Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2023 (UTR 24/2670)
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2024 (UTR 25/1953)
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2025 (UTR 25/5910)
Beroepsgronden
.De beroepsgrond slaagt niet.
bestuursorgaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een dwangsom vanwege het niet op tijd uitspraak doen door de rechtbank geen sprake kan zijn. De rechtbank vat het verzoek van eiser op als een verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Bij brief van 3 maart 2026 heeft eiser hier ook om verzocht.
€ 1.187.500,-. Het verschil tussen de initieel vastgestelde waarde en de bepleite waarde is
€ 352.500,-. Het financiële belang bestaat uit het verschil in hoogte van de aanslag voor zover deze berekend zijn op basis van de WOZ-waarde. De WOZ-waarde dient als heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting (0,0857 % over € 352.500,- is € 302,09) en de watersysteemheffing (0,02092 % over € 352.500,- is € 73,74). Dit is opgeteld minder dan de bagatelgrens van € 1.000,-.
12 maart 2025. De redelijke termijn is dus met twaalf maanden overschreden. Dit sluit aan bij overweging 3.4.3 waaruit volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
€ 1.392.000,-, naar waardepeildatum 1 januari 2022;