Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1559

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/16/548201 / HA ZA 22-588
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundigen voor vaststelling kansschade door niet-aanbesteden concessies buitenreclame

In deze civiele procedure tussen diverse partijen, waaronder NS Stations en JCDecaux, heeft de rechtbank Midden-Nederland een tussenvonnis gewezen waarin de benoeming van deskundigen wordt geregeld voor het vaststellen van kansschade. Deze schade is ontstaan doordat NS Stations de aanbesteding van twee concessies voor buitenreclame en digitale reclame op stations niet heeft uitgevoerd.

De rechtbank benoemt twee deskundigen: één met een sterk rekenkundig profiel en één met ruime ervaring in economisch marktonderzoek. Zij zullen de schade begroten die JCDecaux en andere partijen lijden door het verlies van de kans om de Global concessie en de Ngage concessie gegund te krijgen. De deskundigen moeten zich baseren op de feitelijke uitvoering van de concessies door de huidige houders en diverse financiële en operationele uitgangspunten.

De rechtbank legt de procedurele kaders vast, waaronder het verstrekken van het procesdossier door NS Stations, de communicatie tussen deskundigen en partijen, en de verplichting van partijen om mee te werken. Tevens wordt bepaald dat NS Stations het voorschot op de kosten van de deskundigen betaalt. Na ontvangst van het deskundigenrapport kunnen partijen zich uitlaten, waarbij bepaalde partijen zich alleen mogen uitlaten over de Ngage concessie.

De beslissing tot vaststelling van de schade wordt aangehouden totdat het deskundigenonderzoek is afgerond. De rechtbank wijst erop dat het onderzoek onder leiding staat van de voorzitter van de meervoudige kamer en dat de deskundigen zich moeten houden aan de geldende gedragscodes.

Uitkomst: De rechtbank benoemt twee deskundigen voor het vaststellen van de kansschade en houdt verdere beslissing over de schadebegroting aan.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/548201 / HA ZA 22-588
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] B.V.,

te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
eisende partijen,
advocaten: mrs. M.A. Jacobs en L. Bozkurt te Rotterdam,
tegen

1.NS STATIONS B.V.,

te Utrecht,
hierna te noemen: NS Stations,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. J.S. Kortmann en N.E.E. Biesheuvel te Amsterdam,
in welke zaak zich aan de kant van NS Stations heeft gevoegd:GLOBAL MEDIA & ENTERTAINMENT B.V.,
te Amsterdam,
hierna te noemen: Global,
advocaten: mrs. T.M. Sweerts en L.M. Kievits te Amsterdam,
en in welke zaak door NS Stations als derden zijn opgeroepen:1.
JCDECAUX NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
hierna te noemen: JCDecaux,
advocaat: mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,
2.
[betrokkene 2] B.V, TOT 13 MEI 2025 GENAAMD [betrokkene 2] B.V.,
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [betrokkene 2] ,
advocaat: mr. M. Teekens te Leiden,

3.[betrokkene 3] B.V.,

te [plaats 4] ,
hierna te noemen: [betrokkene 3] ,
advocaten: mrs. M.A. Jacobs en L. Bozkurt te Rotterdam.

