Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1496

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11969409 \ MC EXPL 25-6221 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding financial leaseovereenkomst en hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatige daad

Eiseres en gedaagde sub 1 zijn een financial leaseovereenkomst aangegaan voor een BMW 1-serie. Gedaagde sub 1 stopte met betalen en leverde de auto niet in, waarna eiseres het volledige leasebedrag opeiste en aangifte deed van verduistering. Eiseres vordert betaling en teruggave van de auto van gedaagde sub 1 en stelt tevens bestuurder gedaagde sub 2 persoonlijk aansprakelijk wegens onrechtmatige daad.

De kantonrechter constateert dat gedaagde sub 1 niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd en verleent verstek. De vorderingen tegen gedaagde sub 1 worden toegewezen, inclusief hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten conform het Besluit. De financial leaseovereenkomst wordt ontbonden.

Ten aanzien van bestuurder gedaagde sub 2 oordeelt de rechtbank dat hij persoonlijk aansprakelijk is omdat hij wist of had moeten weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en de auto onrechtmatig verborgen hield. Zijn verweer wordt verworpen. Hij wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en incassokosten, en tot teruggave van de auto onder dwangsom. Proceskosten worden eveneens aan gedaagden opgelegd.

Uitkomst: De financial leaseovereenkomst is ontbonden en gedaagde sub 1 en bestuurder gedaagde sub 2 zijn hoofdelijk veroordeeld tot teruggave van de auto en betaling van de openstaande bedragen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11969409 \ MC EXPL 25-6221 AW/1583
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn een financial leaseovereenkomst aangegaan voor de financiering van een auto, te weten een BMW 1-serie met kenteken [kenteken] . [gedaagde sub 1] is gestopt met betalen, waarna [eiseres] het totale leasebedrag heeft opgeëist. Omdat [gedaagde sub 1] niet tot betaling is overgegaan en [gedaagde sub 1] evenmin de auto heeft ingeleverd, heeft [eiseres] onderzoeks- en recherchebureau [naam] ingeschakeld. [naam] heeft niet kunnen achterhalen waar de auto is. [eiseres] heeft aangifte van verduistering gedaan. [eiseres] vordert (op grond van de overeenkomst) [gedaagde sub 1] te veroordelen de auto terug te geven en het openstaande leasebedrag te betalen. Zij vordert dit (op grond van een onrechtmatige daad) ook van haar bestuurder, [gedaagde sub 2] , persoonlijk omdat [gedaagde sub 2] de auto verborgen houdt. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe.

