Uitspraak
1.De procedure
[eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman. Namens [gedaagde] zijn
[gemachtigde 1] en [gemachtigde 1] verschenen, beide werkzaam als jurist bij de [gedaagde] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting met partijen is besproken.
2.De verdere beoordeling
“10.2. Werkgever zal desgevraagd positieve referenties aan derden verstrekken met betrekking tot het functioneren van Werknemer gedurende haar arbeidsovereenkomst met Werkgever.”
het functioneren gedurende haar arbeidsovereenkomst” en niet op de duur van de periode waarbinnen [gedaagde] de referenties moet verstrekken.
Daar komt bij dat op het moment dat [eiser] aan [gedaagde] heeft gevraagd om als referent op te treden, [gedaagde] op zijn minst had moeten laten weten aan [eiser] dat zij (vanuit haar optiek) niet langer verplicht was positief te verklaren over het functioneren van [eiser] . Overigens heeft [gedaagde] ook niet duidelijk gemaakt wat haar belang zou zijn bij een beperkte periode voor het afgeven van positieve referenties, te meer gelet op het feit dat [gedaagde] eigenrisicodrager is.
Het nu aanwijzen van een vaste contactpersoon binnen [gedaagde] is ook te verstrekkend, omdat niet duidelijk is op welk moment [eiser] mogelijk zal vragen om een positieve referentie en uiteraard ook niet wie op dat moment (nog) werkzaam is binnen de [gedaagde] die over [eiser] kan verklaren.