Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1521

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
16-199232-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 302 SrArt. 6:106 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling zware mishandeling na steekpartij bij COA Utrecht

Op 30 juni 2025 vond een steekincident plaats in een kamer van het COA in Utrecht waarbij het slachtoffer meerdere snij- en steekverwondingen opliep. De verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag, subsidiair van zware mishandeling. De rechtbank oordeelde dat het primaire feit niet bewezen kon worden verklaard omdat de kans op overlijden niet aanmerkelijk was. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel had toegebracht, gezien de ernst van de verwondingen, de noodzaak van medische behandeling en de blijvende littekens.

De verdachte voerde noodweer aan, stellende dat hij zich verdedigde tegen een aanval van het slachtoffer, maar dit werd door de rechtbank verworpen op basis van inconsistenties in de verklaringen en het sporenbeeld van het forensisch onderzoek. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twaalf maanden op, met aftrek van het voorarrest, en wees een schadevergoeding toe van €10.114,-, bestaande uit materiële en immateriële schade. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met gijzeling bij niet-betaling.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het strafrechtelijk kader voor zware mishandeling met een wapen. De verdachte had geen strafblad, maar verbleef illegaal in Nederland en had een inreisverbod. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 14 april 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor zware mishandeling en betaling van €10.114,- schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-199232-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1978] in [geboorteplaats] (Libië),
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. P. Jansen;
  • de advocaten van de verdachte: mr. D. Schaddelee en S. Pouw (hierna: de verdediging);
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. P. Figge.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 30 juni 2025 in Utrecht [slachtoffer] opzettelijk heeft geprobeerd te doden, door hem meermalen met een mes in zijn gezicht, hals, arm en buik te steken of snijden;
subsidiair:
op 30 juni 2025 in Utrecht [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld;
meer subsidiair:
op 30 juni 2025 in Utrecht [slachtoffer] heeft geprobeerd zwaar te mishandelen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden (het primaire feit).
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de poging doodslag (het primaire feit) en van zware mishandeling (het subsidiaire feit). De verdediging voert geen verweer tegen de poging zware mishandeling (het meer subsidiaire feit).
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, die in bijlage 2 van dit vonnis staan, het volgende vast.
De verdachte heeft de aangever in elk geval driemaal met een mes gesneden/gestoken. De aangever heeft als gevolg daarvan een snee opgelopen aan de rechterzijde van zijn onderbuik van 10 tot 15 centimeter breed en 6 centimeter diep, waarbij de huid was doorkliefd en letsel was ontstaan aan de onderliggende spier. Verder had de aangever (oppervlakkigere) snijletsels aan zijn hals, zij en elleboog. De buikwond moest operatief worden beoordeeld om letsels in de buik uit te sluiten. Vervolgens zijn de buikwond en de wond aan de elleboog gehecht.
Hierna zal de rechtbank nader ingaan op de vraag hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.
3.3.1.
Vrijspraak primaire feit (poging doodslag)
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (poging doodslag) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Niet kan worden bewezen dat de verdachte wilde dat de aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van ‘vol’ opzet op de dood.
Vervolgens is de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangever. Daarvan is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden door het door de verdachte toegedane geweld. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO heeft een forensisch medische letselrapportage (hierna: de LOEF-rapportage) opgesteld. Uit die rapportage volgt dat de kans op overlijden van de aangever door de toegebrachte letsels nagenoeg nihil was. Het letsel was dus op zichzelf niet levensbedreigend. Wel liep het letsel in de hals van de aangever over de oppervlakkige halsslagader en de halsader. Als die aders zouden zijn beschadigd, dan zou een bloeding kunnen optreden die zonder medisch ingrijpen leidt tot overlijden. Met medisch ingrijpen zou er een kans tot 7% zijn op een dodelijke afloop. Als de buikslagader was geraakt, dan zou een kritieke situatie optreden die zonder snel medisch handelen leidt tot overlijden. Met medisch ingrijpen zou de kans op overlijden tot 19% kunnen oplopen.
