Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1477

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11949240 \ UC EXPL 25-8529
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 2 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 3:307 BWArt. 3:37 lid 3 BWArt. 6:119a lid 8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur voor boekhoudkundige werkzaamheden toegewezen ondanks gebrek aan specificatie

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van een factuur van €2.969,34 voor het opmaken van jaarstukken over 2021 voor het advocatenkantoor van gedaagde. Gedaagde erkent de verrichte werkzaamheden, maar betwist betaling vanwege verjaring en het ontbreken van specificatie van de factuur.

De rechtbank oordeelt dat de vordering niet is verjaard, aangezien de verjaringstermijn van vijf jaar pas in juli 2028 verstrijkt. Het feit dat gedaagde de factuur pas in september 2025 ontving, maakt dit niet anders. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt, omdat dit geen reden is om van de wettelijke verjaringsregels af te wijken.

Ten aanzien van de niet-gespecificeerde factuur overweegt de rechtbank dat eiseres al lange tijd werkzaamheden verricht zonder specificatie en dat gedaagde dit niet eerder heeft betwist of om een specificatie heeft gevraagd. De factuur is in lijn met een vooraf overeengekomen offerte. Daarom is het niet onaanvaardbaar dat betaling wordt gevorderd zonder specificatie.

Verder moet gedaagde wettelijke handelsrente betalen vanaf 19 september 2025, de dag na de termijn van acht dagen na ontvangst van de aanmaningsbrief. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten van €444,43 toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het totale bedrag van €3.413,77 plus rente en proceskosten van €1.337,28. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11949240 \ UC EXPL 25-8529
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.B.G. Onida,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft de jaarstukken over 2021 opgemaakt voor het advocatenkantoor van [gedaagde] . [eiseres] heeft [gedaagde] op 1 juni 2023 een factuur gestuurd van € 2.969,34, maar die heeft [gedaagde] niet betaald. [eiseres] vordert in deze procedure het factuurbedrag plus rente en kosten. De vordering wordt grotendeels toegewezen. De kantonrechter legt hierna uit waarom.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] erkent dat [eiseres] de in 2.1 genoemde werkzaamheden voor hem heeft verricht, maar vindt dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Hij stelt dat de vordering is verjaard en dat hij de factuur pas heeft gekregen op 9 september 2025. Hij was daardoor onaangenaam verrast. [gedaagde] voert ook aan dat de factuur onvoldoende gespecificeerd is. [gedaagde] doet een beroep op de redelijkheid en billijkheid. [1]
Het beroep van [gedaagde] op verjaring
3.2.
Op grond van de wet [2] verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst (in dit geval: betaling van de factuur) vijf jaar na aanvang van de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden.
3.3.
De factuur van 1 juni 2023 moest binnen 30 dagen na factuurdatum betaald worden. Deze factuur was dus opeisbaar vanaf 1 juli 2023. De verjaringstermijn is gaan lopen op 2 juli 2023 en verstrijkt op 2 juli 2028.
3.4.
De conclusie is dat de vordering van [eiseres] niet is verjaard. Dat [gedaagde] de factuur pas op 9 september 2025 zou hebben ontvangen, maakt daarbij geen verschil. De wet knoopt namelijk niet aan bij de datum waarop de schuldenaar bekend is geworden met zijn betalingsverplichting. Dit is geen reden om te oordelen dat toepassing van de wettelijke verjaringsregels naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat [gedaagde] verbaasd en onaangenaam verrast was dat hij deze factuur nog kreeg, is daarvoor ook niet genoeg.
De factuur is niet gespecificeerd
3.5.
[gedaagde] vindt het niet redelijk als hij de factuur moet betalen, omdat de factuur niet is gespecificeerd. [eiseres] erkent dat de factuur niet is gespecificeerd, maar wijst er op dat zij al lange tijd voor [gedaagde] werkzaamheden verricht en de afgelopen 10 jaar nooit een gespecificeerde factuur heeft gestuurd. Dit heeft [gedaagde] niet betwist.
3.6.
De hoofdregel is dat je moet betalen voor werk dat een ander in jouw opdracht voor je heeft uitgevoerd. Dat de factuur van 1 juni 2023 niet is gespecificeerd, is geen reden om van deze hoofdregel af te wijken. [eiseres] heeft niet eerder een gespecificeerde factuur gestuurd. [gedaagde] heeft daar blijkbaar ook niet eerder om gevraagd. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] opgemerkt dat zijn bezwaar tegen de factuur ook te maken heeft met het feit dat het “samenhangend werk” was. De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken dat de factuur waarvan [eiseres] nu betaling vordert, betrekking heeft op andere werkzaamheden dan die voor het advocatenkantoor van [gedaagde] . De kantonrechter overweegt verder dat [eiseres] eerst een offerte heeft gestuurd voor de opdracht. [gedaagde] is akkoord gegaan met die offerte. Tussen partijen staat vast dat het factuurbedrag in lijn is met het offertebedrag. De kantonrechter oordeelt dat het onder deze omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] de factuur moet betalen zónder dat deze is gespecificeerd. [eiseres] heeft tijdens de zitting trouwens toegezegd dat zij [gedaagde] alsnog een specificatie zou sturen. De kantonrechter gaat er van uit dat dit inmiddels is gedaan.
De wettelijke handelsrente
3.7.
Omdat de factuur ziet op een tussen partijen gesloten handelsovereenkomst en [gedaagde] te laat is met betalen, moet hij ook de wettelijke handelsrente aan [eiseres] betalen. Hierover overweegt de kantonrechter het volgende.
3.8.
De stellingen van [eiseres] komen er op neer dat de factuur van 1 juni 2023 direct daarna door [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat hij niet eerder dan 9 september 2025 bekend is geworden met de factuur. Toen kreeg hij namelijk de aanmaningsbrief van de advocaat van [eiseres] . Gelet op deze betwisting door [gedaagde] heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat [gedaagde] de factuur vóór 9 september 2025 heeft ontvangen. [3] Dit betekent dat de vertraging in de betaling van de factuur tot dat moment niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend. Over die periode hoeft [gedaagde] geen wettelijke handelsrente te betalen. [4] Voor de berekening van de wettelijke handelsrente sluit de kantonrechter daarom aan bij de brief van 9 september 2025.
3.9.
[gedaagde] heeft in die brief nog acht dagen de tijd gekregen om te betalen. De termijn van acht dagen ging lopen op de dag dat de brief bij [gedaagde] was bezorgd. Partijen hebben niets gezegd over de datum van bezorging van de brief. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de brief op 10 september 2025 is bezorgd. [gedaagde] had dus tot en met 18 september 2025 om de factuur van [eiseres] alsnog te betalen. [gedaagde] moet daarom vanaf 19 september 2025 de wettelijke handelsrente betalen.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.10.
In de brief van 9 september 2025 staat ook dat [eiseres] aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten als [gedaagde] niet betaalt binnen 8 dagen na bezorging van de brief. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Het door [eiseres] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 444,43) klopt met de normbedragen die worden genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
De proceskosten
3.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.337,28
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.413,77, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.969,34, te berekenen vanaf 19 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.337,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en door mr. J.G. van Ommeren in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:2 lid 2 en Pro artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 3:307 BW Pro.
3.Vergelijk artikel 3:37 lid 3 BW Pro.
4.Artikel 6:119a lid 8 BW.