Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1661

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
11835623 \ LC EXPL 25-1699
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en beëindiging opdracht na detachering

Eiseres was van november 2024 tot februari 2025 via een recruitmentbureau gedetacheerd bij gedaagde en werkte twee dagen per week als functie. Na afloop van de detachering ontstond discussie over voortzetting van werkzaamheden op basis van een mondelinge overeenkomst van opdracht.

Eiseres stelde dat zij tot en met 27 maart 2025 recht had op betaling, terwijl gedaagde dit betwistte en stelde dat er geen overeenkomst was en dat zij niet meer werkte na 18 maart 2025. Gedaagde vorderde vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling.

De kantonrechter oordeelde dat er wel degelijk een mondelinge overeenkomst bestond en dat eiseres recht had op betaling tot 27 maart 2025. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen omdat eiseres zelf had ingestemd met beëindiging per eind maart. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en incassokosten, schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11835623 \ LC EXPL 25-1699
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend en kantoorhoudend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam] B.V. en [handelsnaam],
gevestigd op [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar algemeen directeur [gemachtigde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met 9 producties;
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie, met 4 producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 1 tot en met 11;
- de nagekomen producties van [gedaagde] , ingekomen op 20 februari 2026 en
23 februari 2026;
- de e-mail van [eiseres] van 24 februari 2026;
- de reactie op die e-mail van de rechtbank van 2 maart 2026.
1.2
Op 6 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank Midden-Nederland in Almere. [eiseres] is verschenen. Namens [gedaagde] zijn verschenen [gemachtigde] (algemeen directeur) en [A] (voormalig algemeen directeur). Partijen hebben hun standpunten toegelicht. [eiseres] heeft zittingsaantekeningen voorgedragen, die aan het dossier zijn toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat met partijen is besproken.
1.3
Op de zitting is bepaald dat de uitspraak volgt op 8 april 2026.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] is van 19 november 2024 tot en met 19 februari 2025 via een recruitmentbureau als ZZP’er gedetacheerd geweest bij [gedaagde] . [eiseres] werkte twee dagen in de week bij [gedaagde] als [functie] . Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiseres] aansluitend aan die periode op basis van een overeenkomst van opdracht als [functie] bij [gedaagde] is blijven werken en [gedaagde] [eiseres] daarom tot en met 27 maart 2025 moet betalen voor haar werkzaamheden.

3.De achtergrond met de vorderingen

3.1
In december 2025 heeft [eiseres] met [B] , de toenmalige [functie] van [gedaagde] , gesproken over het voortzetten van haar werkzaamheden als [functie] voor [gedaagde] na afloop van de detacheringstermijn op 19 februari 2025. Zij hebben besproken dat [eiseres] tot de zomervakantie twee dagen in de week en na de zomervakantie één dag in de week als [functie] bij [gedaagde] zou blijven werken. Dit heeft [eiseres] vastgelegd in een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst), maar [gedaagde] heeft die overeenkomst niet getekend.
[gedaagde] stond er in januari 2025 financieel zeer slecht voor. Om een faillissement te voorkomen is een reorganisatie doorgevoerd en is vanaf 3 maart 2025 [gemachtigde] als nieuwe bestuurder aangesteld.
[eiseres] heeft op 4 maart 2025 met [gemachtigde] gesproken. [eiseres] heeft [gemachtigde] in dat gesprek verteld dat zij een overeenkomst met [gedaagde] heeft. Zij hebben afgesproken dat de overeenkomst op 31 maart 2025 zou eindigen en dat [eiseres] tot het eind van die maand haar werkzaamheden mocht voortzetten. Haar laatste werkdag zou 27 maart 2025 zijn.
Op 18 maart 2025 heeft [gemachtigde] tegen [eiseres] gezegd dat haar werkzaamheden per direct worden beëindigd en 18 maart 2025 haar laatste werkdag voor [gedaagde] was.
3.2
[eiseres] heeft voor haar werkzaamheden tot en met 27 maart 2025 twee facturen naar [gedaagde] gestuurd, een factuur van € 2.702,66 voor week 8 en 9 en een factuur van
€ 7.058,66 voor week 10 tot en met 13. [gedaagde] heeft van die facturen € 7.147,72 aan [eiseres] betaald. Dat is voor de werkzaamheden van [eiseres] tot en met 18 maart 2025. [eiseres] stelt dat zij op grond van de afspraak met [gemachtigde] ook op 20, 25 en 27 maart 2025 recht heeft op betaling. [eiseres] vordert daarom betaling van een bedrag van (€ 90,00 per uur x 24 uur =)
€ 2.613,60 inclusief btw, met rente en kosten (
conventie). Verder vordert [eiseres] vergoeding van de schade die zij heeft geleden door het voortijdig beëindigen van de overeenkomst door [gedaagde] .
3.3
[gedaagde] voert aan dat zij [eiseres] voor de laatste drie dagen in maart 2025 niet heeft betaald, omdat [eiseres] die dagen niet meer voor [gedaagde] heeft gewerkt. Volgens [gedaagde] is er nooit een overeenkomst van opdracht na afloop van de detachering tot stand gekomen en had [eiseres] in het gesprek met [gemachtigde] op 4 maart 2025 niet de indruk mogen wekken dat dat wel het geval was. [gedaagde] meent dat zij in dat gesprek door onjuiste mededelingen van [eiseres] ten aanzien van het bestaan van de overeenkomst heeft gedwaald en de overeenkomst vernietigbaar is. [gedaagde] vordert daarom dat de overeenkomst wordt vernietigd en dat [eiseres] het geld dat zij van [gedaagde] na 19 februari 2025 voor haar werkzaamheden heeft ontvangen als onverschuldigd betaald aan [gedaagde] terugbetaald, met rente en kosten (
reconventie).

