Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1650

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
11861236 \ UC EXPL 25-6978
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWWet goed verhuurderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering wegens onvoldoende bewijs onrechtmatige daad bij val van keukentrap

Eiser stelt dat gedaagde hem van een keukentrap heeft geduwd tijdens snoeiwerkzaamheden in de tuin van gedaagde, waardoor hij is gevallen en schade heeft geleden. Hij vordert een verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld en een schadevergoeding van € 5.045,-.

Gedaagde betwist de duw en stelt dat eiser zonder toestemming snoeiwerkzaamheden verrichtte, ondanks verzoeken te stoppen. Zij heeft de politie gebeld en ontkent dat zij de trap heeft geduwd op het moment van de val. De videobeelden tonen een gespannen sfeer maar geen duw of val.

De kantonrechter oordeelt dat eiser zijn stelplicht niet heeft vervuld omdat hij zijn verhaal onvoldoende met bewijs heeft onderbouwd. Ook de gestelde schade, waaronder een handfractuur, eigen risico, loonverlies en beschadigde kleding, is niet aannemelijk gemaakt. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van € 864,-.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen en schade; eiser veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11861236 \ UC EXPL 25-6978
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.B. Goemans.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 5 en bijlagen 1 t/m 9,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 8,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem van een keukentrap geduwd toen hij snoeiwerkzaamheden in de tuin van [gedaagde] aan het uitvoeren was. Daardoor is hij gevallen en heeft hij € 5.045,- aan schade geleden. Volgens [gedaagde] is dit niet waar. [eiser] krijgt ongelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

3.1
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.045,- aan schadevergoeding. Dat doet [eiser] op grond van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek.
Juridisch kader onrechtmatige daad
3.2
Voor toewijzing van een vordering op grond van een onrechtmatige daad, is vereist dat er sprake is van in ieder geval:
  • een onrechtmatige gedraging,
  • schade en,
  • causaal verband tussen die onrechtmatige gedraging en de schade.
[eiser] draagt hiervoor de stelplicht. Dat houdt in dat het aan [eiser] is om duidelijk uit te leggen wat er precies is gebeurd en waarom [gedaagde] daarvoor verantwoordelijk is. Als [gedaagde] dat verhaal betwist, moet [eiser] zijn verhaal ook met concrete informatie of bewijs ondersteunen. Als hij dat niet doet, dan kan de kantonrechter zijn stellingen niet aannemen.
[gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld
3.3
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] de keukentrap heeft vastgepakt en daar met kracht tegen heeft geduwd, waardoor hij is gevallen. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij heeft toegelicht dat [eiser] zonder haar toestemming snoeiwerkzaamheden in haar tuin uitvoerde en dat zij hem daarop heeft aangesproken en heeft verzocht te stoppen. Omdat [eiser] niet stopte met snoeien, heeft [gedaagde] ook de politie gebeld. Ook daarna ging [eiser] door. Volgens [gedaagde] heeft zij de trap wel kort vastgepakt, maar niet op het moment dat [eiser] opnieuw de trap opklom en ook niet op het moment dat hij zou zijn gevallen.
3.4
[eiser] heeft vervolgens zijn stellingen niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Weliswaar zijn er door hem beelden in het geding gebracht, maar daarop is de vermeende duw (en val) juist niet te zien. Wel is te zien en te horen dat er een vervelende sfeer en discussie ontstond over de snoeiwerkzaamheden, zoals [gedaagde] ook beschrijft. Zij heeft daar ook nog bij toegelicht dat [eiser] de snoeiwerkzaamheden uitvoerde in opdracht van haar verhuurder die haar de gehuurde woning uit probeert te krijgen. Dit verhaal wordt ondersteund door de door [gedaagde] overgelegde productie 8, waaruit blijkt dat de toezichthouder van de gemeente heeft vastgesteld dat sprake is van intimidatie door de verhuurder in de zin van de Wet goed verhuurderschap en dat tegen hem handhavend zal worden opgetreden.
3.5
Het voorgaande komt er op neer dat [eiser] zijn stellingen niet voldoende onderbouwt, terwijl [gedaagde] haar betwisting juist wel onderbouwd heeft toegelicht. [eiser] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] .
De schade is niet onderbouwd
3.6
Daar komt bij dat [eiser] ook zijn gestelde schade en het causaal verband onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] stelt dat hij een handfractuur heeft opgelopen en € 385,- aan eigen risico moest betalen, maar uit de stukken blijkt niet dat sprake is van een handfractuur. Uit het verslag van het ziekenhuis blijkt juist dat is vastgesteld dat er géén sprake van een handfractuur was. Een betalingsbewijs van het eigen risico ontbreekt bovendien ook. Het gestelde loonverlies van € 2.060,- is ook niet onderbouwd. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat [eiser] op het moment van het voorval nog werkzaam was, in tegendeel: de plaatsingsbevestiging van het uitzendbureau heeft een einddatum van 15 juni 2025, terwijl het voorval op 16 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ook ten aanzien van de gestelde schade aan de broek is niet aangetoond dat deze als gevolg van de val is beschadigd. Op de videobeelden is geen kapotte broek zichtbaar. Verder is de gestelde immateriële schade van € 2.500,- op geen enkele wijze onderbouwd.
De vorderingen worden afgewezen
3.7
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en ook niet dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van enig handelen van [gedaagde] . De vorderingen worden daarom afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.8
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
LLO 5719