Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1658

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/16/606711 / KG ZA 26-60
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:20 lid 2 sub b BVIEArt. 2:20 lid 2 sub c BVIEArt. 5 HandelsnaamwetArt. 6:162 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen inbreuk op woordmerk en handelsnaam in kort geding over beschrijvende namen

Eiseres vordert in kort geding een verbod voor gedaagde om haar handelsnaam en logo te gebruiken, stellende dat daarmee inbreuk wordt gemaakt op haar woordmerk en handelsnaamrecht. De voorzieningenrechter stelt vast dat het woordmerk van eiseres een zwak onderscheidend vermogen heeft, omdat het uit beschrijvende woorden bestaat. Hoewel het merk vijf jaar in gebruik is, is de toename in onderscheidend vermogen niet significant gebleken.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat er geen sprake is van verwarringsgevaar tussen het woordmerk van eiseres en de handelsnaam van gedaagde, mede doordat gedaagde een extra woord in haar handelsnaam gebruikt dat visueel en auditief duidelijk verschilt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het woordmerk van eiseres een bekend merk is in de zin van de wet.

Ten aanzien van de handelsnaamrechtelijke inbreuk wordt overwogen dat de handelsnamen weliswaar enige gelijkenis vertonen, maar dat het beperkte onderscheidend vermogen, het feit dat beide ondernemingen actief zijn in de juridische sector met verschillende profielen, en het ontbreken van feitelijke verwarring leiden tot de conclusie dat geen inbreuk is gemaakt.

Ook het logo van gedaagde wijkt voldoende af van het woordmerk van eiseres, mede door het gebruik van een hartje als visueel element, waardoor geen verwarringsgevaar ontstaat. Het beroep op onrechtmatig handelen op grond van artikel 6:162 BW Pro wordt verworpen omdat dit niet verder onderbouwd is.

De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens het ontbreken van inbreuk op het woordmerk en handelsnaam van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606711 / KG ZA 26-60
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E.L. Abbink Spaink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.F. de Jong.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 34 producties van [eiseres] ,
- de conclusies van antwoord en 8 producties van [gedaagde] ,
- de pleitnota van [eiseres] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 maart 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat op 7 april 2026 uitspraak wordt gedaan. Die datum is één dag uitgesteld.

2.De kern van de zaak

[eiseres] is van mening dat [gedaagde] met haar handelsnaam [gedaagde] en met haar logo (zie hierna onder 3.22) inbreuk maakt op haar woordmerk [eiseres] en haar handelsnaamrecht. [eiseres] krijgt ongelijk. [gedaagde] mag haar logo en handelsnaam blijven gebruiken.

