Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1479

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11986349 \ UE VERZ 25-360 (JH/1050)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a lid 4 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:673 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens werkweigering en eerdere waarschuwingen

De werknemer trad op 5 december 2024 in dienst bij de werkgever voor bepaalde tijd tot 5 februari 2026. Tijdens het dienstverband kreeg hij meerdere officiële waarschuwingen wegens te laat komen en onbereikbaarheid tijdens ziekte. Op 25 september 2025 werd hij op staande voet ontslagen wegens werkweigering, nadat hij zonder bericht niet op tijd op het werk verscheen en onjuiste informatie gaf over zijn afwezigheid.

De werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en verzocht om vernietiging, doorbetaling van loon, aanzegvergoeding, transitievergoeding en een correcte eindafrekening. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld en met een voldoende duidelijke dringende reden is gegeven, waarbij de werkweigering op zichzelf de dringende reden vormde.

De kantonrechter achtte het gedrag van de werknemer ernstig verwijtbaar, mede gelet op eerdere waarschuwingen, en vond dat van de werkgever niet redelijkerwijs kon worden verlangd het dienstverband voort te zetten. De verzoeken tot loonbetaling, vergoedingen en eindafrekening werden afgewezen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig; verzoeken tot loonbetaling en vergoedingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11986349 \ UE VERZ 25-360 (JH/1050)
Beschikking van 1 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. E.A.C. van Kempen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift van [verzoeker] met 11 producties, op de griffie binnengekomen op 20 november 2025;
 het verweerschrift van [verweerder] met 6 producties;
 de aanvulling/wijziging van het verzoek en nevenvorderingen van [verzoeker] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. [verzoeker] was aanwezig, vergezeld door zijn moeder en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerder] waren aanwezig mevrouw [A] (HR advisor & recruiter) en de heer [B] (leidinggevende), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Kloosterman heeft dit gedaan aan de hand van spreekaantekeningen. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt [verzoeker] vernietiging van een ontslag op staande voet, doorbetaling van loon en betaling van diverse vergoedingen. De kantonrechter wijst die verzoeken af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2000, is op 5 december 2024 in dienst getreden bij [verweerder] . Hij was [functie] en zijn loon bedroeg € 2.750,00 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en zou op 5 februari 2026 eindigen.
3.2.
Op 30 juli 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] een (eerste) officiële waarschuwing gegeven. In die waarschuwing staat onder meer dat [verzoeker] ondanks herhaalde reminders over stiptheid nog steeds meerdere keren per week circa tien minuten te laat komt en dat verdere overtredingen zullen leiden tot strengere disciplinaire maatregelen, waaronder schorsing of beëindiging van het dienstverband.
3.3.
Op 4 september 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] een (tweede) officiële waarschuwing gegeven omdat hij tijdens ziekte niet bereikbaar was. In die brief heeft [verweerder] aangekondigd het loon op te schorten vanaf 1 september 2025. Op 15 september 2025 is [verzoeker] weer op het werk verschenen. [verweerder] heeft uiteindelijk het volledige loon over de ziekteperiode aan [verzoeker] betaald, met uitzondering van één wachtdag.
3.4.
Op 25 september 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat het volgende:
“Tijdens jou dienstverband hebben we helaas al vaker gesprekken moeten voeren met betrekking tot jou functioneren binnen het bedrijf. Deze verbeterpunten hadden betrekking op de volgende zaken:
  • Je houding tegenover je leidinggevende
  • Het te laat komen op je werk
  • De kwaliteit van je werkzaamheden
  • Telefonisch melden bij ziekmeldingen
  • Bereikbaarheid tijdens ziekmeldingen
  • Je contact met je collega’s
Naast het mondeling aangeven zijn we een aantal maanden geleden over gegaan op officiële schriftelijke waarschuwingen om nogmaals een kans te geven dingen te verbeteren. (…)
Ondanks al deze maatregelen en kansen is het wangedrag vandaag tot een hoogtepunt gekomen waarbij er werkweigering plaats vond. Hoewel jou werktijd om 07:00 begon verscheen je niet op werk, rond de klok van half 10 heeft jou collega [C] jou geprobeerd te bellen maar helaas zonder gehoor. Om 9:45 heb je telefonisch contact gelegd met HR waarbij je eerst een ziekmelding wilde doen maar uiteindelijk een verlofdag aanvroeg, bovendien meldde je aan HR dat je op tijd je collega’s had geïnformeerd maar dit bleek niet het geval. Je collega’s hebben aangetoond dat er geen contact is geweest en je die ochtend zonder reden niet op werk bent verschenen. Dit wordt overduidelijk gezien als werkweigering en dit maakt samen met alle vorige stappen dat we tot de beslissing zijn gekomen om je op staande voet te ontslaan.”
3.5.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig omdat een dringende reden ontbreekt. In deze procedure verzoekt [verzoeker] (na wijziging van zijn verzoek) om het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van zijn loon tot 5 februari 2026, te vermeerderen met wettelijke verhoging. Hij verzoekt verder toekenning van de aanzegvergoeding en de transitievergoeding en een correcte eindafrekening. [verweerder] voert verweer tegen de verzoeken van [verzoeker] .