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] tot betaling voor haar werkzaamheden tot en met 27 maart 2025 toewijzen. [eiseres] kan geen aanspraak maken op schadevergoeding. Deze vordering zal daarom worden afgewezen evenals de tegenvordering van [gedaagde] . Omdat [gedaagde] ongelijk krijgt moet zij de proceskosten betalen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Er is een overeenkomst van opdracht
4.2
De kantonrechter gaat ervanuit dat [B] in december 2025 heeft afgesproken dat [eiseres] na afloop van de periode van detachering op 19 februari 2025 haar werkzaamheden als [functie] voor [gedaagde] zou voortzetten. [B] heeft in deze procedure schriftelijk bevestigd dat dit niet alleen is besproken, maar ook is afgesproken. De ontkenning hiervan door [gedaagde] – terwijl alleen [eiseres] en [B] bij dat gesprek aanwezig waren – is in dat licht onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook een mondelinge overeenkomst is geldig, daarvoor hoeft die niet op schrift te zijn gesteld. Omdat de overeenkomst daarna, ondanks meerdere verzoeken van [eiseres] , niet werd getekend is [eiseres] met [A] , de toenmalige [functie] , in gesprek gegaan. [A] heeft in dat gesprek tegen [eiseres] gezegd dat door [gedaagde] was besloten om geen nieuwe financiële verplichtingen aan te gaan. [A] heeft [eiseres] voor de overeenkomst naar [B] verwezen, omdat [B] verantwoordelijk was voor de personele zaken. Uit het feit dat [A] haar heeft verteld dat [gedaagde] geen nieuwe financiële verplichtingen zou aangaan, hoefde [eiseres] niet af te leiden dat de overeenkomst met haar op losse schroeven stond. Die was immers al tot stand gekomen en [A] heeft niet tegen [eiseres] gezegd dat aan die mondelinge overeenkomst geen gevolg zou (kunnen) worden gegeven (nog los van de vraag of daarop teruggekomen kon worden). Juist vanwege het feit dat [A] zelf naar [B] verwees, hoefde [eiseres] ook niet te begrijpen dat die niet bevoegd was met haar afspraken te maken.
[eiseres] heeft daarna, in overeenstemming met de verwijzing door [A] , met [B] gesproken. Volgens [A] zou [B] aan [eiseres] hebben moeten vertellen dat de overeenkomst niet zou doorgaan, maar [eiseres] heeft ontkend dat dit ooit met haar is besproken en [gedaagde] heeft dat ook niet onderbouwd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [B] dat niet heeft gedaan en dus niet op de door hem gemaakte afspraak is teruggekomen. Dat [B] zich mogelijk niet aan de afspraak met [A] heeft gehouden, kan [eiseres] niet worden tegengeworpen. Ook toen [eiseres] na afloop van de detachering op het kantoor van [gedaagde] bleef komen en zij haar werkzaamheden als [functie] voor [gedaagde] uitvoerde, heeft niemand [eiseres] hierop aangesproken.
4.3
De kantonrechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat vanaf
20 februari 2025 tussen partijen een mondelinge overeenkomst van opdracht heeft bestaan op grond waarvan [eiseres] na afloop van de detacheringstermijn voor [gedaagde] is blijven werken.
[eiseres] heeft tot en met 27 maart 2025 recht op betaling
4.4
[eiseres] heeft op 4 maart 2025 met [gemachtigde] afgesproken dat de overeenkomst op
31 maart 2025 zou eindigen en dat zij tot en met 27 maart 2025 haar werkzaamheden bij [gedaagde] zou blijven uitvoeren en zij daarvoor zou worden betaald. Deze afspraak kan niet op grond van dwaling worden vernietigd. Nu [eiseres] in het gesprek met [gemachtigde] op 4 maart 2025 terecht heeft verteld dat zij op basis van een overeenkomst bij [gedaagde] werkzaam was, heeft [gedaagde] niet gedwaald ten aanzien van het bestaan van die overeenkomst bij het maken van de afspraak om [eiseres] tot eind maart 2025 te betalen. [gedaagde] heeft de betalingen aan [eiseres] voor haar werkzaamheden tot en met 18 maart 2025 dan ook niet onverschuldigd gedaan. De vorderingen van [gedaagde] worden daarom afgewezen.
4.5
