Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1621

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/16/525704 / FO RK 21-812
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c lid 2 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangs- en informatieregeling in belang minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 maart 2026 een zaak over gezag, omgang en informatie tussen een vader en moeder van een minderjarige geboren in 2020. De vader verzocht om gezamenlijk gezag, een omgangsregeling zonder aanwezigheid van de moeder, en een informatieregeling met foto’s. De moeder was het niet eens met deze verzoeken.

De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is, omdat de ouders al langere tijd geen contact hebben en niet in staat zijn om samen beslissingen te nemen. De vader is bovendien lange tijd niet betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding, waardoor hij onvoldoende zicht heeft op de situatie van het kind.

De omgangsregeling wordt vastgesteld onder regie van de gecertificeerde instelling (GI), die de duur, frequentie, plaats en begeleiding bepaalt. Dit is omdat er sinds 2024 geen omgang meer is geweest en de situatie emotioneel beladen is. De GI heeft een traject bij Youké geëvalueerd, maar het contactherstel is niet gelukt, mede doordat de vader niet meewerkt aan hulpverlening.

De informatieregeling wordt gedeeltelijk toegewezen: de moeder informeert de vader maandelijks via de GI over de gezondheid, school en sociale activiteiten van het kind, maar hoeft geen foto’s te sturen. De verzoeken om dwangsommen worden afgewezen omdat de moeder meewerkt en de omgang afhankelijk is van de inzet van de vader.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan door de verzoekende partij en belanghebbenden binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen; omgangsregeling en informatieregeling vastgesteld onder regie van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/525704 / FO RK 21-812
Gezag en omgang
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. C.J.M. van Gent,
tegen
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.P. van Rossum,
met als belanghebbende
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Utrecht,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft eerder in deze zaak beschikkingen gegeven op 27 oktober 2021, 20 oktober 2022, 28 mei 2024 en 22 mei 2025. Ook is er op 7 maart 2024 een proces-verbaal mondelinge uitspraak gegeven. Voor het verloop van de procedure tot aan 22 mei 2025 verwijst de rechtbank naar de vorige beschikkingen.
1.2
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • de berichten van de vader van 22 januari 2026;
  • het bericht van de moeder van 10 februari 2026 met bijlagen;
  • de brief van de vader van 12 februari 2026 met gewijzigde verzoeken en bijlagen.
1.3
De verzoeken zijn verder besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de GI;
  • de heer [C] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4
De vader en zijn advocaat zijn (na afmelding) niet naar de zitting gekomen.
1.5
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting nog een pleitnotitie overgelegd.
1.6
De verzoeken over het gezag en de omgang zijn tegelijkertijd behandeld op zitting met het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen (kenmerk: C/16/604425). Op dat verzoek heeft de kinderrechter in een aparte beschikking beslist.
1.7
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met de aanwezigen afgesproken dat zij de verslaglegging van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling ook zal betrekken bij haar oordeel in deze zaak. Zij hebben hiermee ingestemd.

2.De belangrijke feiten

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
Zij hebben samen een kind:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
2.5
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd op 19 februari 2026 tot 22 november 2026.
2.6
Bij beschikking van 27 oktober 2021 heeft deze rechtbank de beslissing op de verzoeken aangehouden en de volgende voorlopige omgangsregeling vastgesteld:
  • de vader heeft eenmaal per veertien dagen één uur onder begeleiding van SOVEE begeleide omgang met [minderjarige] , en;
  • de vader heeft in de week dat er geen fysieke omgang is met [minderjarige] , een videobelmoment met [minderjarige] , welk moment tussen de ouders afgesproken zal worden.
2.7
Bij beschikking van 20 oktober 2022 heeft de rechtbank een Raadsonderzoek gelast en de beslissing op de verzoeken aangehouden in afwachting van de uitkomst hiervan.
2.8
De rechtbank heeft op 7 maart 2024 de beslissing op de verzoeken van de vader nogmaals aangehouden, zodat de kindbehartiger met [minderjarige] aan de slag kan om (begeleid) contact tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk weer op te starten.
2.9
Bij beschikking van 28 mei 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de vader wederom aangehouden en bepaald dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] zal worden opgestart en uitgebreid onder regie van [naam] .
2.1
De rechtbank heeft op 22 mei 2025 de beslissing op de verzoeken aangehouden in afwachting van de effecten van hulpverlening en de inzet van de jeugdbeschermer, waarbij de jeugdbeschermer de regie gaat voeren over (het belang en de verloop van) de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] .

