RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
zaaknummers: UTR 24/2670, UTR 25/1953 en UTR 25/5910
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] ,uit [plaats] , gemeente [gemeente] , eiser,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. P.E. Boersma).
1.1 In de beschikkingen van 28 februari 2023, 29 februari 2024 en 25 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [plaats] , gemeente [gemeente] (de woning), als volgt vastgesteld:
Belastingjaar
WOZ-waarde
Zaaknummer
2023
€ 1.540.000,-
UTR 24/2670
2024
€ 1.516.000,-
UTR 25/1953
2025
€ 1.399.000,-
UTR 25/5910
1.2 Bij deze beschikkingen heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
1.3 Eiser is tegen de beschikkingen in bezwaar gegaan. In de uitspraken op bezwaar van 28 februari 2024 en 2 september 2025 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser over de belastingjaren 2023 en 2025 ongegrond verklaard en de WOZ-waarden van de woning gehandhaafd. In de uitspraak op bezwaar van 27 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser over het belastingjaar 2024 gegrond verklaard en heeft hij de WOZ-waarde van de woning verlaagd naar € 1.353.000,-.
1.4 Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft verweerschriften met taxatiematrices ingediend.
1.5 De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. Eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.
2. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
3. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
4. De woning is een in 2002 gebouwde vrijstaande woning met een dakkapel, een vrijstaande garage van 39 m², een voorraadkelder van 11 m² en een zolder van 53 m². De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 265 m² en ligt op een perceel van 1.340 m².
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2023 (UTR 24/2670)
5. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2022. Met de brief van 12 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de vastgestelde waarde geen stand kan houden en moet worden verlaagd naar € 1.392.000,-. Eiser heeft hierin geen reden gezien zijn beroep in te trekken. De heffingsambtenaar bepleit in beroep de verlaagde waarde van € 1.392.000,-. Eiser bepleit een lagere waarde van
€ 1.187.500,-.
6. Nu de heffingsambtenaar de door hem in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde niet langer handhaaft is het beroep in deze zaak gegrond en moet de uitspraak op bezwaar in zoverre worden vernietigd. Omdat eiser ook de door de heffingsambtenaar in beroep verdedigde waarde van € 1.392.000,- bestrijdt, zal de rechtbank beoordelen of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarde niet te hoog is
7. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vier verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 22 maart 2022 voor € 1.910.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 11 oktober 2022 voor € 1.370.000,-;
- [adres 4] , verkocht op 18 juni 2021 voor € 1.600.500,-;
- [adres 5] , verkocht op 8 september 2021 voor € 1.235.000,-.
8. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de in beroep voorgestelde waarde van de woning niet te hoog is. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen zijn die in [plaats] liggen en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat met het waardevoorstel van € 1.392.000,- in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woningen ten aanzien van onder andere de staat van onderhoud, het voorzieningenniveau en de ligging. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woningen en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen woning is het beroep van eiser in deze zaak gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd. De rechtbank stelt de waarde van de woning aan de [adres 1] in [plaats] op waardepeildatum
1 januari 2022 vast op € 1.392.000,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Verder heeft eiser geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding. De rechtbank gaat hier vanaf rechtsoverweging 21 op in.
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2024 (UTR 25/1953)
11. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2023. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de verlaagde waarde van
€ 1.353.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 1.215.000,-.
12. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 22 maart 2022 voor € 1.910.000,-;
- [adres 6] , verkocht op 20 oktober 2022 voor € 1.760.000,-;
- [adres 7] , verkocht op 10 mei 2023 voor € 1.560.000,-.
13. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met deze taxatiematrix en de toelichting die ter zitting is gegeven ook voor dit belastingjaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar gelet op het voorgaande de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen reeds in overweging 8 is weergegeven.
Overwegingen ten aanzien van belastingjaar 2025 (UTR 25/5910)
14. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2024. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van
€ 1.399.000,-. Eiser bepleit een waarde van € 1.245.110,-.
15. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 8] , verkocht op 12 november 2024 voor € 1.310.000,-;
- [adres 9] , verkocht op 6 november 2024 voor € 2.240.000,-;
- [adres 10] , verkocht op 29 oktober 2024 voor € 1.580.000,-.
16. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met deze taxatiematrix en de toelichting die ter zitting is gegeven ook voor dit belastingjaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar gelet op voorgaande de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen reeds in overweging 8 is weergegeven.