3.De beoordeling

De vordering tegen [gedaagde sub 1]
3.1.
Uit de conclusie van antwoord moet worden opgemaakt dat [gedaagde sub 2] mede namens [gedaagde sub 1] is verschenen. Om vast te stellen of [gedaagde sub 2] rechtsgeldig kan vertegenwoordigen is hij in de gelegenheid gesteld om een uittreksel uit de registers van de Kamer van Koophandel toe te sturen. Van [gedaagde sub 2] is geen uittreksel ontvangen. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld of [gedaagde sub 1] in deze procedure rechtsgeldig is vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] is daarmee niet (op de juiste wijze) in de procedure verschenen zodat tegen haar verstek is verleend.
3.2.
De vordering tegen [gedaagde sub 1] komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. De hoofdsom zoals die bij brief van 4 februari 2025 is opgeëist, te weten € 12.022,15, komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.
3.3.
[eiseres] vordert verder € 214,76 aan rente over de periode 28 augustus 2025 tot en met 4 november 2025 en de contractuele rente van 9,37% per jaar over
€ 12.184,32 vanaf 5 november 2025. Verder gaat de kantonrechter ervan uit dat in het bij dagvaarding gevorderde bedrag van € 12.302,71 de rente is begrepen van 4 februari 2025 tot 28 augustus 2025. [eiseres] vordert immers vanaf dat moment de rente apart. Hiermee vordert [eiseres] contractuele rente over alle termijnen. De gevorderde toekomstige termijnen moeten echter worden gezien als schadevergoeding, zodat daarover de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 8 februari 2025. [gedaagde sub 1] is bij brief van 4 februari 2025 gesommeerd om binnen drie dagen tot betaling over te gaan, wat zij niet heeft gedaan, zodat zij in verzuim is geraakt.
3.4.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] stelt dat zij aan haar gemachtigde voor diens werkzaamheden buitengerechtelijke kosten moet betalen, die naar billijk en gebruikelijk (forfaitair) tarief van 15% worden berekend over de in te vorderen som, welk tarief gebruikelijk is en in de algemene voorwaarden ook is overeengekomen. Om die reden specificeert zij de werkzaamheden niet. Het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 2.232,95 inclusief BTW aan buitengerechtelijke kosten komt echter niet overeen met het volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) vastgestelde tarief. [eiseres] vordert de buitengerechtelijke kosten daarnaast ook van [gedaagde sub 2] , met wie [eiseres] geen overeenkomst heeft gesloten. De kantonrechter zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten bepalen aan de hand van het Besluit. Op grond van dit besluit is een vergoeding van € 1.083,22 inclusief BTW redelijk te achten. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
3.5.
[eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij de financial leaseovereenkomst door middel van haar voorwaardelijke ontbindingsverklaring van 4 februari 2025 op 8 februari 2025 heeft ontbonden. De verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden is dan ook toewijsbaar. Dit geldt ook voor de vordering om [gedaagde sub 1] op verbeurte van een dwangsom te veroordelen de auto in te leveren.
De vordering tegen [gedaagde sub 2]
Bevoegdheid Jongejan en Wisseborn en [naam]
3.6.
[gedaagde sub 2] twijfelt allereerst aan de bevoegdheid van Jongejan en Wisseborn Gerechtsdeurwaarders om namens [bedrijf] op te treden. [gedaagde sub 2] verzoekt om een mandaat en/of volmacht. Ook is er sprake van onderhandelingen met [naam] . De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde sub 2] aldus dat er pas tot betaling kan worden overgegaan als de identiteit en aansprakelijkheid duidelijk is.
3.7.
[gedaagde sub 1] heeft een overeenkomst gesloten met [eiseres] . [eiseres] stelt in de dagvaarding dat Jongejan en Wisseborn haar gemachtigde is. Daarmee is Jongejan en Wisseborn gerechtigd om namens [eiseres] op te treden. Ook voor wat betreft [naam] heeft [naam] in haar brief van 31 maart 2025 aan [gedaagde sub 2] aangegeven dat zij optreedt namens [eiseres] . [gedaagde sub 1] is op grond van de overeenkomst gehouden om aan [eiseres] te betalen. [eiseres] kan daarbij aangeven dat er ook aan haar gemachtigden bevrijdend kan worden betaald.
Aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] als bestuurder
3.8.
[eiseres] meent dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst. [gedaagde sub 2] houdt de aan [eiseres] toebehorende auto verborgen zodat het voor haar onmogelijk is om de auto te verkopen en zich op de opbrengst te verhalen. Volgens [eiseres] levert dit een strafbaar feit, namelijk verduistering, op. Ook heeft [gedaagde sub 2] toegelaten, bevorderd, dat [gedaagde sub 1] niet betaalde. [gedaagde sub 2] betwist dat hij persoonlijk aansprakelijk is.
3.9.
Uitgangspunt is dat als een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of als zij een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan echter, naast de vennootschap, ook de bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn. Voor het aannemen van die aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. De hoge drempel voor de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd doordat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. [1]
3.10.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder van een vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als de bestuurder bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, tenzij de bestuurder persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt [2] . Ook kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden als zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van zo’n ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. [3]
3.11.