3.De verzoeken

3.1
De vader verzoekt de rechtbank om:
primair
I. hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
II. een voorlopige omgangsregeling vast te stellen in opbouw en onder begeleiding van de GI dan wel een instantie zoals aan te wijzen door de GI dan wel de rechtbank, waarbij hij omgang met [minderjarige] heeft gedurende eenmaal per veertien dagen gedurende twee uren zonder aanwezigheid van de moeder dan wel oma moederszijde;
III. de moeder te verplichten om de zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat zij zich hieraan niet houdt, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;
subsidiair
IV. indien het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen, een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder de vader eenmaal per maand moet informeren over [minderjarige] aangaande haar gezondheid, school, hobby’s, sport en sociale contacten. Daarbij dient de moeder ook een tweetal foto’s van [minderjarige] mee te sturen waarop zij duidelijk in beeld is;
V. de moeder te verplichten om de informatieregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat zij zich hieraan niet houdt, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
3.2
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader.

4.De beoordeling

Gezamenlijk gezag
4.1
De rechtbank wijst het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten af. Om het gezamenlijk gezag te kunnen uitoefenen is vereist dat de ouders in staat zijn om beslissingen van enig belang over een kind in onderling overleg te kunnen nemen. In dit geval staat vast dat er al langere tijd geen contact is geweest tussen de ouders. De ouders kunnen niet met elkaar communiceren en er is sprake van angsten en spanningen bij de moeder. De afgelopen jaren is er veel hulpverlening ingezet om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Dit heeft helaas nog onvoldoende resultaat gehad. De rechtbank verwacht dan ook niet dat de situatie tussen de ouders op korte termijn dusdanig verbetert dat zij wel in staat zullen zijn om samen uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag. Bovendien is de vader al lange tijd niet betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierdoor weet hij niet hoe het met haar gaat en is hij niet in staat om goede gezagsbeslissingen over haar te nemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat de vader en de moeder gezamenlijk worden belast met het gezag. [1]
Omgangsregeling
4.2
De rechtbank stelt de volgende omgangsregeling vast en licht de beslissing hierna toe:
  • [minderjarige] heeft omgang met de vader op aanwijzing van de GI;
  • waarbij de GI de duur, frequentie, plaats, opbouw en invulling van de omgang bepaalt, waaronder begrepen ook de voorwaarde of er begeleiding van de omgang noodzakelijk is.
4.3
De rechtbank vindt bovenstaande omgangsregeling op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . Sinds 2024 is er geen omgang meer geweest tussen de vader en [minderjarige] . Bij de moeder en [minderjarige] is sprake van grote emotionele weerstand. De GI heeft daarom de afgelopen periode in het kader van de ondertoezichtstelling de opdracht gekregen om inzicht te krijgen in de contactproblematiek tussen de vader en [minderjarige] . Daarbij was specifieke aandacht voor de belastbaarheid van [minderjarige] en de voorwaarden waaronder eventueel contactherstel kon plaatsvinden. De GI heeft deze opdracht uitgevoerd door het starten van een traject bij Youké. Dit traject is op 24 november 2025 geëvalueerd en heeft geleid tot adviezen richting de beide ouders. De moeder heeft zich op advies van Youké aangemeld voor hulpverlening. De vader heeft daarentegen aangegeven niet verder mee te willen werken aan het traject, tenzij er direct omgang wordt opgestart. Hierdoor is er op dit moment nog geen gezamenlijk gedragen basis om over te gaan tot het opbouwen van contact. Volgens de GI is sprake van een langdurig vastgelopen situatie, waarin de ouders sterk van inzicht verschillen. Het is dan ook niet gelukt om te komen tot concrete stappen richting contactherstel. Dit heeft ook als gevolg dat het traject vanuit Youké zal stoppen.
4.4
