Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 1] ,
2.
DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 2],
3.
DE VENNOOTSCHAP NAAR HET RECHT VAN DE BRITSE MAAGDENEILANDEN [gedaagde sub 3],
1.De procedure
- de producties van [eiser] ,
- de verstekverlening tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .
2.De kern van het kort geding
€ 25.000,- voor iedere overtreding te vermeerderen met een dwangsom van € 25.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, en met een maximum van € 500.000,-.
3.De beoordeling
[eiser] heeft niet het in artikel 15 lid 1 Haags Pro betekeningsverdrag 1965 [3] bedoelde bewijs van betekening of kennisgeving van de dagvaarding aan [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] overgelegd, omdat hij dit bewijs nog niet had ontvangen. Uitgangspunt is daarom dat geen verstek kan worden verleend. Dat leidt echter uitzondering als sprake is van een spoedeisend geval zoals bedoeld in artikel 15 lid 3 Haags Pro Betekeningsverdrag 1965 [4] , en voldoende is gewaarborgd dat [gedaagden] de dagvaarding daadwerkelijk heeft bereikt en ook zo tijdig dat zij de mogelijkheid heeft gehad om in dit kort geding verweer te voeren. Van deze uitzondering is in dit geval sprake.
- de advocaat van [eiser] in diezelfde e-mail van 21 januari 2026 [gedaagden] heeft verzocht om verhinderdata voor dit kort geding op te geven,
- [gedaagden] op deze e-mail van 21 januari 2026 heeft gereageerd,
- er geen tussen Nederland en de Britse Maagdeneilanden geldende verdragen zijn die regels over de rechtsmacht geven, en
- geen sprake is van een volkenrechtelijke immuniteit zoals bedoeld in artikel 13a Wet Algemene bepalingen. (zie artikel 1 Rv Pro
artikel 6 onder Pro e Rv. Daarom kan de vaste rechtspraak die door het Europese Hof van Justitie/Hof van Justitie EU is gewezen over de uitleg van de (voorlopers van) artikel 7 lid 2 Brussel Pro I bis een richtsnoer zijn voor de uitleg van artikel 6 onder Pro e Rv. Dit betekent echter niet dat die rechtspraak altijd maatgevend is voor de uitleg van artikel 6 onder Pro e Rv.
a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
a. er een sterk vermoeden is dat is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
b. [gedaagden] over deze gegevens beschikt, en
c. [eiser] door deze weigering niet in staat is om zijn schade in kaart te brengen en in een procedure tegen zijn vermoedelijke oplichter(s) te onderbouwen,
a. er een sterk vermoeden is dat deze gebruiker(s) [eiser] heeft (hebben) opgelicht,
c. het dreigend vrijgeven door [gedaagden] van de zich op dat account bevindende cryptovaluta ertoe leidt dat [eiser] geen of minder verhaalsmogelijkheden heeft op zijn vermoedelijke oplichter(s).
- zowel de rechter van de plaats van de schadeveroorzakende handeling (Handlungsort),
- als de rechter van de plaats waar de door deze handeling direct ontstane schade zich heeft voorgedaan (het “Erfolgsort”).