De rechtbank overweegt als volgt. Het buikletsel betreft een snee van 6 centimeter diep en 10-15 centimeter breed. De letsels zijn toegebracht met een uitschuifbaar stanleymes. Het dossier bevat geen informatie over de grootte van het snijblad van dat mes. Ook is niet bekend hoe ver het mes was uitgeschoven op het moment dat daarmee werd gestoken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat er gevaar is geweest voor een bloeding van de buikslagader. Deze bevindt zich namelijk diep in de buik, bij de ruggenwervel. Het mes had dan eerst de buikwand en de darmen moeten passeren.
Verder is de snijverwonding in de hals oppervlakkig gebleven en heeft de huid niet volledig doorboord. Het wordt door de deskundige beschreven als “krasletsel”. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte gericht in de richting van de hals heeft gestoken of gesneden, en met welke kracht. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de kans op dodelijk letsel aanmerkelijk was.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden en dus van voorwaardelijk opzet op de dood.
3.3.2
Bewezenverklaring subsidiaire feit (zware mishandeling)
Om tot een veroordeling te komen voor zware mishandeling, moet de rechtbank beoordelen of a) sprake is van zwaar lichamelijk letsel en b) of de verdachte ook opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen daarvan.
Zwaar lichamelijk letsel
Van zwaar lichamelijk letsel is onder meer sprake, wanneer letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarbij is onder meer van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. In de beoordeling kan worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan (ECLI:NL:HR:2018:1085). Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit (ECLI:NL:HR:2026:66).
Uit het dossier volgt dat de aangever direct een operatie heeft moeten ondergaan en drie dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven als gevolg van de steekpartij. Verder blijkt dat de aangever in de eerste maand na het oplopen van het letsel tot twee keer toe naar de spoedeisende hulp is gegaan vanwege aanhoudende pijnklachten aan de buikwond en op 28 augustus 2025 is de aangever gezien op de poli traumatologie vanwege aanhoudende pijnklachten en zijn onderhuidse hechtingen verwijderd. Een half jaar na het incident had de aangever nog altijd zichtbare littekens op zijn buik, in zijn zij, op zijn elleboog en in zijn gelaat, lopend van zijn wang tot aan zijn nek.
In dit geval is sprake van verschillende verwondingen en littekens. De rechtbank zal gelet hierop beoordelen of de verwondingen en littekens in hun totaliteit zwaar lichamelijk letsel opleveren. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte aan de aangever toegebrachte letsel, tezamen bezien, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De aangever heeft langere tijd ernstige pijnklachten ervaren aan de buikwond en heeft daarvoor meermaals medische (spoed)hulp moeten inschakelen. Verder is sprake van restschade, in de zin van meerdere blijvende ontsierende littekens, waarvan één zeer groot litteken op de buik en één litteken in het gelaat. Dat maakt dat de aangever elke keer als hij in de spiegel kijkt wordt geconfronteerd met de gevolgen van het incident. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.
De door de verdediging aangedragen omstandigheid dat het letsel in de LOEF-rapportage is geclassificeerd als licht en matig letsel aan de hand van de Abbreviated Injury Score (AIS), maakt het bovenstaande niet anders. De AIS wordt gebruikt om de medische ernst van het letsel in het acute stadium vast te stellen waarbij een inschatting wordt gemaakt van de kans op overlijden, zodat zo nodig kan worden geprioriteerd naar spoedeisendheid. De juridische toets is anders, en daarbij is dus de AIS-score niet doorslaggevend.
Voorwaardelijk opzet
Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft drie keer in de richting van de aangever gestoken/gesneden, terwijl zij op dat moment in een kleine ruimte op korte afstand van elkaar stonden. Gelet op de lengte en diepte van de buikwond moet dat in elk geval op dat moment ook met kracht zijn gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het voorgaande de zware mishandeling (het subsidiaire feit) wettig en overtuigend bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 30 juni 2025 te Utrecht, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn gezicht, hals, arm en buik te steken/snijden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
het subsidiaire feit:zware mishandeling.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
4.2.1.
Beroep op noodweer
De verdachte stelt dat de aangever hem wilde verkrachten en hem eerst heeft aangevallen met het mes. De verdachte heeft zich afgeweerd en daarbij zijn hand verwond. Vervolgens heeft de verdachte het mes van de aangever afgepakt en is het letsel bij de aangever ontstaan.
De verdediging bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging (noodweer).