De rechtbank vindt het zorgelijk dat de hulpverlening bij Youké nu stopt en dat er geen zicht is op contactherstel. De vader schrijft in zijn brief aan de rechtbank dat hij enorm teleurgesteld is in de wijze waarop de GI de afgelopen periode heeft gehandeld en dat hij zich niet gezien en gehoord voelt. Volgens de vader is de moeder bepalend en heeft de GI zich onvoldoende ingezet om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen. De rechtbank begrijpt dat de vader zich gefrustreerd voelt omdat hij [minderjarige] al zolang niet heeft gezien. Tegelijkertijd ligt de sleutel bij hem. Zolang de vader de adviezen van de hulpverlening niet opvolgt en geen openheid van zaken, onder andere over zijn privésituatie, geeft, is er geen ruimte voor contactherstel. Onder de huidige omstandigheden is het dan ook niet in het belang van [minderjarige] om direct te starten met omgang. Daarvoor zullen de beide ouders nog met hulpverlening stappen moeten zetten.
4.5
Op dit moment heeft de GI het beste zicht op hoe het met [minderjarige] gaat en wat haar draagkracht is. Ook kan de GI hulpverlening inzetten en monitoren. De rechtbank beslist daarom dat de omgangsregeling plaatsvindt op aanwijzing en regie van de GI. Dit betekent dat de GI de duur, frequentie, plaats, opbouw en invulling van de omgang bepaalt, waaronder begrepen ook de voorwaarde of er begeleiding van de omgang noodzakelijk is. De rechtbank overweegt hierbij uitdrukkelijk dat er pas omgang kan plaatsvinden, als er bij beide ouders hulpverlening is ingezet en de GI de situatie voldoende veilig acht.
4.6
Het verzoek van de vader om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de omgangsregeling wijst de rechtbank af. De moeder werkt namelijk goed mee met de hulpverlening en komt de afspraken met de GI na. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen. Bovendien is de omgang afhankelijk van de inzet van de vader en zijn bereidheid om hulpverlening aan te gaan, zodat dit niet kan worden afgedwongen.
Informatieregeling
4.7
De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek van de vader om een informatieregeling vast te stellen gedeeltelijk toe. De rechtbank vindt de volgende informatieregeling het meest in het belang van [minderjarige] :
  • de moeder informeert de vader (met tussenkomst van de GI) eenmaal per maand over hoe het met [minderjarige] gaat;
  • de moeder stuurt hierbij geen foto’s van [minderjarige] , maar alleen een kort verslag over haar gezondheid, school, hobby’s, sport en sociale contacten.
4.8
De moeder heeft verklaard het eens te zijn met het verzoek van de vader, mits de informatie wordt gewisseld via de GI en zij geen foto’s van [minderjarige] hoeft mee te sturen. De rechtbank vindt dit ook in het belang van [minderjarige] . Op dit moment stuurt de moeder al iedere maand een verslag aan de GI over hoe het met [minderjarige] gaat. Zij is bereid om dit te blijven doen. Verder heeft de vader volgens de moeder in het verleden foto’s van [minderjarige] doorgestuurd naar derden. De rechtbank vindt dit niet in het belang van [minderjarige] en bepaalt daarom dat de moeder geen foto’s hoeft mee te sturen.
4.9
Het verzoek van de vader om aan de informatieregeling een dwangsom te verbinden wijst de rechtbank af. De moeder werkt namelijk mee aan haar informatieplicht en is bereid om dit te blijven doen. De GI heeft dit ook bevestigd. Er is dan ook geen aanleiding voor een dwangsom.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.1
De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijzigt de omgangsregeling zoals voor het laatst vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 28 mei 2024 en stelt deze als volgt vast:
  • [minderjarige] heeft omgang met de vader op aanwijzing van de GI;
  • waarbij de GI de duur, frequentie, plaats, opbouw en invulling van de omgang bepaalt, waaronder begrepen ook de voorwaarde of er begeleiding van de omgang noodzakelijk is;
5.2
stelt de volgende informatieregeling vast:
  • de moeder informeert de vader (met tussenkomst van de GI) eenmaal per maand over hoe het met [minderjarige] gaat;
  • de moeder stuurt hierbij geen foto’s van [minderjarige] , maar alleen een kort verslag over haar gezondheid, school, hobby’s, sport en sociale contacten;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. van Doorn, (kinder)rechter in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:253c lid 2 sub b BW