii) € 6.152,75 en € 6.792,56: de letselschadebedragen die aan betrokkenen zijn betaald (de betaling van die bedragen blijkt uit producties 18 tot en met 21 en 26).
2.11.
Voor wat betreft het gevorderde bedrag ter hoogte van € 720,64 (zie nr. 2.2 onder d) is tijdens de mondelinge behandeling komen vast te staan dat dit ziet op huur voor de auto in de periode dat de auto na het ongeval in beslag is genomen. [gedaagde] voert aan dat hij het bedrag niet is verschuldigd, omdat de auto in beslag is genomen door toedoen van [A] die de auto buiten zijn medeweten heeft meegenomen. Dit verweer gaat niet op. Door de inbeslagname heeft [gedaagde] niet aan zijn verplichting tot teruggave van de auto voldaan. Omdat het beroep van [gedaagde] op overmacht niet opgaat, is hij daarvoor verantwoordelijk. Als gevolg daarvan is de huurperiode verlengd en is hij over die verlengde periode huur verschuldigd.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen2.12. Aangezien [gedaagde] de gefactureerde bedragen aan huur, administratiekosten en schadevergoeding niet tijdig heeft betaald aan [eiseres] , is hij rente verschuldigd geworden. [eiseres] vordert de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling. Een vervaldatum op een factuur is geen fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef Pro en onder a BW. Daarvoor is in beginsel een voor nakoming overeengekomen termijn vereist. Niet gesteld of gebleken is dat partijen deze zijn overeengekomen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het moment dat de betalingstermijn in de aanmaning van 14 oktober 2024 is verstreken, omdat [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim verkeert. Dat is 28 oktober 2024.
[gedaagde] is geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd
2.13.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van een bedrag van € 1.097,83 nu zij de vordering uit handen heeft moeten geven. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde] moet proceskosten betalen
2.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.879,21
2.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 32.283,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 28 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.879,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op
1 april 2026.