Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- [verdachte] ;
- de officier van justitie: mr. B.C. Niks;
- de advocaat van [verdachte] : mr. T.S.S. Overes (hierna: de advocaat);
- de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ;
- de advocaat van de benadeelde partij: mr. K. El Mhamdi;
- de moeder en opa van [verdachte] ;
- de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) en de jeugdreclasseerder van Samen Veilig Midden-Nederland (SAVE).
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
diefstal.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit juncto artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
mishandeling.
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
5.Straf en maatregel
- een jeugddetentie van 34 dagen, met aftrek van het voorarrest;
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
- een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de door de Raad en SAVE geadviseerde voorwaarden;
- een contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer 1] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren, te vervangen door 1 week jeugddetentie voor iedere keer dat [verdachte] niet aan de maatregel voldoet;
- meewerken aan behandeling bij De Waag;
- meewerken aan aanvullende behandeling en/of begeleiding;
- zich inzetten voor een zinvolle daginvulling in de vorm van school, werk en/of sport;
- contactverbod met de slachtoffers, met uitzondering van eventuele mediation of herstelbemiddeling;
- contactverbod met de medeverdachten.
6.Vordering benadeelde partij
€ 4.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.Toegepaste wetsartikelen
- 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 300, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;
- 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
8.De beslissing
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
jeugddetentie van 38 dagen;
werkstraf van 140 uren;
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel);
nietzal worden
ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- [slachtoffer 1] , geboren op [1995] ;
- [slachtoffer 4] , geboren op [1999] ;
zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, met uitzondering van contact ten behoeve van eventuele mediation of herstelbemiddeling;
dadelijk uitvoerbaarzijn;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1]
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer 1] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt [verdachte] ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 3.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 (nul) dagen gijzeling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door [verdachte] gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering van [slachtoffer 4] geheel toe tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;
- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 4] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt [verdachte] ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 1.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 0 (nul) dagen gijzeling;
- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;