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt het verweer te verwerpen, omdat het verhaal van de verdachte ongeloofwaardig is en geen steun vindt in het dossier. Daarnaast was het toegepaste geweld met het stanleymes niet proportioneel, omdat na het afpakken van het mes het grootste gevaar al was geweken.
4.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en verwerpt het beroep op noodweer. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De verklaring van de verdachte wordt weerlegd door de bevindingen in het dossier, en dan met name het sporenbeeld dat blijkt uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict (p. 136 e.v.). Daaruit volgt dat in de kamer waarin de steekpartij had plaatsgevonden verschillende bloedsporen zijn aangetroffen bij de wastafel en het douchegedeelte van de kamer, nabij de deur. In de buurt van de stapelbedden en het raam zijn geen bloedsporen gevonden. Het beeld dat de verdachte op zitting heeft geschetst, namelijk dat hij zich door de aangever in een hoek gedreven voelde bij het stapelbed met het raam in zijn rug, vindt dus geen steun in het dossier. De bevindingen van het sporenonderzoek passen nu juist wel bij de verklaringen van de aangever, dat hij bij de wastafel stond op het moment dat hij in zijn buik gestoken werd.
Daar komt bij dat de verdachte meerdere verklaringen heeft afgelegd over het incident, die niet consistent en innerlijk tegenstrijdig zijn. Zo heeft hij bij zijn eerste verklaring bij de politie verklaard dat hij lag te slapen in het bovenste stapelbed. In latere verklaringen verklaart hij juist dat hij op het punt stond te gaan slapen en dat hij met zijn rug naar de aangever toe stond. Als aanleiding geeft de verdachte in zijn eerste verklaring bij de politie, evenals op de zitting, dat de aangever hem wilde verkrachten; in de tweede politieverklaring verklaart de verdachte alleen dat de aangever het niet leuk vond dat hij, verdachte, niet met hem in gesprek wilde. In de tweede politieverklaring verklaart de verdachte dat hij eerst gewurgd werd door de aangever en vervolgens het mes afpakte. Op de zitting heeft de verdachte juist verklaard dat de aangever hem eerst probeerde te steken, waarna hij het mes afpakte en dat daarna de aangever hem bij zijn t-shirt en capuchon pakte (de rechtbank begrijpt: de achterzijde van de kraag van het t-shirt).
Het verweer wordt verworpen.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van het voorarrest (voor poging doodslag).
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt (voor poging zware mishandeling) een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, en wijst op een tweetal uitspraken waarbij kortere gevangenisstraffen zijn opgelegd voor poging zware mishandeling met een stanleymes.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft de aangever aangevallen met een stanleymes en hem tot drie keer toe gestoken in zijn buik, zij en langs zijn nek en gezicht. Als gevolg daarvan heeft de aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een diepe wond in zijn buik met letsel aan de onderliggende spier en meerdere blijvend ontsierende littekens over zijn gelaat en lichaam. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het incident een grote impact heeft gehad. De aangever kampt nog altijd met hevige pijnklachten aan zijn buik en heeft als gevolg van de steekpartij PTSS en angstklachten opgelopen. De littekens herinneren hem elke dag aan het pijnlijke voorval. De aangever voelt zich daarnaast nog altijd in zijn beweging beperkt door het litteken op zijn buik.
De verdachte en de aangever zijn beiden gevlucht voor oorlog en verbleven bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in [plaats] . Het is dan ook extra schrijnend dat juist daar waar de aangever zich veilig had moeten voelen, hij opnieuw werd geconfronteerd met hevig geweld. Ook heeft de steekpartij voor gevoelens van onveiligheid gezorgd bij medewerkers en overige bewoners van het COA.
Het is onduidelijk gebleven wat de precieze aanleiding was voor de uitbarsting van geweld. De verdachte en de aangever kenden elkaar nauwelijks; zij waren pas een paar dagen kamergenoten. Ongeacht de reden voor de ruzie, is de reactie van de verdachte volstrekt buitensporig geweest. Voor dergelijk geweld bestaat geen enkele rechtvaardiging.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij als alleenstaande uit Libië is gevlucht, nadat alles hem was afgenomen door een gewapende militie. Hij was ruim een half jaar in Nederland op het moment van de steekpartij en verbleef nog geen week bij het COA in [plaats] . In september 2025 is de asielaanvraag van de verdachte afgewezen, wat betekent dat hij op het moment dat hij vrij komt het land kan worden uitgezet. Tevens is aan de verdachte een inreisverbod voor Nederland opgelegd voor de duur van twee jaren. De verdachte wil niet terug naar Libië, vanwege de eerdere problemen en zou graag een toekomst opbouwen in Nederland. De verdachte heeft in Nederland geen familie of vrienden.