1.Inleiding

1.1
Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 17 april 2024 zoals dat verbeterd is in het vonnis van 10 juli 2024 (hierna samen te noemen: het tussenvonnis van 17 april 2024), en het tussenvonnis van 3 december 2025.
1.2
In het tussenvonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank beslist dat
NS Stations aansprakelijk is tegenover:
a. JCDecaux en [betrokkene 2] voor het verlies van de kans om de concessie voor het exclusief exploiteren van (analoge en digitale) buitenreclame op alle stations in Nederland (door de rechtbank aangeduid als: de Global concessie) [1] gegund te krijgen,
b. JCDecaux, [betrokkene 2] , [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] voor het verlies van de kans om de concessie voor het exclusief exploiteren van digitale reclame op grote LED schermen (ook wel “Digital Walls” genoemd) op de vier grote stations in Nederland (door de rechtbank aangeduid als: de Ngage concessie) [2] gegund te krijgen.
1.3
In het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank beslist dat het beroep van NS Stations op verjaring niet op gaat.
1.4
In dit tussenvonnis gaat het om benoeming van de door de rechtbank in het tussenvonnis aangekondigde deskundigen. Die benoeming heeft helaas geruime tijd op zich laten wachten, omdat het moeilijk was om (geschikte) deskundigen te vinden. De rechtbank heeft in het tussenvonnis aangekondigd dat zij drie deskundigen uit verschillende disciplines wilde benoemen. Het is de rechtbank en partijen niet gelukt om een deskundige met concrete ervaring en deskundigheid op de markt voor buitenreclame te vinden. Partijen hebben de rechtbank op de rolzitting van 24 december 2025 eenstemmig verzocht om over te gaan tot benoeming van twee deskundigen. De rechtbank stemt met dat verzoek in.