3.De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1
In een kortgedingprocedure is het nodig dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij op korte termijn een beslissing nodig heeft van de voorzieningenrechter en de beslissing in een bodemprocedure niet kan afwachten. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisende belang van [eiseres] voldoende aannemelijk is gemaakt. Als er inderdaad sprake is van een voortdurende onrechtmatig situatie dan heeft [eiseres] er belang bij dat die zo spoedig mogelijk eindigt.
De vorderingen van [eiseres]
3.2
De vordering onder I van de dagvaarding is duidelijk. [eiseres] wil dat [gedaagde] niet langer gebruik maakt van haar logo, omdat [gedaagde] daarmee volgens haar inbreuk maakt op haar woordmerk en op haar handelsnaam.
3.3
De vordering onder II is minder duidelijk. Tijdens de zitting heeft [eiseres] uitgelegd dat ze hiermee niet alleen wil voorkomen dat [gedaagde] haar logo een klein beetje zou wijzigen en daarmee niet meer in strijd met het onder I gevraagde verbod zou handelen, terwijl ze nog wel inbreuk zou maken op het woordmerk en de handelsnaam van [eiseres] . [eiseres] stelt dat ze met deze vordering óók een categorisch verbod vraagt op het gebruik van de handelsnaam van [gedaagde] . Zo moet volgens haar vordering II gelezen worden. De voorzieningenrechter leest het er niet in. Wie een verbod op het voeren van een bepaalde handelsnaam vordert, doet er goed aan dat met zoveel woorden te vorderen. Desalniettemin zal de voorzieningenrechter, nu op de zitting ook is gedebatteerd over de vraag of een verbod op de handelsnaam van [gedaagde] toewijsbaar zou zijn, ook beslissen op de volgens [eiseres] in de vordering II besloten liggende vordering tot een verbod op het voeren van de handelsnaam [gedaagde] .
3.4
[eiseres] baseert haar vorderingen onder meer op artikel 2:20 lid 2 sub b en Pro c van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) en op de artikel 5 van Pro de Handelsnaamwet. Voor toewijzing van een op deze bepalingen gebaseerde vordering is vereist dat de door beide ondernemingen verleende diensten hetzelfde zijn of met elkaar overeenstemmen, waardoor bij het publiek verwarringsgevaar tussen die ondernemingen te duchten is of, in het geval van de c-grond dat ‘meegelift’ wordt op de bekendheid van het merk.
[gedaagde] maakt met haar handelsnaam geen inbreuk op het woordmerk [eiseres]
3.5
Het merkrecht ontstaat op het moment van inschrijving van het merk (artikel 2.2 BVIE). Het woordmerk [eiseres] is op 2 juli 2020 ingeschreven in het Benelux merkenregister. Dat is ruim voordat [gedaagde] in het najaar van 2025 naar buiten trad met de handelsnaam [gedaagde] en bijbehorend logo. Daarover en over de geldigheid van het merk bestaat geen discussie.
Uitgangspunt: het woordmerk heeft een zwak onderscheidend vermogen
3.6
Het woordmerk [eiseres] had toen het werd ingeschreven (“ab initio”) een zeer zwak onderscheidend vermogen voor de meeste diensten waarvoor het is ingeschreven (waarbij vooral van belang zijn de juridische diensten). Het woordmerk bestaat uit twee beschrijvende woorden, te weten
[woord]en
[woord]. Het woord
[woord]is volledig beschrijvend; dat ziet op de aard van de diensten. Het woord
WEis niet zo direct beschrijvend als het woord [woord] , maar nu sprake is van een netwerk van juristen die de diensten verlenen, is het gebruik van ‘wij’ ook beschrijvend. Dat er tussen de woorden
[woord]en
[woord]een werkwoord ontbreekt, zorgt er niet voor dat deze woorden minder beschrijvend zijn en is ook geen unieke schrijfstijl. In koppen van journalistieke teksten bijvoorbeeld worden vaak werkwoorden weggelaten. Kortom, de woorden van het woordmerk hebben ook in de gebruikte combinatie zeer weinig onderscheidend vermogen.
3.7