De verdachte zit tot aan de datum van uitspraak 289 dagen in voorarrest. Verder blijkt uit de justitiële documentatie dat de verdachte in Nederland niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit geldt niet als strafverminderend, want een blanco strafblad is de norm.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen, is zeven maanden gevangenisstraf als dat middelzwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, en een jaar gevangenisstraf bij zeer zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de verdachte meermaals heeft gestoken, waarbij meerdere middelzware tot zware letsels zijn ontstaan. Ook weegt de rechtbank mee dat de aangever tot aan de dag van vandaag last heeft van de letsels, zowel fysiek als mentaal. Ook weegt voor de rechtbank zwaar dat de steekpartij heeft plaatsgevonden op de kamer bij het COA waar de aangever en de verdachte verbleven, een plek waar de aangever zich nu juist veilig had moeten voelen.
De ernst van het feit maakt dat geen andere straf passend is dan een gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen reden een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen, ook omdat de verdachte geen rechtmatige verblijfsstatus meer heeft in Nederland.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van twaalf maanden op, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank komt tot een vrijspraak voor poging doodslag (het primaire feit).
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.114,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 114,- voor vergoeding van materiële schade en € 20.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit een vergoeding per dag dat de benadeelde partij in het ziekenhuis heeft gelegen, namelijk drie dagen tegen een bedrag van € 38,- per dag.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie eist de volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair verzoekt de verdediging maximaal € 2.500,- aan immateriële schade toe te wijzen, omdat het letsel volgens het LOEF-rapport wordt geclassificeerd als licht tot matig en omdat de bij de vordering gevoegde uitspraken niet vergelijkbaar zijn.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Zoals hierboven onder 3.3.2 ook al uitvoerig omschreven, bestaat het lichamelijk letsel uit een viertal snijverwondingen op de buik, zij, elleboog en het gelaat, die blijvende littekens tot gevolg hebben gehad. Met name het letsel op de buik, waarbij ook letsel aan de onderliggende buikspier is ontstaan, heeft veel pijn veroorzaakt en de benadeelde partij beperkt in zijn beweging. De advocaat heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij door de huisarts en chirurg is doorgestuurd naar de pijnpolikliniek, om te onderzoeken of de pijnklachten die hij nog steeds ervaart aan zijn buik mogelijk worden veroorzaakt door zenuwpijn.
Uit de vordering volgt dat de benadeelde partij naast het lichamelijk letsel ook psychische klachten heeft overgehouden aan het incident. De benadeelde partij ondergaat op dit moment een EMDR-behandeling voor PTSS-klachten als gevolg van de steekpartij. De benadeelde ervaart nog angst- en slaapklachten.
De uitspraken waaraan is gerefereerd in de vordering, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met het onderhavige geval. In die zaken was telkens sprake van levensgevaar, waarvan in dit geval (gelukkig) geen sprake was. De uitspraken waaraan de verdediging heeft gerefereerd zijn evenmin vergelijkbaar, omdat in die uitspraken sprake was van een onvoldoende onderbouwde vordering of eigen schuld. Ook blijkt niet dat in die door de verdediging aangehaalde uitspraken sprake was van psychische schade. Dat is in onderhavige zaak anders.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,- voor de immateriële schade billijk is. De rechtbank heeft daarbij gelet op bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
In totaal wijst de rechtbank dus een bedrag van € 10.114,- toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 juni 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskostenveroordeling
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De proceskosten worden geschat op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.114,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de wetsartikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
-

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primaire feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstrafvan
twaalf maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding
  • wijst de vordering van [slachtoffer]
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 10.114,- te betalen, bestaande uit € 114,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Bijlage 1: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn gezicht, hals, arm en/of buik, althans in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn gezicht, hals, arm en/of buik, althans in het lichaam, te steken/snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen met een mes in zijn gezicht, hals, arm en/of buik, althans in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage 2: Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 1 juli 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 30 juni 2025 zag ik dat mijn kamergenoot [verdachte] iets onder zijn kussen vandaan pakte. Ik zag dat hij mij aanviel en dat hij op mij instak. Ik zag toen dat hij een mes in zijn handen had. Ik voelde een stekende pijn in mijn zij, buik en arm. Ik zag dat ik hevig aan het bloeden was. [2]
2.
