Eiser is per 7 februari 2024 verhuisd van gemeente Bunnik naar een adres buiten deze gemeente. De heffingsambtenaar legde op 29 februari 2024 diverse belastingen op, waaronder onroerendezaakbelasting, rioolheffing, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing, met een totaalbedrag van €1.572,25. Vanwege de verhuizing werden enkele belastingen ambtshalve verminderd, maar eiser vond de aanslag nog te hoog gezien zijn korte verblijf van zes weken in de gemeente.
Eiser ging in bezwaar tegen de aanslag, maar dit bezwaar werd op 3 mei 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank behandelde de zaak op 4 maart 2026 en oordeelde dat de onroerendezaakbelasting en watersysteemheffingen zogenoemde 'tijdstip'-belastingen zijn, waarbij de schuld ontstaat op 1 januari en niet wordt aangepast bij verhuizing gedurende het jaar.
De rioolheffing, afvalstoffenheffing en zuiveringsheffing zijn 'tijdvak-belastingen met tijdstipbepaling' en werden correct ambtshalve verminderd naar het tijdvak waarin eiser daadwerkelijk in de gemeente woonde. De rechtbank concludeerde dat de aanslag in overeenstemming is met de geldende verordeningen en zag geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, eiser kreeg geen gelijk, geen teruggaaf van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 3 april 2026.