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] [verzoeker] op 25 september 2025 op staande voet mocht ontslaan.
Het verzoek van [verzoeker] is tijdig ingediend
4.2.
Een werknemer kan binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, bij de kantonrechter vragen om vernietiging van het ontslag. [1] [verweerder] stelt dat het ontslag onaantastbaar is geworden omdat [verzoeker] in het petitum van het verzoekschrift (voor wijziging van zijn verzoek) niet uitdrukkelijk vernietiging van het ontslag heeft verzocht. De kantonrechter gaat aan deze stelling voorbij. Uit de aanhef en de inhoud van het verzoekschrift blijkt namelijk voldoende duidelijk dat [verzoeker] in deze procedure vernietiging van het ontslag vraagt. Dat [verweerder] dat ook zo heeft begrepen volgt uit het door haar gevoerde verweer.
Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
4.3.
Op grond van de wet mag een werkgever de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen als daar een dringende reden voor is en hij die reden onverwijld aan de werknemer heeft meegedeeld. [2] Tussen partijen staat vast dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en dat de dringende reden voldoende duidelijk en onverwijld aan [verzoeker] is meegedeeld. Er moet dus alleen nog worden beoordeeld of er sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet.
4.4.
Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van werknemer, die ten gevolge hebben dat van werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [3] Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dit geval sprake van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat wordt hierna toegelicht.
4.5.
De dringende reden moet beoordeeld worden aan de hand van de ontslagbrief van
25 september 2025. [verzoeker] stelt dat uit deze brief blijkt dat het ontslag op staande voet is gebaseerd op een samengestelde dringende reden, namelijk de in de ontslagbrief genoemde verbeterpunten én de gestelde werkweigering op 25 september 2025. De kantonrechter ziet dit anders. In de ontslagbrief staat namelijk dat de werkweigering samen met alle vorige
stappenmaakt dat [verweerder] tot de beslissing is gekomen [verzoeker] op staande voet te ontslaan. Aannemelijk is dat [verweerder] hiermee verwijst naar de in de ontslagbrief genoemde gesprekken en waarschuwingen. Er is geen aanknopingspunt om aan te nemen dat [verweerder] met het woord ‘stappen’ alle tijdens het dienstverband besproken verbeterpunten heeft bedoeld. Uit de inhoud van de ontslagbrief blijkt dus voldoende duidelijk dat [verweerder] de werkweigering op 25 september 2025 op zichzelf als dringende reden heeft gekwalificeerd. Die werkweigering was in het licht van de daaraan voorafgaande gesprekken en officiële waarschuwingen voor [verweerder] de druppel die de emmer deed overlopen.
4.6.
Uit de waarschuwing van 30 juli 2025 volgt dat [verzoeker] ondanks herhaaldelijke reminders over stiptheid meerdere keren per week te laat kwam. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat dit sterk overdreven is en dat hij tijdens zijn dienstverband maar 3 tot 4 keer te laat is gekomen. Hij heeft echter op geen enkel moment bezwaar gemaakt tegen de waarschuwing. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid daarvan. In de waarschuwingsbrief is uitdrukkelijk opgenomen dat verdere overtredingen zullen leiden tot strengere disciplinaire maatregelen, waaronder beëindiging van het dienstverband. Als gewaarschuwd mens had [verzoeker] dus moeten begrijpen dat hij het zich niet meer kon veroorloven om te laat te komen. Dat deze consequentie niet is herhaald in de waarschuwingsbrief van 4 september 2025 maakt dit niet anders. Die tweede waarschuwing ging over de bereikbaarheid van [verzoeker] tijdens ziekte en staat los van de waarschuwing van 30 juli 2025.
4.7.
