Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1538

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/3677
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening Onroerendezaakbelasting gemeente Bunnik 2024Verordening Rioolheffing gemeente Bunnik 2024Verordening Afvalstoffenheffing gemeente Bunnik 2024Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen belastingaanslagen na verhuizing binnen gemeente Bunnik

Eiser is per 7 februari 2024 verhuisd van gemeente Bunnik naar een adres buiten deze gemeente. De heffingsambtenaar legde op 29 februari 2024 diverse belastingen op, waaronder onroerendezaakbelasting, rioolheffing, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing, met een totaalbedrag van €1.572,25. Vanwege de verhuizing werden enkele belastingen ambtshalve verminderd, maar eiser vond de aanslag nog te hoog gezien zijn korte verblijf van zes weken in de gemeente.

Eiser ging in bezwaar tegen de aanslag, maar dit bezwaar werd op 3 mei 2024 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank behandelde de zaak op 4 maart 2026 en oordeelde dat de onroerendezaakbelasting en watersysteemheffingen zogenoemde 'tijdstip'-belastingen zijn, waarbij de schuld ontstaat op 1 januari en niet wordt aangepast bij verhuizing gedurende het jaar.

De rioolheffing, afvalstoffenheffing en zuiveringsheffing zijn 'tijdvak-belastingen met tijdstipbepaling' en werden correct ambtshalve verminderd naar het tijdvak waarin eiser daadwerkelijk in de gemeente woonde. De rechtbank concludeerde dat de aanslag in overeenstemming is met de geldende verordeningen en zag geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, eiser kreeg geen gelijk, geen teruggaaf van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 3 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de belastingaanslagen wordt ongegrond verklaard en de aanslagen worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3677

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. P.E. Boersma).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 29 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiser de volgende belastingen opgelegd:
Belastingsoort
Bedrag
Onroerendezaakbelasting eigenaar
€ 540,43,-
Rioolheffing gebruik
€ 253,44,-
Afvalstoffenheffing
€ 373,00,-
Watersysteemheffing gebouwd
€ 96,74,-
Watersysteemheffing ingezetenen
€ 110,31,-
Zuiveringsheffing
€ 198,33,-
Totaal aanslagbedrag:
€ 1.572,25,-
1.2
Bij brief van 29 februari 2024 zijn, vanwege een verhuizing van eiser, door de heffingsambtenaar onderstaande belastingen ambtshalve verminderd:
Belastingsoort
Vermindering
Zuiveringsheffing
€ 165,28,-
Afvalstoffenheffing
€ 310,83,-
Rioolheffing gebruik woning
€ 211,20,-
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
3 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
1.3
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

2. Eiser voert aan dat hij per 7 februari 2024 is verhuisd van [plaats] , gemeente Bunnik, naar buiten de gemeente Utrecht. De aanslag voor een heel jaar bedroeg € 1.572,-. Na de ambtshalve vermindering bedraagt de aanslag nog € 884,94,-. Dit is meer dan de helft van het oorspronkelijke bedrag, terwijl eiser slechts zes weken in de gemeente Bunnik heeft gewoond. Eiser heeft het idee dat dit niet klopt.
3. De heffingsambtenaar stelt dat de onroerendezaakbelasting, de watersysteemheffing gebouwd en de watersysteemheffing ingezetenen zogenoemde ‘tijdstip’-belastingen zijn. Dit betekent dat de belastingschuld ontstaat op 1 januari 2024 in volle omvang voor het gehele (kalender)jaar. Wijzigingen na 1 januari, zoals een verhuizing, hebben geen invloed op de hoogte van het belastingbedrag. Om die reden zijn en worden deze heffingen niet verlaagd. De rioolheffing voor het gebruik, afvalstoffenheffing en de zuiveringsheffing zijn zogenoemde ‘tijdvak-belastingen met een tijdstipbepaling’. Bij deze belastingen wordt wel rekening gehouden met wijzigingen in de loop van het (kalender)jaar. Dat is in dit geval ook gebeurd. Eiser is volgens de Basisregistratie personen per 7 februari 2024 verhuisd naar een woning buiten de gemeente Bunnik en buiten het beheersgebied van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden. Om die reden is (ambtshalve) besloten de rioolheffing, de afvalstoffenheffing en de zuiveringsheffing terug te brengen naar een tijdvak van twee maanden, te weten januari en februari 2024. Daarmee wordt recht gedaan aan het tijdvak gedurende welke eiser in de gemeente Bunnik heeft gewoond.
4. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn standpunt en stelt verder vast dat de aanslag in overeenstemming met de Verordening Onroerendezaakbelasting gemeente Bunnik 2024, Verordening Rioolheffing gemeente Bunnik 2024, Verordening Afvalstoffenheffing gemeente Bunnik 2024, Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024 en de Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024 aan eiser is opgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de bestreden uitspraak te vernietigen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.