ECLI:NL:RBMNE:2026:16

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
16/019670-20 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen een veroordeelde. De vordering betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat geschat is op € 400.244,20, voortkomend uit een strafbaar feit waarbij de veroordeelde betrokken was. De zitting vond plaats op 12 december 2025, waar de officier van justitie en de advocaat van de veroordeelde aanwezig waren. De advocaat betwistte de vordering en stelde dat de veroordeelde geen inkomsten had gegenereerd uit zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij.

De rechtbank heeft het onderliggende strafdossier en het ontnemingsrapport bestudeerd, maar concludeerde dat het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs had geleverd om de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. De veroordeelde had verklaard dat hij de hennepplanten slechts had verzorgd zonder dat hij hiervoor betaald was. Aangezien er geen bewijs was dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had behaald, heeft de rechtbank de vordering tot ontneming afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op dezelfde dag. De voorzitter en oudste rechter waren niet in de gelegenheid om het vonnis te ondertekenen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/019670-20 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [1968] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de veroordeelde).

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 december 2025. Het onderzoek is met instemming van de advocaat van de veroordeelde enkelvoudig gesloten op 7 januari 2026, waarna direct daarna uitspraak is gedaan.
Op de zitting op 12 december 2025 waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de veroordeelde: mr. H. de Kroon, advocaat in Hilversum (hierna: de advocaat).
De rechtbank heeft kennisgenomen van het onderliggende strafdossier en het daarin opgenomen ontnemingsrapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is geraamd op € 400.244,20.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de officier van justitie geschat op € 400.244,20. Zij heeft verzocht de vordering toe te wijzen, maar de betalingsverplichting vast te stellen op nihil, omdat uit het procesdossier niet volgt hoe hoog de inkomsten van de veroordeelde precies zijn geweest.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de veroordeelde geen geld heeft verdiend met zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbodin de periode van 27 september 2016 tot en met 29 november 2016.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
3.2
De beoordeling van de vordering
De rechtbank is van oordeel dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals opgenomen in het rapport (berekening wederrechtelijk verkregen voordeel) van 9 mei 2017, niet tot uitgangspunt kan worden genomen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de veroordeelde heeft verklaard dat hij de aangetroffen hennepplanten negen weken lang van voeding en water heeft voorzien, maar nog geen geld had ontvangen voor deze werkzaamheden. Uit het procesdossier volgt verder dat er nog niet was geoogst toen de hennepplantage door de politie werd ontdekt. Nu het Openbaar Ministerie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel geld de veroordeelde met zijn werkzaamheden heeft verdiend, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet mogelijk is op basis van het dossier de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. Op grond van het voorgaande wijst de rechtbank de vordering tot ontneming af.

4.BESLISSING

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mrs. H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.