2.2 Het bevelen van het deskundigenonderzoek en het benoemen van de deskundigen

Deskundigen voor begroting van schade2.1 Er zal in dit vonnis een deskundigenonderzoek worden bevolen. Er zullen twee deskundigen worden benoemd voor de begroting van de schade:
1. die JCDecaux en [betrokkene 2] lijden door het verlies van de kans om de Global concessie gegund te krijgen,
2. die JCDecaux, [betrokkene 2] , [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] lijden door het verlies van de kans om de Ngage concessie gegund te krijgen.
De te benoemen deskundigen2.2 Er zullen twee deskundigen worden benoemd. Het gaat om:
  • één deskundige met een sterk algemeen rekenkundig profiel (categorie 1), en
  • één deskundige met ruime ervaring op toegepaste economisch marktonderzoek
(categorie 2).
2.3
Benoemd worden:
1. de heer [A] , werkzaam bij BDO (categorie 1) en
2. de heer [B] , [functie] van Atlas Research (categorie 2).
De heer [A] wordt verzocht om de regie te nemen.
Allebei de deskundigen hebben aan de griffier van de rechtbank laten weten als deskundige te kunnen optreden.
Uitgangspunten die bij de beantwoording van de vragen in acht moeten worden genomen2.4 De deskundigen moeten bij de beantwoording van de hierna te noemen vragen de volgende uitgangspunten in acht nemen:
1. voor de begroting (berekening) van de schade zijn van belang:
a. de omzetwaarde die gemoeid zou zijn geweest met de niet-aanbestede concessie, b. de omvang van de afdracht en de gegarandeerde minimumafdracht, c. de operationele kosten (inclusief de kosten van overhead),
d. de financieringslast (rentelast) in verband met het werkkapitaal en de voorfinanciering van de afdracht, en e. de invloed van Covid,
(zie rechtsoverweging 4.55 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
2. om de omzetwaarde (zie hiervoor onder 1.a.) in de hypothetische scenario’s vast te stellen, moet worden aangesloten bij de feitelijke situatie. Bepalend is hoe in de praktijk Global de Global concessie en Ngage de Ngage concessie hebben uitgevoerd (zie rechtsoverweging 4.58 van het tussenvonnis van 17 april 2024),
3. de eigendom van en dus ook het risico voor de reclamedragers/digital walls zou bij NS Stations hebben gelegen,
4. groeischade komt niet voor vergoeding in aanmerking (zie 4.56 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
De aan de deskundigen voor te leggen vragen voor de begroting van de schade die wordt geleden door het verlies van de kans om de Global concessie gegund te krijgen
2.5
Het gaat bij dit deskundigenonderzoek om de begroting van de schade die wordt geleden door het verlies van de kans om de concessie voor het exclusief exploiteren van (analoge en digitale) buitenreclame op alle stations in Nederland (de Global concessie) te exploiteren. Deze schade moet worden begroot over de periode vanaf 1 januari 2012 tot
1 januari 2023 (zie rechtsoverweging 4.51 en 4.52 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
Hoofdvraag:
Wat is de nettowinst of het nettoverlies (vóór vennootschapsbelasting effecten) die zou zijn gerealiseerd door de hypothetisch winnende inschrijver van de Global concessie in de periode tussen 1 januari 2013 tot 1 januari 2023?
Deelvragen:
1. a. Wat is naar uw beste weten de bruto-omzet die de hypothetische winnende inschrijver van de Global concessie in de periode vanaf 1 januari 2013 tot 1 januari 2023 met de Global concessie zou hebben gerealiseerd? U moet daarbij uitgaan van hoe Global daadwerkelijk in de praktijk de Global concessie in de periode vanaf 1 januari 2013 tot 1 januari 2023 heeft uitgevoerd. Er moet daarbij worden uitgegaan van: 1. het werkelijk aantal reclamedragers en vlakken, 2. de werkelijke vlakratio, 3. de werkelijke bezettingsgraad van de reclamedragers, en 4. de werkelijke vervanging van analoog naar digitaal, Global zal de deskundigen hierover met stukken onderbouwd moeten voorlichten (zie rechtsoverweging 4.58 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
b. Hoe bent u tot deze bruto-omzet gekomen?
2. a. Wat zijn naar uw schatting (zo nodig op basis van onderzoek): 1. het afdracht percentage, en 2. de gegarandeerde minimumafdracht, die door de winnende inschrijver van de Global concessie in 2013 in de hypothetische aanbesteding van de Global concessie (in concurrentie) zou zijn geboden, waarbij het gunningscriterium de beste prijs is, dat wil zeggen de meest gunstige combinatie van afdracht percentage en minimumafdracht? b. Hoe bent u tot deze schatting van het afdracht percentage en de gegarandeerde minimumafdracht gekomen?