Het ligt op de weg van [eiseres] als benadeelde crediteur om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] persoonlijk tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld. Hier heeft [eiseres] aan voldaan. Vast is komen te staan dat [gedaagde sub 1] zo ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de financieringsovereenkomst dat [eiseres] gerechtigd was de overeenkomst te beëindigen en de auto op te eisen. [gedaagde sub 1] was in februari 2025 te laat met de betaling van meerdere leasetermijnen, zodat [eiseres] bevoegd was op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden de auto op te vorderen. [eiseres] heeft ook bij [gedaagde sub 2] de auto opgeëist. [gedaagde sub 2] wist, althans behoorde te weten hoe de contractuele bepalingen luidden van de financieringsovereenkomst die hij zelf als bestuurder van [gedaagde sub 1] had gesloten. [gedaagde sub 2] wist dus dat [eiseres] op grond van de algemene voorwaarden bij een betalingsachterstand het recht had de auto op te vorderen. Vanaf het moment dat [gedaagde sub 2] kennis droeg van de opvordering had [gedaagde sub 2] dan ook moeten bewerkstelligen dat de auto aan [eiseres] zou worden afgegeven. [gedaagde sub 2] heeft als verweer aangevoerd dat de auto vanwege zware schade niet ingeleverd kon worden, het dossier met [naam] niet afgesloten was en de garage het voertuig onder zich heeft gehouden vanwege de financiële afwikkeling. Dit blijkt echter nergens uit. Volgens [eiseres] daarentegen is [gedaagde sub 1] met de auto in 2024 bij een garage langs geweest voor een taxatie, maar is de auto daarna ook direct weer meegenomen. Aan het verweer van [gedaagde sub 2] wordt dan ook voorbijgegaan. [gedaagde sub 2] heeft verder volgens [eiseres] de suggestie gewekt dat het voertuig mogelijk in Marokko zou staan. In het licht van de bewering van [gedaagde sub 2] dat de auto zwaar beschadigd is vindt [eiseres] dit merkwaardig. Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat het merkwaardig is dat de auto mogelijk in Marokko zou staan. Hoe kan immers met een zwaar beschadigde auto naar Marokko zijn gereden. Het door [eiseres] ingeschakelde recherchebureau, [naam] , heeft bovendien niet kunnen vaststellen of de auto zich in Marokko bevindt. Van [gedaagde sub 2] had dan ook verwacht mogen worden dat hij hierover helderheid had verschaft. Dat heeft [gedaagde sub 2] niet gedaan. Voor [eiseres] is het dan ook terecht een raadsel waar de auto zich bevindt. Of [naam] het dossier wel of niet heeft afgesloten, zoals [gedaagde sub 2] stelt, doet niet ter zake. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] vanaf 8 februari 2025 wist dat de vennootschap de auto onrechtmatig onder zich had en dus ook wist dat de vennootschap onrechtmatig handelde door de auto niet bij BCA in Barneveld in te leveren. [gedaagde sub 2] is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt. Dat de auto als gestolen staat aangemerkt door [eiseres] maakt dit niet anders.
3.12.
[eiseres] begroot haar schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] op de volledige restschuld, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde sub 2] betwist de vordering, maar onderbouwd zijn betwisting niet, zoals hiervoor reeds is overwogen. Dit betekent dat zijn verweer wordt verworpen en dat [gedaagde sub 2] gehouden is tot betaling van de hoofdsom zoals die is opgeëist bij brief van 4 februari 2025, te weten € 12.022,15.
3.13.
Gelet op het vorenstaande zal [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om € 12.022,15 aan [eiseres] te betalen.
teruggave van de auto
3.14.
Omdat (zowel [gedaagde sub 1] als) [gedaagde sub 2] niet bereid zijn gebleken de auto na aanschrijving bij [eiseres] als rechthebbende eigenaar in te leveren, zullen zij op verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld de auto aan [eiseres] terug te geven.
wettelijke rente
3.15.
Dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] maakt hem niet tot contractspartij van [eiseres] . Daarom is hij niet de overeengekomen rente verschuldigd. De kantonrechter zal hem daarom (hoofdelijk) veroordelen de wettelijke rente vanaf 8 februari 2025 te voldoen.
buitengerechtelijke kosten
3.16.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarop het Besluit van toepassing is, aangezien de grondslag onrechtmatige daad is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. [eiseres] heeft voldoende gesteld dat sprake is van redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. [gedaagde sub 2] moet de incassokosten daarom aan [eiseres] vergoeden. De kantonrechter zal de vordering toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom die wordt toegewezen, namelijk tot € 1.083,22 inclusief BTW.
hoofdelijke veroordeling
3.17.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [gedaagde sub 2] naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk is omdat hij zich als bestuurder onrechtmatig heeft gedragen. Niet weersproken is dat de schade van [eiseres] bestaat uit de totale restschuld, vermeerderd met rente en kosten. De gevorderde hoofdelijke veroordeling zal daarom worden toegewezen als hieronder bepaald.
3.18.
Dat de veroordeling (deels) hoofdelijk wordt uitgesproken betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Proceskosten
3.19.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, zij het op de wijze als hierna vermeld, nu [gedaagde sub 2] in tegenstelling tot [gedaagde sub 1] , verweer heeft gevoerd. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.618,71

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart voor recht dat de financial leaseovereenkomst (huurkoopovereenkomst) is ontbonden,
4.2.
beveelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot teruggave aan [eiseres] van de auto: een BMW 1-serie met kenteken [kenteken] , met sleutels, kentekenbewijzen en hetgeen dat op grond van de huurkoopovereenkomst deel uitmaakt van de auto,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling onder 4.2. voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalende, de ander is bevrijd, tot betaling van een bedrag van € 12.022,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2025 tot de dag van voldoening, dit onder aftrek van de opbrengst van de auto bij verkoop tegen opbod op een publieke veiling en ten overstaan van een openbaar ambtenaar, indien het voertuig wordt ingeleverd,
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.083,22 inclusief BTW,
4.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.618,71,
in die zin dat:
  • [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 1.461,00, de dagvaardingskosten van € 149,71, € 432,00 (1 punt) aan gemachtigdensalaris en € 144,00 aan nakosten;
  • [gedaagde sub 2] daarenboven wordt veroordeeld tot betaling van 432,00 (1 punt) aan gemachtigdensalaris;
te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan de veroordelingen voldoen en het vonnis wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959.
2.Zie onder meer Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521.
3.Zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758.