De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het woordmerk, omdat het inmiddels 5 jaar is gebruikt, en gelet op wat [eiseres] heeft gesteld over (de omvang van) haar activiteiten, meer onderscheidend vermogen heeft gekregen dan het bij aanvang had. Maar er zijn geen aanknopingspunten dat die toename significant is. [eiseres] heeft slechts algemene stellingen ingenomen over haar activiteiten die haar in beeld brengen bij juristen en bij opdrachtgevers. Maar die stellingen, zoals dat zij een podcast heeft, dat zij een van de twee organisatoren van een bepaalde award is, en dat haar oprichter een column heeft, of het feit dat [eiseres] werkt voor toonaangevende opdrachtgevers, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het woordmerk [eiseres] zijn hoge beschrijvende gehalte duidelijk is ontstegen. Uit die stellingen kan de voorzieningenrechter immers niet afleiden dat het publiek, als gevolg van intensief gebruik, de beschrijvende woordcombinatie WE en LEGAL als uniek voor één specifieke onderneming herkent. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het woordmerk [eiseres] beperkt.
De b-grond: er is geen verwarringsgevaar, geen merkinbreuk
3.8
Artikel 2.20 lid 2 sub b van het BVIE bepaalt dat sprake is van merkinbreuk als een derde een teken gebruikt dat (i) gelijk is aan of overeenstemt met het merk en (ii) in het economisch verkeer gebruikt wordt met betrekking tot gelijke of overeenstemmende waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven, (iii) indien daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat, ook wanneer die verwarring het gevolg is van associatie met het oudere merk.
3.9
[gedaagde] gebruikt haar handelsnaam voor soortgelijke diensten als die waarvoor het woordmerk is ingeschreven. Dat, zoals [gedaagde] betoogt, partijen zich anders profileren ( [eiseres] als netwerk voor juristen en [gedaagde] puur als detacheringsbureau) doet niet ter zake; het gaat erom voor welke diensten het woordmerk is ingeschreven.
3.1
Er bestaat enige overeenstemming tussen het door [gedaagde] gebruikte teken (haar handelsnaam [gedaagde] ) en het woordmerk [eiseres] . Maar dat daardoor verwarringsgevaar ontstaat, is niet aannemelijk. Voor dat oordeel is allereerst van belang dat het woordmerk [eiseres] weinig onderscheidend vermogen heeft en dus beperkte bescherming geniet. Er is enige overeenstemming, omdat [gedaagde] in haar handelsnaam ook de woorden
[woord]en
[woord]gebruikt, maar [gedaagde] heeft daar een woord tussengevoegd, namelijk het werkwoord [woord] . [woord] is van de drie woorden het meest opvallende. De handelsnaam [handelsnaam] verschilt visueel en auditief duidelijk van het woordmerk [eiseres] en heeft ook een andere betekenis. Alleen al daardoor bestaat er geen verwarringsgevaar. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat van daadwerkelijke verwarring niet is gebleken. [eiseres] heeft slechts één relatie genoemd die iets heeft gezegd over op elkaar lijkende namen, maar uit het overgelegde screenshot (productie 24) blijkt niet dat die relatie [gedaagde] heeft verward met [eiseres] .
De c-grond: [eiseres] is geen bekend merk
3.11
Artikel 2.20 lid 2 sub c van het BVIE bepaalt dat sprake is van merkinbreuk
wanneer een teken gelijk is aan of overeenstemt met een bekend merk en dat gebruik plaatsvindt zonder geldige reden en daarmee ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
3.12
[eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het woordmerk [eiseres] bekend is bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor de waren of diensten bestemd zijn. [eiseres] heeft het woordmerk inmiddels 5 jaar gebuikt en het is aannemelijk dat het daardoor meer onderscheidend vermogen heeft gekregen dan het bij aanvang had (zie hiervoor onder 3.7). Maar zij heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat haar merk in die 5 jaar een begrip is geworden binnen de Nederlandse juridische wereld en dat binnen die kring bij de combinatie van de woorden
[woord]en
[woord]onmiddellijk aan [eiseres] wordt gedacht. Daarom is er voorshands geen reden om aan te nemen dat sprake is van een bekend merk in de zin van art. 2.20 lid 2 sub c BVIE. [eiseres] kan zich niet op deze bepaling beroepen en of sprake is van ongerechtvaardigd voordeel of afbreuk kan in het midden blijven.
[gedaagde] maakt met haar handelsnaam geen inbreuk op de oudere handelsnaam [eiseres]
3.13
De handelsnaam [eiseres] is sinds februari 2020 in gebruik. Dat wordt niet door [gedaagde] betwist. De handelsnamen van partijen vertonen ook enige gelijkenis. Er is sprake van inbreuk op een handelsnaamrecht als (artikel 5 Handelsnaamwet Pro) door het gebruik van een jongere handelsnaam die in geringe mate afwijkt, in verband met de aard van de beide ondernemingen en de plaats waar zij gevestigd zijn, verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.
3.14