3. a. Wat is naar uw beste weten de omvang van de: 1. operationele kosten inclusief de kosten voor overhead, en 2. financieringslasten (rentelasten), die een redelijk ondernemende concessiehouder zou hebben gehad voor de exploitatie van de Global concessie? Benadrukt wordt dat u daarbij geen acht mag slaan op de ondernemingen van JCDecaux en [betrokkene 2] van wie de kans verloren is gegaan (zie rechtsoverweging 4.60 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
b. Hoe bent u tot deze bedragen gekomen? c. Kunt u toelichten waarom volgens u “een redelijk ondernemende concessiehouder” deze kosten en lasten zou hebben gehad?
4. a. Wat is naar uw beste weten de netto-omzet (omzet na aftrek van bijvoorbeeld surcommissies (credits), verleende kortingen aan reclamebureaus, schaalvoordelen van de concessiehouder en eventuele andere afdrachten) die in het algemeen een redelijk ondernemende concessiehouder met inachtneming van de bedragen genoemd onder deelvraag 3 zou hebben kunnen realiseren gedurende de looptijd van de Global concessie van 1 januari 2013 tot 1 januari 2023?
b. Hoe bent u tot deze netto-omzet gekomen?
c. Kunt u toelichten waarom volgens u “een redelijk ondernemende concessiehouder” deze netto-omzet zou hebben kunnen realiseren?
5. a. Hoeveel (financiële) impact zou de uitbraak van de Covid-pandemie vanaf maart 2020 tot 1 januari 2023 hebben gehad op de bruto-omzet van deelvraag 1 als het risico voor:
1. 100% bij de concessiehouder blijft, 2. 100% bij NS Stations blijft, en 3. 50% bij de concessiehouder en voor 50% bij NS Stations blijft? b. Hoeveel (financiële) impact zou de uitbraak van de Covid-pandemie vanaf maart 2020 tot 1 januari 2023 hebben gehad op de netto-omzet van deelvraag 4 als het risico voor: 1. 100% bij de concessiehouder blijft, 2. 100% bij NS Stations blijft, en 3. 50% bij de concessiehouder en voor 50% bij NS Stations blijft? c. Kunt u voor iedere berekening toelichten hoe u daartoe bent gekomen?
6. Zijn er naar uw deskundige mening nog andere aspecten van belang voor de beantwoording van de hoofdvraag en/of de deelvragen?
Zo ja, welke aspecten zijn dat dan, en welk effect heeft dat op de beantwoording van de hoofdvraag en kunt u dit toelichten?
De aan de deskundigen voor te leggen vragen voor de begroting van de schade die wordt geleden door het verlies van de kans om de Ngage concessie gegund te krijgen
2.6
Het gaat bij dit deskundigenonderzoek om de begroting van de schade die wordt geleden door het verlies van de kans om de concessie voor het exclusief exploiteren van digitale reclame op grote LED schermen (ook wel “Digital Walls” genoemd) op de vier grote stations in Nederland (de Ngage concessie). Deze schade moet worden begroot over de periode vanaf 1 november 2015 tot 1 januari 2023 (zie rechtsoverweging 4.51 en 4.52 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
Hoofdvraag:
Wat is de nettowinst of het nettoverlies (vóór vennootschapsbelasting effecten) die zou zijn gerealiseerd door de hypothetisch winnende inschrijver van de Ngage concessie in de periode tussen 1 november 2015 en 1 januari 2023?
Deelvragen:
1. a. Wat is naar uw beste weten de bruto-omzet die de hypothetische winnende inschrijver van de Ngage concessie in de periode vanaf 1 november 2015 tot 1 januari 2023 met de Ngage concessie zou hebben gerealiseerd? U moet daarbij uitgaan van hoe Ngage daadwerkelijk de Ngage concessie in bovengenoemde periode heeft uitgevoerd. Indien u dit nodig vindt, kan u Ngage verzoeken om u hierover met stukken onderbouwd voor te lichten (zie rechtsoverweging 4.58 van het tussenvonnis van 17 april 2024).
b. Hoe bent u tot deze bruto-omzet gekomen?
2. a. Wat is naar uw schatting (zo nodig op basis van onderzoek): 1. het afdracht percentage, en 2. de gegarandeerde minimumafdracht, die door de winnende inschrijver van de Ngage concessie in 2015 in de hypothetische aanbesteding van de Ngage concessie (in concurrentie) zou zijn geboden, waarbij het gunningscriterium de beste prijs is, dat wil zeggen de meest gunstige combinatie van afdracht percentage en minimumafdracht? b. Hoe bent u tot deze schatting van het afdracht percentage en de gegarandeerde minimumafdracht gekomen?
3. a. Wat zijn naar uw beste weten de omvang van de: 1. operationele kosten inclusief de kosten voor overhead, en 2. financieringslasten (rentelasten), die een “redelijk ondernemende concessiehouder” zou hebben gehad voor de exploitatie van de Ngage concessie? Benadrukt wordt dat u geen acht mag slaan op de ondernemingen van JCDecaux, [betrokkene 2] , [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] van wie de kans verloren is gegaan (zie rechtsoverweging 4.60 van het tussenvonnis van 17 april 2024). b. Hoe bent u tot deze bedragen gekomen? c. Kunt u toelichten waarom volgens u “een redelijk ondernemende concessiehouder” deze kosten en lasten zou hebben gehad?