[verzoeker] heeft niet betwist dat hij op 25 september 2025 zonder bericht van afmelding niet op het werk is verschenen. Hij had die dag om 7.00 uur moeten beginnen en heeft uiteindelijk om 9.45 uur gereageerd op oproepen van [verweerder] , door mevrouw [A] van HR terug te bellen. Wat er in dat telefoongesprek besproken is, is niet helemaal duidelijk. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] gelogen door zowel tegen [A] als tegen zijn leidinggevende te zeggen dat hij van de ander vrij zou hebben gekregen. Zowel [A] als de leidinggevende de heer [B] hebben dat op de mondelinge behandeling nog eens herhaald. Volgens [verzoeker] heeft hij aangegeven dat hij zich had verslapen en heeft hij voorgesteld om daar vrije uren voor te boeken. Wat hier ook van zij, vast staat dat [verzoeker] die dag (wederom) niet op tijd was voor zijn dienst. [verweerder] heeft toegelicht dat dit gedrag heel belastend is voor de collega’s van [verzoeker] . Iedereen heeft het al erg druk en dan moeten de collega’s ook nog eens inspringen voor de te late dan wel afwezige collega. Dat is onacceptabel en dat is [verzoeker] meerdere keren verteld.
4.8.
[verzoeker] heeft als verweer gevoerd dat hij een goede reden had voor zijn afwezigheid op 25 september 2025. Zijn hond was de dag daarvoor gecremeerd en het was die avond laat geworden en emotioneel. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat een dergelijke gebeurtenis emotionele impact heeft, rechtvaardigt dit niet de handelwijze van [verzoeker] . Ook onder die omstandigheden had [verzoeker] er namelijk voor moeten zorgen dat hij op tijd op zijn werk was.
Niet gebleken is overigens dat [verzoeker] [verweerder] voorafgaand aan deze procedure in kennis heeft gesteld van de crematie van zijn hond. [verzoeker] stelt dat dit algemeen bekend was, maar [verweerder] heeft dit op de mondelinge behandeling uitdrukkelijk betwist. Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, is van belang dat er zowel voorafgaand aan het ontslag als daarna telefonisch contact is geweest tussen [verzoeker] en [verweerder] . [verzoeker] is dus in de gelegenheid gesteld te reageren op het door [verweerder] aan hem gemaakte verwijt.
4.9.
Het handelen van [verzoeker] op 25 september 2025 kan [verzoeker] ernstig worden verweten en levert, gelet op de eerder door hem ontvangen waarschuwing, een dringende reden op voor het ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft de op hem rustende verplichting zich tegenover [verweerder] als goed werknemer te gedragen ernstig geschonden. Hij heeft daarmee een zodanige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat [verweerder] in hem moet kunnen stellen, dat van [verweerder] redelijkerwijs niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.10.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op 25 september 2025 rechtsgeldig is geëindigd. De persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] leiden niet tot een ander oordeel. De verzoeken van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet, doorbetaling van loon en toekenning van een aanzegvergoeding worden afgewezen. Ook het verzoek van [verzoeker] om een correcte eindafrekening van vakantiegeld en vakantiedagen wordt afgewezen. De kantonrechter leidt namelijk uit de stukken af dat [verweerder] [verzoeker] al op 23 oktober 2025 een eindafrekening heeft verstrekt van de vakantiedagen en het vakantiegeld tot 25 september 2025.
[verzoeker] heeft geen recht op de transitievergoeding
4.11.
[verzoeker] verzoekt toekenning van de transitievergoeding. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [4]
4.12.
Hiervoor is geoordeeld dat er een dringende reden is voor het ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet betekent niet automatisch dat de werknemer ook geen recht heeft op een transitievergoeding. Maar in dit geval leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen ook ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] op. De kantonrechter verwijst kortheidshalve naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.6 tot en met 4.9. De verzochte transitievergoeding zal daarom worden afgewezen
.
Proceskosten
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en (bij vervroeging) in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
2.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro
3.Artikel 7:678 lid 1 BW Pro
4.Artikel 7:673 BW Pro