De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 januari 2026 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, veroordeeld voor medeplichtigheid aan een hennepkwekerij.
De officier van justitie stelde het voordeel op € 400.244,20, maar vroeg de betalingsverplichting nihil vast te stellen vanwege onvoldoende inzicht in de inkomsten van de veroordeelde. De verdediging betoogde dat verdachte geen geld had verdiend met zijn werkzaamheden.
De rechtbank oordeelde dat het ontnemingsrapport niet als uitgangspunt kan dienen omdat verdachte verklaarde negen weken lang de hennepplanten te hebben verzorgd zonder betaling, en de plantage was ontdekt voordat er geoogst was. Het dossier gaf onvoldoende inzicht in het daadwerkelijke voordeel.
Daarom kon de rechtbank de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet vaststellen en wees de vordering tot ontneming af.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, met drie rechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.