ECLI:NL:RBMNE:2026:1546

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/1616
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet volledig betaald griffierecht ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de eerdere uitspraak van 14 november 2025, waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet volledig betalen van het griffierecht.

Opposante stelde dat zij op 5 april 2025 een bedrag van €50,- had overgemaakt, maar per abuis niet het volledige bedrag van €53,-. De rechtbank stelde vast dat op 31 maart 2025 een herinneringsnota per aangetekende brief was verzonden, waarin duidelijk werd vermeld dat het griffierecht binnen vier weken betaald moest worden en dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid zou leiden.

De rechtbank concludeerde dat opposante geen geldige reden had gegeven voor het niet voldoen van het volledige griffierecht en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 14 november 2025 bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet volledig betaald griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1616-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 op het verzet van

[opposante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. A. Yüksel),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van verweerder van 16 januari 2025.
In de uitspraak van 14 november 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 november 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2025 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2025 niet juist, omdat opposante op 5 april 2025 het bedrag van €50,- heeft overgemaakt. Vervolgens heeft opposante aangegeven dat zij per abuis €50,- heeft overgemaakt in plaats van €53,-.
4. De rechtbank stelt vast dat op 31 maart 2025 de herinneringsnota van het griffierecht, per aangetekende brief, is verstuurd aan opposante. In deze brief staat dat zij het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. In de brief is tevens vermeld dat als niet betaald wordt, opposante het risico loopt dat zijn beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard.
Uit de track en tracé van deze aangetekende brief blijkt dat de brief op 2 april 2025 is bezorgd en is getekend voor ontvangst. Nu opposante geen geldige reden heeft gegeven waarom zij heeft nagelaten het volledige griffierecht te voldoen heeft de rechtbank haar terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep.
5. In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om een anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.