Het proces-verbaal van verhoor van de aangever [slachtoffer] als getuige bij de rechter-commissaris op 18 februari 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Hij stak mij in mijn buik. Ik draaide me om en toen stak hij mij in mijn linkerarm. Hij stak mij voor een derde keer in mijn nek onder mijn linkeroor.
De getuige laat zijn litteken in de nek zien. [3]
3.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 maart 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik heb hem aangeraakt met een mes. Ik zag dat hij aan het bloeden was. Het is een kleine kamer.
4.
Een brief van het verpleegkundig team Traumachirurgie van het UMC Utrecht van 1 juli 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Naam: [slachtoffer] , geboren [1983]
Trauma steekverwonding met als gevolg:
1. Laceratie 10-15 cm abdomen rechts, diepte ongeveer 6 cm
2. Laceratie aangezicht links
3. Laceratie thorax links
4. Laceratie elleboog links. [4]
5.
Een deskundigenrapport, te weten de forensisch medische letselrapportage, opgesteld door T. Gelderman, forensisch arts en H. Stigter, forensisch arts en NRGD-geregistreerd rapporteur van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) van 18 december 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Letselbeschrijving
3) Op de foto voor behandeling bevindt zich vanaf de linkerwang tot op de behaarde hoofdhuid een scherp begrensde, licht gebogen, horizontaal verlopende, lijnvormige huiddoorbreking van geschat 20x0,2cm. Hieronder bevindt zich bloed. Het letsel toont een wisselende diepte.
6) Op de foto voor behandeling bevindt zich op de rechterzijde van de onderbuik een scherp begrensde huiddoorklieving van geschat 10cm lang met gladde wondranden. Onderliggend vetweefsel is zichtbaar. Op een later gemaakte foto is het letsel gehecht en is er sprake van diffuus verspreide en omliggende, matig tot onscherp begrensde blauw-paarse huidverkleuringen, variërend in grootte van geschat 1x0, 5cm tot 3x1,5cm.
8) Op de romp bevindt zich een scherp begrensde, diagonaal verlopende, lijnvormige huiddoorbreking van geschat 10x0,2cm met wisselende diepte. [5]
Medische informatie
Betrokkene werd op 30-06-2025 beoordeeld op de spoedeisende hulp van het UMCU. Bij lichamelijk onderzoek werd letsel in het gelaat, een letsel aan de linkerzijde van de borst, een 'steekwond' in de buik (ca. 10-15cm lang met letsel van de onderliggende spier) en letsel aan de elleboog gezien. Betrokkene werd direct overgeplaatst naar de operatiekamer alwaar de buikwond verder werd onderzocht. De buikwond en het letsel aan de linker elleboog werden gehecht. Betrokkene werd opgenomen op de afdeling traumachirurgie. [6]
6.
De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 31 maart 2026, te weten:
Op de foto’s die bij de vordering benadeelde partij zijn gevoegd als bijlage 3 (pagina 24 tot en met 28) is te zien dat het slachtoffer een litteken heeft lopend van zijn wang naar zijn nek, een litteken in zijn zij, een litteken op zijn buik en een litteken op zijn linkerarm. De rechtbank hoort de advocaat van de benadeelde partij zeggen dat de foto’s in januari 2026 zijn gemaakt.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnummer MD4R025074/31ROOD25, doorgenummerd pagina 1 tot en met 226. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.pagina 10 en 11, bovenaan.
3.Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris, blad 3, bovenaan.
4.Een geschrift, te weten een brief van het verpleegkundig team Traumachirurgie van het UMC Utrecht van 1 juli 2025, achter de vordering benadeelde partij gevoegd als bijlage 1, pagina 15.
5.pagina 199 en 200.
6.pagina 200 en 201.