Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1587

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4502
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2, derde lid, aanhef en onder a, Wegenverkeerswet 1994Art. 15, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994Art. 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College mag parkeerplaatsen aanwijzen voor opladen elektrische voertuigen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, waarbij twee parkeerplaatsen zijn aangewezen als parkeergelegenheid uitsluitend voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser stelde dat het college niet de voorgeschreven locatieplanprocedure had gevolgd en dat de plaatsingscriteria uit de Plaatsingsleidraad niet waren nageleefd.

De rechtbank stelt vast dat de informele procedure uit de Plaatsingsleidraad niet volledig is gevolgd, maar dat deze leidraad juridisch niet bindend is voor het verkeersbesluit. Eiser en andere omwonenden hebben alsnog voldoende gelegenheid gehad hun zienswijze kenbaar te maken tijdens de bezwaarprocedure en zitting.

Verder oordeelt de rechtbank dat het college niet verplicht is de plaatsingscriteria strikt te volgen, omdat deze niet als beleidsregels in de zin van de Awb gelden. Het college heeft de belangen van omwonenden en het algemene belang van voldoende laadpalen zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. De nadelige gevolgen voor eiser en zijn buren zijn niet onevenredig ten opzichte van het doel van het besluit.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler op 2 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het verkeersbesluit wordt ongegrond verklaard en het college mag de parkeerplaatsen aanwijzen voor opladen elektrische voertuigen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4502

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigden: C. Ligthart en R. van der Panne).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit van 12 maart 2025 waarbij twee parkeerplaatsen zijn aangewezen als parkeergelegenheid uitsluitend te gebruiken voor het opladen van elektrische voertuigen.
2. Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de twee parkeerplaatsen aan de [straat] mag aanwijzen als parkeergelegenheid uitsluitend te gebruiken voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het verkeersbesluit
6. Het college heeft bij besluit van 12 maart 2025 de verkeersmaatregel vastgesteld waarbij twee parkeerplaatsen zijn aangewezen uitsluitend bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen (bord E8c, volgens bijlage I van het RVV 1990) met onderbord OB504 in de [adres 1] , ter hoogte van huisnummer [nummer] ; wegvak: tussen [adres 2] en [straat] .
Locatieplanprocedure
7. Eiser is het niet eens met het verkeersbesluit en voert daarvoor een aantal gronden aan. Als eerste voert eiser aan dat het college niet de voorgeschreven locatieplanprocedure heeft gevolgd, zoals is vastgelegd in de ‘Plaatsingsleidraad en inrichtingskader publieke laadinfrastructuur’ (Plaatsingsleidraad). Er is weliswaar een informatiebrief verspreid, maar die is niet bij alle betrokken bewoners bezorgd. Daarnaast is de eerst voorgenomen locatie aan de [straat] veranderd zonder de omwonenden daarover (opnieuw) te informeren. Ook is er geen bewonersbijeenkomst geweest, terwijl dat wel wordt voorgeschreven.
8. De rechtbank stelt vast en het college erkent ook dat de informele procedure zoals is vastgelegd in de Plaatsingsleidraad niet volledig is gevolgd. Dat dit vervelend is voor de omwonenden en eiser zich daarmee gepasseerd voelt, begrijpt de rechtbank, omdat eiser nu niet tijdig is gehoord over zijn mening over de (beste locatie voor de) plaatsing van laadpalen. Deze omstandigheid leidt echter niet tot een gegrond beroep. De procedure die in de Plaatsingsleidraad is omschreven, is namelijk in dit geval juridisch niet bindend voor de besluitvorming van het college met betrekking tot het onderhavige verkeersbesluit, omdat die leidraad meer ziet op een juridisch niet bindende inventarisatie van geschikte plekken voor het plaatsen van een laadpaal. Voor het nemen van dit specifieke verkeersbesluit is procedureel de juiste juridische weg gevolgd. Daarnaast hebben eiser (en andere omwonenden) inmiddels alsnog voldoende gelegenheid gehad om bij de hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure en ter zitting hun visie naar voren te brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Plaatsingscriteria
9. Verder heeft eiser aangevoerd dat het college niet de eigen inhoudelijke criteria voor het plaatsen van laadpalen heeft gevolgd, zoals zijn opgenomen in de Plaatsingsleidraad. Specifiek zijn daarbij de criteria ‘concentratie’ en ‘voor/zijgevels’ geschonden. De gekozen locatie is nu namelijk direct voor een voordeur.
10. De plaatsingscriteria zoals genoemd in de Plaatsingsleidraad zijn geen beleidsregels zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Deze criteria moeten eerder worden opgevat als een wensenlijstje. Dat betekent dat het college niet verplicht is om bij het nemen van een verkeersbesluit als het onderhavige zich te houden aan de criteria in de Plaatsingsleidraad. De rechtbank oordeelt daarom niet dat het verkeersbesluit niet in stand kan blijven omdat het in strijd zou zijn met de plaatsingscriteria.
Alternatieve locaties
11. Ook heeft eiser er op gewezen dat er in de wijk zijn meerdere alternatieve locaties aanwezig zijn die wel aan de plaatsingscriteria voldoen en geschikter zijn om een laadpaal e plaatsen. Eiser heeft gewezen op vier alternatieve locaties. Het college heeft deze locaties volgens eiser op onjuiste of tegenstrijdige argumenten afgewezen.
12. Op grond van artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) kunnen krachtens deze wet gestelde regels strekken tot het bevorderen van een doelmatig en zuinig energiegebruik. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wvw 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.
13. De rechtbank stelt voorop dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in de Wvw 1994. Het college moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [1]
14. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college de betrokken belangen voldoende tegen elkaar heeft afgewogen. Uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie volgt niet dat het college verplicht is de meest optimale plek te kiezen voor het plaatsen van een laadpaal. Het gaat om de vraag of de gevolgen voor eiser en zijn buren bij het verkeersbesluit (en daarmee de plaatsing van de laadpaal) onevenredig ten opzichte van de te dienen belangen. In dat verband is van belang dat het college bij deze belangenweging heeft kunnen betrekken dat om te kunnen voldoen aan de groei van elektrische auto’s en de daarbij behorende laadbehoefte veel laadpalen geplaatst moeten worden. Het college heeft voor sommige locaties voldoende onderbouwd uitgelegd waarom en laadpaal daar niet mogelijk is, terwijl andere locaties niet worden gezien als een alternatief voor de onderhavige locatie, maar als een extra optie om aan de groeiende vraag naar laadpalen te kunnen voldoen. De belangen van eiser en zijn buren dat het prettig is om voor hun eigen deur te kunnen parkeren en dat een laadpaal vervelend is voor hun eigen deur, zijn in dat licht onvoldoende zwaarwegend. Het college heeft het algemene belang bij voldoende laadpalen zwaarder mogen wegen dan het belang van eiser en zijn buren.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:599.