Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het besluit van het CBR om aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) op te leggen vanwege gevaarlijk rijgedrag op 17 maart 2025. Het CBR baseerde het besluit op een proces-verbaal waarin eiser werd geïdentificeerd als bestuurder van een Seat Ibiza die diverse verkeersovertredingen beging, waaronder het optrekken met piepende banden, rijden over een puntstuk, zijdelings verplaatsen zonder richting aan te geven en rijden met circa 170 km/u.
Eiser betwistte zijn rol als bestuurder en voerde aan dat hij niet degene was die reed, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal en dat de identificatie van eiser als bestuurder voldoende betrouwbaar was, mede gelet op de verklaring van de verbalisant en het aanvullende proces-verbaal.
De rechtbank verwierp ook de betwisting van de snelheid en de overige gedragingen, aangezien de verbalisant deze had vastgesteld tijdens een achtervolging. De sepot van de Mulder-boetes aan de leasemaatschappij en niet aan eiser, en het feit dat eiser niet wilde zeggen wie er wel reed, waren onvoldoende om twijfel te zaaien.
Gelet op deze feiten concludeerde de rechtbank dat het CBR terecht de EMG aan eiser heeft opgelegd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser de cursus moet volgen en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.