4. a. Wat is naar uw beste weten de netto-omzet (omzet na aftrek van bijvoorbeeld surcommissies (credits), verleende kortingen aan reclamebureaus, schaalvoordelen van de concessiehouder en eventuele andere afdrachten) die in het algemeen een “redelijk ondernemende concessiehouder” met inachtneming van de bedragen genoemd onder deelvraag 3 zou hebben kunnen realiseren gedurende de looptijd van de Ngage concessie van 1 november 2015 tot 1 januari 2023?
b. Hoe bent u tot deze netto-omzet gekomen?
c. Kunt u toelichten waarom volgens u “een redelijk ondernemende concessiehouder” deze netto-omzet zou hebben kunnen realiseren?
5. a. Hoeveel (financiële) impact zou de uitbraak van de Covid-pandemie vanaf maart 2020 tot 1 januari 2023 hebben gehad op de bruto-omzet van deelvraag 1 als het risico voor:
1. 100% bij de concessiehouder blijft, 2. 100% bij NS Stations blijft, en 3. 50% bij de concessiehouder en voor 50% bij NS Stations blijft?
b. Hoeveel (financiële) impact zou de uitbraak van de Covid-pandemie vanaf maart 2020 tot 1 januari 2023 hebben gehad op de netto-omzet van deelvraag 4 als het risico voor: 1. 100% bij de concessiehouder blijft, 2. 100% bij NS Stations blijft, en 3. 50% bij de concessiehouder en voor 50% bij NS Stations blijft? c. Kunt u voor iedere berekening toelichten hoe u daartoe bent gekomen?
6. Zijn er naar uw deskundige mening nog andere aspecten van belang voor de beantwoording van de hoofdvraag en/of de deelvragen?
Zo ja, welke aspecten zijn dat dan, en welk effect heeft dat op de beantwoording van de hoofdvraag en kunt u dit toelichten?
2.7
Voor zover partijen de vragen ruimer, beperkter, gedetailleerder of andersluidend hebben voorgesteld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De beantwoording van de hiervoor genoemde vragen is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om tot de schadebegroting te komen. De deskundigen hebben binnen het kader van de hiervoor genoemde vragen voldoende ruimte en gelegenheid om de rechtbank naar beste weten te kunnen voorlichten.
Verstrekken van stukken aan deskundigen en contact met deskundigen
Verstrekken procesdossier aan deskundigen door NS Stations
2.8
NS Stations zal, zoals in het tussenvonnis van 17 april 2024 al is geoordeeld, het procesdossier aan de deskundigen moeten verstrekken.
Opnemen contact met deskundigen2.9 Het is niet de bedoeling dat partijen zelf contact opnemen met de deskundigen tijdens het onderzoek. Het is aan de deskundigen om binnen de in het tussenvonnis van
17 april 2024 en in dit tussenvonnis geschetste kaders contact met partijen op te nemen, overleg met partijen te voeren, besprekingen te houden en informatie aan partijen te vragen. Het voorstel van partijen om in aanwezigheid van de rechtbank een “ronde tafel” gesprek te houden, wordt daarom afgewezen.
2.1
Als een partij op verzoek van de deskundigen schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan alle andere partijen in deze procedure verstrekken.
Vertrouwelijkheidsissues
2.11
Als zich een probleem voordoet met betrekking tot vertrouwelijkheid van stukken dan kunnen de deskundigen dit bij de rechtbank melden. De rechtbank zal dan daarover, na partijen gehoord te hebben, een beslissing nemen.
Het voorschot2.12 In het tussenvonnis van 17 april 2024 is al aangekondigd en toegelicht dat
NS Stations het voorschot op de kosten van de deskundigen moet betalen (rechtsoverweging 4.63).
2.13
De deskundigen worden verzocht om een begroting te geven voor:
a. het deskundigenonderzoek met betrekking tot de Global concessie waarbij de hoofdvraag en de deelvragen zoals genoemd in 2.5. moeten worden beantwoord,
b. het deskundigenonderzoek met betrekking tot de Ngage concessie waarbij de hoofdvraag en de deelvragen zoals genoemd in 2.6. moeten worden beantwoord.
2.14 Partijen zullen eerst in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de begroting van het voorschot door de te benoemen deskundigen. [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] zullen zich alleen mogen uitlaten over de begroting van het voorschot inzake de Ngage concessie. Er is immers al geoordeeld dat zij geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van kansschade inzake de Global concessie.
2.15
Als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt dan wordt het voorschot van de deskundige vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag (voor de Global concessie en de Ngage concessie). Daarvoor wordt geen apart vonnis gewezen. Het vaststellen van het voorschot wordt geacht in dit vonnis te zijn gedaan.
Als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank in een vonnis worden vastgesteld.