[gedaagde] heeft [eiseres] na 18 maart 2025 niet meer betaald, omdat [gedaagde] de werkzaamheden van [eiseres] per 18 maart 2025 heeft gestopt. [gedaagde] meent dat zij dat heeft mogen doen, omdat [eiseres] haar werkzaamheden niet goed uitvoerde, haar werkzaamheden niet van toegevoegde waarde waren en zij collega’s van hun werk hield. Als dit al juist was, dan rechtvaardigde dit niet een onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst. [eiseres] heeft op basis van de afspraken die zij met [gemachtigde] heeft gemaakt recht op betaling van haar werkzaamheden tot en met 27 maart 2025. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 2.613,60 zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag is niet afzonderlijk betwist en ook toewijsbaar.
[gedaagde] is geen schadevergoeding verschuldigd
4.6
[eiseres] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie nog gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 13.239,13. [eiseres] stelt dat zij schade heeft geleden, omdat [gedaagde] de overeenkomst op 4 maart 2025 heeft opgezegd tegen eind maart 2025 en zij daarbij geen rekening heeft gehouden met de opzegtermijn van acht weken die in de overeenkomst staat.
4.7
[eiseres] heeft op 4 maart 2025 met [gemachtigde] afgesproken dat de overeenkomst op
31 maart 2025 zou eindigen en dat 27 maart 2025 haar laatste werkdag zou zijn. [eiseres] heeft dus zelf met het eindigen van de overeenkomst per eind maart 2025 ingestemd. Zij kan daarom geen aanspraak maken op vergoeding van haar schade omdat de opzegtermijn niet zou zijn nagekomen. In de gevorderde schadevergoeding zitten ook nog advocaatkosten, kosten voor de deurwaarder en buitengerechtelijke kosten. Daarop wordt hierna ingegaan.
Buitengerechtelijke kosten
4.8
[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van € 499,96 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 272,25 aan advocaatkosten. Omdat [eiseres] zich in de voorfase heeft laten bijstaan door een advocaat kan zij aanspraak maken op een vergoeding van de kosten die zij voor het uitbrengen van de dagvaarding heeft gemaakt ter voldoening van haar vordering. De vergoeding waar [eiseres] recht op heeft wordt beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Volgens het Besluit wordt één bedrag toegekend, waarin alle kosten zijn meegenomen. Bij de hoofdsom die in deze zaak wordt toegewezen, is volgens het Besluit een vergoeding van € 386,36 redelijk. De kantonrechter zal de vordering daarom tot dit bedrag toewijzen.
In de schadeopstelling als productie bij de conclusie van antwoord is ook een bedrag aan wettelijke rente opgenomen. Nu onduidelijk is of dit ook op de buitengerechtelijke incassokosten ziet en bovendien in de eis in de dagvaarding en bij de gewijzigde eis niet nadrukkelijk wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is gevorderd, zal geen wettelijke rente worden toegewezen.
Proceskosten
4.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom in conventie en in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiseres] wordt in deze procedure niet bijgestaan door een gemachtigde. [eiseres] is zelf op de mondelinge behandeling verschenen. Daarvoor zal het geldende forfaitaire bedrag van € 50,00 (€ 50,00 per zitting) aan [eiseres] worden toegekend. De proceskosten van [eiseres] worden in conventie begroot op:
- dagvaarding € 122,35
- griffierecht € 257,00
- salaris € 50,00
- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
________
Totaal € 450,85
De kosten voor het inschakelen van de deurwaarder die [eiseres] heeft geclaimd zijn beperkt tot het hiervoor genoemde bedrag voor het uitbrengen van de dagvaarding.
De proceskosten in reconventie worden voor [eiseres] vastgesteld op nihil.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.1
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat vordert en daar geen bezwaar tegen is gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.613,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 386,36 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 450,85, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.6
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
5.7
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
41264