Bij het beantwoorden van de vraag of daarvan sprake is moeten volgens de Hoge Raad (in het standaardarrest Dairy Partners [1] ) alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. In dit geval acht de voorzieningenrechter van belang:
De behoefte om beschrijvende benamingen vrij te houden
De mate van onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam
De aard van de ondernemingen
Het feitelijke gebruik van de handelsnamen
De afwezigheid van feitelijke verwarring
Eerste omstandigheid: behoefte om beschrijvende benamingen vrij te houden
3.15
Hiervoor wijst de voorzieningenrechter op dezelfde uitspraak van de Hoge Raad, onder 2.9:
(…) Aan het algemene belang dat aanduidingen die beschrijvend zijn voor de aard van een onderneming of van de door haar geleverde waren of diensten, door een ieder vrij moeten kunnen worden gebruikt, kan in voldoende mate recht worden gedaan door dat belang te betrekken bij de beoordeling van de vraag of en, zo ja, in hoeverre, bij het relevante publiek (directe of indirecte) verwarring te duchten is.
3.16
De woorden
[woord]en
[woord]kunnen niet zomaar door een partij kunnen worden gemonopoliseerd. Het zijn algemene aanduidingen en het is in het algemeen belang dat iedereen die kan gebruiken bij de aanduiding van waren of diensten. Daarom is terughoudendheid op zijn plaats wat betreft het aannemen van verwarringsgevaar tussen [eiseres] en [gedaagde] .
Tweede omstandigheid: onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam
3.17
In dezelfde overweging van de Hoge Raad uit het Dairy Partners arrest staat dat een van de omstandigheden van het geval die in aanmerking moeten worden genomen is:
de mate van – intrinsiek aan de naam verbonden of door bekendheid bij het publiek verworven – onderscheidend vermogen van de oudere handelsnaam.Van een intrinsiek onderscheidend vermogen is hier geen sprake. De handelsnaam op zichzelf heeft vrijwel geen onderscheidend vermogen (zie hiervoor onder 3.6). Aannemelijk is wel dat de handelsnaam meer onderscheidend vermogen heeft gekregen dan deze bij aanvang had, maar er zijn geen aanknopingspunten dat die toename significant is (zie hiervoor onder 3.7). Voor beschrijvende handelsnamen die door gebruik een groot onderscheidend vermogen (en bekendheid) hebben gekregen moet men denken aan namen als Thuisbezorgd.nl of Booking.com. Het beperkte onderscheidende vermogen van de handelsnaam van [eiseres] pleit voor terughoudendheid bij het aannemen van verwarringsgevaar als bedoeld in artikel 5 Handelsnaamwet Pro.
Derde omstandigheid: aard van de ondernemingen
3.18
Beide ondernemingen zijn actief in de juridische branche. [gedaagde] betoogt dat zij zich anders profileren ( [eiseres] als netwerk voor juristen en [gedaagde] puur als detacheringsbureau). Uit de stukken en de toelichting op de zitting is evenwel voldoende aannemelijk geworden dat ook [eiseres] juristen detacheert. [gedaagde] richt zich specifiek op bestuursrechtjuristen. [eiseres] is breder actief, maar richt zich ook duidelijk op overheidsinstanties. Dat [gedaagde] voornamelijk pas afgestudeerde juristen wil detacheren en [eiseres] de wat ervarener juristen doet er ook niet aan af dat er sprake is van een overlap. Toch zijn er ook verschillen. Het grootste verschil is dat [eiseres] al lange tijd op de markt actief is, en [gedaagde] net begonnen is en nog maar enkele detacheringen heeft gedaan. De aard van de ondernemingen is al met al een factor die, als er ook andere factoren aanwezig zijn, zou kunnen bijdragen aan een conclusie dat sprake is van verwarringsgevaar. Bij afwezigheid van andere factoren doet hij dat evenwel niet.
Vierde omstandigheid: feitelijke gebruik van de handelsnamen
3.19
Als gekeken wordt naar hoe de partijen hun handelsnamen feitelijk gebruiken – dus bijvoorbeeld op hun website, is er weinig ruimte voor verwarringsgevaar. De
look & feelis duidelijk anders. De voorzieningenrechter verwijst verder naar de overwegingen die hierna volgen over de gestelde inbreuken door het logo van [gedaagde] .
Vijfde omstandigheid: niets gesteld over daadwerkelijke verwarring
3.2
Voor deze omstandigheid verwijst de voorzieningenrechter naar wat hiervoor is overwogen onder 3.10, slot.
Conclusie
3.21