Wettelijke verplichting om mee te werken aan deskundigenonderzoek
2.16
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Conclusie na deskundigenrapport
2.17
Na ontvangst van het deskundigenrapport zullen partijen zich daarover nog mogen uitlaten. NS Stations en Global Media zullen als eerste een conclusie mogen nemen. Daarna zullen de andere partijen een antwoordconclcusie mogen nemen. [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] mogen zich in de door hen te nemen antwoordconclusie alleen uitlaten over dat deel van het deskundigenrapport dat ziet op de kansschade inzake de Ngage concessie. Er is immers al geoordeeld dat zij geen aanspraak kunnen maken op de kansschade inzake de Global concessie.
Aanhouding beslissing over begroting van de schade
2.18
Iedere verdere beslissing over de begroting van de schade wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
beveelt een onderzoek door twee deskundigen voor de beantwoording van de in 2.5. en 2.6. genoemde vragen,
3.2
benoemt daarvoor tot deskundigen:
1.
[A],
BDO
telefoon: [telefoonnummer] of [telefoonnummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres] ,
2)
[B] ,
Atlas Research,
[adres] , [postcode] [plaats 5]
telefoon: [telefoonnummer] ,
e-mailadres:
[e-mailadres]of
[e-mailadres],
3.3
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundigen zal toezenden,
het voorschot
3.4
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:
1. de deskundigen moeten
binnen drie wekenna de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten, voor:
a. het deskundigenonderzoek met betrekking tot de begroting van de schade van Global concessie (zie 2.5. en 2.14.), en
b. het deskundigenonderzoek met betrekking tot de begroting van de schade van Ngage concessie (zie 2.6. en 2.14.),
2. de griffie zal de opgave van de deskundigen vervolgens toezenden aan partijen,
3. partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting, met dien verstande dat [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] alleen bezwaar kunnen maken tegen de begroting van het deskundigenonderzoek inzake de Ngage concessie,
4. als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt dan wordt het voorschot van de deskundigen vastgesteld op de door de deskundigen begrote bedragen,
5. als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank in een vonnis worden vastgesteld,
het onderzoek
3.5
bepaalt dat NS Stations - na vaststelling van het voorschot - het procesdossier in afschrift aan elke deskundige moet toesturen,
3.6
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zullen instellen onder leiding van de voorzitter van de meervoudige kamer, mr. D. Wachter,
3.7
wijst de deskundigen erop dat zij:
1. voor aanvang van het onderzoek kennis moeten nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op
www.rechtspraak.nl),
2. het onderzoek pas beginnen na het bericht van de griffier over de betaling van het voorschot,
3. het onderzoek onmiddellijk staken en contact opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.8
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daar om vragen, de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
3.9
bepaalt dat de deskundigen zich met vragen over het onderzoek kunnen wenden tot de voorzitter van de meervoudige kamer, mr. D. Wachter,
het schriftelijk rapport
3.1
draagt de deskundigen op om
uiterlijk 6 maanden maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in zesvoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
3.11
wijst de deskundigen erop dat:
1. uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,
2. zij een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om
binnen vier weken of binnen de daarvoor door de deskundigen te bepalen termijndaarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,
3.12
bepaalt dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
3.13
bepaalt dat partijen, als eerste NS Stations en Global Media, een conclusie na deskundigenrapport mogen nemen, en dat de andere partijen daarna een antwoordconclusie mogen nemen, met dien verstande dat [eiser sub 1] , [eiser sub 1] en [betrokkene 3] zich in de antwoordconclusie alleen mogen uitlaten over dat deel van het deskundigenrapport dat ziet op de kansschade inzake de Ngage concessie,
overige bepalingen
3.14
verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag
7 oktober 2026,
3.15
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter, mr. H.M.M. Steenberghe en
mr. J.R. Hurenkamp en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
4374

Voetnoten

1.Door partijen ook wel aangeduid als “Reclamedragers Exploitatierecht”
2.Door partijen ook wel aangeduid als “Digital Walls Exploitatierecht”