Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1580

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/1483
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35a Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering VOG P voor toezichthouderfunctie

Verzoekster heeft op 21 november 2025 een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent het gedrag met politiegegevens (VOG P) voor een toezichthouderfunctie. De staatssecretaris heeft deze aanvraag op 5 februari 2026 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat het objectieve criterium voor afgifte van de VOG P niet in geschil was, maar dat het subjectieve criterium – de belangenafweging tussen het belang van verzoekster en het belang van de samenleving – doorslaggevend was. Hoewel verzoekster een positieve persoonlijke ontwikkeling doormaakt en een zwaarwegend persoonlijk belang heeft bij de VOG P, is de tijd tussen de politiegegevens en deze ontwikkeling onvoldoende om het risico voor de samenleving te verwaarlozen.

De politiegegevens tonen meerdere registraties waarin verzoekster betrokken was bij ongewenst gedrag, waaronder schreeuwen en schelden, wat niet passend wordt geacht voor de functie. De voorzieningenrechter concludeert dat de staatssecretaris het belang van de samenleving voorlopig zwaarder mocht laten wegen dan het belang van verzoekster. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG P wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1483
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. K. Cras),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. R.P. Steenhouwer).

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een verklaring omtrent het gedrag met politiegegevens (VOG P) af te geven.
1.2.
Verzoekster heeft op 21 november 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG P. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 20 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. S. Wetsema als waarnemer van mr. K. Cras, en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster of de staatssecretaris het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder mocht laten wegen dan het belang van verzoekster.
Vrijstelling griffierecht
3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om in staat te zijn het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt.
Het spoedeisend belang
4. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.
De voorlopige rechtmatigheid
5. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar een reële kans van slagen heeft. Zij stelt dat de staatssecretaris de belangenafweging onder het subjectieve criterium in het voordeel van verzoekster had moeten laten uitvallen. Verzoekster geeft aan dat de politiegegevens die de staatssecretaris bij de afwijzing heeft betrokken, vooral verband houden met een buurvrouw die regelmatig het conflict zocht met de bewoners van een woongroep waar ook verzoekster woonde. Ook geeft zij aan dat de politieregistraties voortkomen uit gedrag dat in groepsverband is gepleegd, dat verzoekster nog jong was, en ook verband hielden met de toenmalige woonomgeving. Inmiddels woont verzoekster in een andere stad en maakt zij een persoonlijke ontwikkeling door, zij treedt vaak de-escalerend op en heeft geleerd om met spanningen en emoties om te gaan. Verzoekster voert aan dat de meldingen een andere context hebben dan volgt uit de politieregistraties en dat dit niet goed door de staatssecretaris is meegenomen in de beoordeling. Ze heeft voor zichzelf als doel gesteld om te gaan werken bij de politie. Dat is haar droombaan. De functie als [functie] , waar de VOG P voor gevraagd is, is een belangrijke stap in die richting. Zij heeft dan ook een zwaarwegend persoonlijk belang.
6. Op grond van artikel 35a van de Wet op de justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) kan een VOG voor bepaalde aangewezen functies, die een hoge mate van integriteit vereisen, ook alleen op grond van politiegegevens worden geweigerd als die politiegegevens blijk geven van een verband tussen de aanvrager en de strafbare feiten die zouden zijn of zullen worden gepleegd en die een risico vormen voor de uitoefenen van de functie. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de aard, frequentie, actualiteit en onderlinge samenhang van de politiegegevens.
6.1.
Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris de criteria toegepast die zijn neergelegd in beleidsregels. [1] Aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt de staatssecretaris of de afgifte van een VOG P gerechtvaardigd is.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het objectieve criterium niet in geschil is. Als aan het objectieve criterium is voldaan, wordt op grond van het subjectieve criterium beoordeeld of het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG P zwaarder weegt dan het belang van het beschermen van de samenleving.
7.1.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht de staatssecretaris het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder laten wegen dat het belang van verzoekster bij de afgifte van de VOG P.
7.2.
De functie van [functie] is een functie waarvoor een hoge mate van integriteit is vereist. In de functie van [functie] wordt van verzoekster verwacht dat zij betrouwbaar is en de rust kan bewaren, ook als zij wordt geconfronteerd met situaties waarin (verbaal) geweld voorkomt. Burgers moeten op haar kunnen rekenen en er op kunnen vertrouwen dat zij niet zelf met (verbaal) geweld geconfronteerd worden. In dit geval is verzoekster in 2019 in aanraking gekomen met de politie vanwege het medeplegen van het beschadigen van goederen en zij heeft in dat kader een stafbeschikking geaccepteerd. Daarnaast heeft de staatssecretaris in vijf jaar tijd meerdere politieregistraties gezien waarin verzoekster wordt vermeld als betrokkene.
7.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster in de stelling dat de samenvattende weergave van de politiemeldingen in het besluit niet altijd recht doet aan wat verzoeksters betrokkenheid is geweest en wat er precies is gebeurd. De staatssecretaris zal in zijn beoordeling in de beslissing op bezwaar de context van de meldingen moeten betrekken. De voorzieningenrechter ziet echter ook meldingen, onder andere uit 2024, waarin verzoekster heeft erkend dat zij heeft gescholden, dat zij heeft geschreeuwd in de bus en dat een boa zegt dat verzoekster een “
grote bek” had. De voorzieningenrechter vindt dat dit gedrag niet passend is bij de functie van [functie] .
7.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de referentie van de wijkagent volgt dat verzoekster een positieve ontwikkeling doormaakt, maar daarin staat ook dat verzoekster zegt wat zij denkt en dat zij geen blad voor de mond neemt en dat dit een aandachtspunt is. Dat past bij het beeld dat volgt uit de geregistreerde politiemeldingen. Hieruit komt geen beeld van de-escalerend gedrag naar voren, maar wel gedrag dat niet passend is bij de functie van [functie] . Het is heel goed te zien dat verzoekster een positieve ontwikkeling doormaakt. Maar tussen de genoemde feiten en meldingen en deze ingezette positieve ontwikkeling zit op dit moment onvoldoende tijd om te stellen dat het risico voor de samenleving niet langer zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om de gevraagde VOG P voor de functie van [functie] te krijgen.
7.5.
De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster de functie als [functie] graag wil, om zo haar droombaan bij de politie te kunnen verwezenlijken. Maar aan de andere kant is niet gezegd dat verzoekster geen andere baan kan krijgen met een gewone VOG. Niet is uitgesloten dat verzoekester zonder diploma’s geen baan kan vinden waarin zij ook vaardigenheden kan leren die van belang zijn voor haar droombaan bij de politie.
7.6.
De voorzieningenrechter benadrukt ook dat de in het bestreden besluit opgenomen beslissing om de VOG P niet af te geven, niets hoeft te zeggen over de toekomst, over de potentie of geschiktheid voor de functie als [functie] of een baan bij de politie. De afwijzing van de VOG P is namelijk gebaseerd op een belangenafweging op dit moment. Verzoeksters ervaringen in het leven kunnen in de toekomst juist ervaringen zijn die kunnen bijdragen aan de uitoefening van de functie van [functie] of een baan bij de politie. Maar alles overziend, heeft de staatssecretaris zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat er op dit moment een te korte tijd zit tussen het gedrag dat uit de meldingen naar voren komt en de baan als [functie] en wat in het kader van die functie van verzoekster mag worden verwacht, en dat het belang van de samenleving op dit moment zwaarder weegt.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de aanvraag van een VOG P vooralsnog in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026 door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.