Na weging van deze vijf omstandigheden komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet voldoende aannemelijk is dat er sprake is van verwarringsgevaar en dat de handelsnaam van [gedaagde] dus geen inbreuk maakt op de handelsnaam van [eiseres] . Verder verwijst de voorzieningenrechter naar wat al onder 3.10 is overwogen.
[gedaagde] maakt met haar logo geen inbreuk op het woordmerk [eiseres]
3.22
[eiseres] vordert een verbod op het gebruik van zowel het huidige logo als het oude logo. [gedaagde] heeft het oude logo vrijwillig aangepast, maar [eiseres] vindt dat niet voldoende. Volgens haar is er nog steeds sprake van een inbreuk op haar woordmerk en is die zelfs groter geworden. Zie hieronder een afbeelding van het oude en het huidige logo:
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid
[gedaagde] gebruikt sinds de aanpassing het nieuwe logo. Er is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] van plan is om het oude logo weer te gaan gebruiken. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] het oude logo opnieuw zal gaan gebruiken. Daarom richt de voorzieningenrechter zich in dit kort geding alleen op het huidige logo.
3.23
Door de prominente aanwezigheid van de woorden
[woord]en
[woord]in het logo van [gedaagde] stemt het logo volgens [eiseres] teveel overeen met haar woordmerk en maakt het inbreuk. De toevoeging van het woord
[woord]in het hart in het huidige logo maakt dat niet anders, vindt [eiseres] . Doordat de woorden
[woord]en
[woord]in het nieuwe logo even groot zijn, is de overeenstemming met het woordmerk [eiseres] nog groter.
3.24
In het logo komen de woorden
[woord]en
[woord]typografisch inderdaad meer naar voren dan het woord
[woord]. Begripsmatig wijkt het logo door toevoeging van het hart (met of zonder het woord
[woord]) echter duidelijk af van het woordmerk [eiseres] . Sinds de “I love NY” promotiecampagne, die stamt uit 1977, is het gebruik van een hart in plaats van het werkwoord
[woord]wereldwijd ingeburgerd. Uit de manier waarop het logo van [gedaagde] is vormgegeven is daarom duidelijk wat [gedaagde] met het hartje bedoelt, ook als daar niet het woord
[woord]in staat. Niemand zal het logo interpreteren als dat het enkel gaat om de twee woorden in zwarte letters, [woord] en [woord] , waarbij het hart en de witte letters [woord] niet meer dan een versiering zijn. Mensen zullen het logo lezen als: [gedaagde] . Het logo wijkt daarmee dermate af van het woordmerk [eiseres] , dat verwarringsgevaar niet te vrezen valt.
[gedaagde] maakt met haar logo geen inbreuk op de oudere handelsnaam [eiseres]
3.25
Voor het juridisch kader verwijst de voorzieningenrechter naar 3.13 en 3.14. Dat kader geldt ook als beoordeeld moet worden of het gebruik van een logo inbreuk maakt op een oudere handelsnaam. Wat hiervoor onder 3.15 tot en met 3.20 is overwogen over de gestelde inbreuk door de handelsnaam van [gedaagde] , geldt ook voor de gestelde inbreuk door het logo van [gedaagde] . De voorzieningenrechter volstaat met een verwijzing naar die overwegingen.
[gedaagde] handelt niet onrechtmatig
3.26
Het beroep van [eiseres] op de aanvullende bescherming van artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek gaat niet op. Zij voert niets aan ter onderbouwing daarvan dat zij niet ook al aanvoert ter onderbouwing van de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk.
Conclusie
3.27
Er is geen sprake van een inbreuk op de handelsnaam of het woordmerk van [eiseres] en ook niet van onrechtmatig handelen. Daaruit volgt dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.
De proceskosten
3.28
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Het gaat om kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Volgens [gedaagde] moet hier het tarief voor een eenvoudige zaak worden gehanteerd. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] en begroot de proceskosten als volgt:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 7.200,00 (maximaal eenvoudig tarief volgens IE Indicatietarieven)
- nakosten
€ 189,00(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 8.124,00
3.29
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 8.124,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan die veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, wordt daar € 98 bij opgeteld,
4.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026

Voetnoten

1.HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2021:269