Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1662

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/16/608731 / KG ZA 26-137
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 FaillissementswetArt. 29a RvArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming vaststellingsovereenkomst en veroordeling tot betaling koopsom en boetes

Partijen sloten op 3 november 2025 een vaststellingsovereenkomst waarin eisers hun aandelen overdroegen aan gedaagden, met betaling van de koopsom uiterlijk 3 maart 2026. Deze betaling is niet voldaan, ondanks dat dit een fatale termijn betrof. Eisers vorderden in kort geding nakoming van de overeenkomst.

De voorzieningenrechter beoordeelde de vordering aan de hand van drie criteria: de aannemelijkheid van de vordering, het spoedeisend belang en het restitutierisico. De vordering werd als keihard en niet betwist beschouwd, het spoedeisend belang was aanwezig vanwege de fatale termijn en het restitutierisico ontbrak.

Gedaagden brachten een laat verweer aan over matiging van boetes, maar dit werd niet ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter veroordeelde gedaagden hoofdelijk tot betaling van de hoofdsom van €500.000, boetes, rente, buitengerechtelijke incassokosten van €4.725 en proceskosten van €8.820,05. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct ten uitvoer kan worden gelegd.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de koopsom, boetes, rente, incassokosten en proceskosten, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/608731 / KG ZA 26-137
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. J.M. Deveer,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
verschenen in persoon,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
verschenen in persoon,
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
verschenen in persoon,
4. de heer mr. L.L.M. Prinsen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[gedaagde sub 4] B.V.,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
niet verschenen,
5.
[gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,
verschenen in persoon,
6.
[gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 6] ,
verschenen in persoon,
7.
[gedaagde sub 7] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 7] B.V.,
verschenen in persoon.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A. Schriemer als griffier.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaardingen met producties 1 t/m 4;
- de brief van eisers met producties 5 t/m 13.
1.2
Op 8 april 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. Daarbij waren aanwezig:
- [A] , (in)direct statutair bestuurder van eisers;
- mr. Deveer;
- [gedaagde sub 5] , handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van (in)direct statutair bestuurder [gedaagde sub 1] ;
- [gedaagde sub 6] , handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van (in)direct statutair bestuurder [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ;
- de heer [B] , handelend in hoedanigheid van (in)direct statutair bestuurder van [gedaagde sub 7] B.V.;
- mr. C. Lathouwers, die de zitting observeert namens de curator in het faillissement van [gedaagde sub 4] .
1.3
De voorzieningenrechter heeft ten eerste opgemerkt dat eisers na het uitspreken van het faillissement de curator hebben gedagvaard in een zaak waarin ze voldoening van een geldvordering op [gedaagde sub 4] eisen en dat dit niet kan (art. 26 Faillissementswet Pro). Mr. Deveer heeft daarop laten weten de vorderingen tegen de curator in te trekken en de voorzieningenrechter heeft laten noteren dat mr. Lathouwers de zitting observeert en zich niet formeel namens de curator heeft gesteld.
1.4
Op de mondelinge behandeling hebben mr. Deveer, de heer [gedaagde sub 5] , de heer [gedaagde sub 6] en de heer [B] het woord gevoerd en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de mondelinge behandeling is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan zijn hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.De kern van de zaak

Partijen hebben op 3 november 2025 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) gesloten. Eisers hebben daarin met gedaagden afgesproken dat [eiseres sub 1] haar aandelen in [gedaagde sub 4] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] overdraagt. De betaling van de koopsom (en nog een ander bedrag dat [eiseres sub 2] tegoed had van [gedaagde sub 4] ) is uitgesteld tot 3 maart 2026. Dat is een fatale termijn. Er zijn verschillende garanties afgegeven. Gedaagden hebben op 3 maart 2026 niets voldaan. Eisers vorderen in dit kort geding nakoming van de vso.

3.De beoordeling

Toetsingskader veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding
3.1
Als iemand, zoals eisers hier doen, een geldvordering instelt in een kort geding, moet de voorzieningenrechter drie factoren beoordelen:
of voldoende aannemelijk is dat de geldvordering bestaat, dus: is het een harde vordering;
of er spoed bij is, dat wil zeggen dat van de eiser niet gevergd kan worden dat die een bodemprocedure afwacht;
of er een risico is dat de eiser het bedrag niet kan terugbetalen als een rechter in een bodemprocedure of in hoger beroep anders zou beslissen (het zogenaamde restitutierisico).
Deze drie punten zijn communicerende vaten, waarbij de belangen van partijen steeds tegen elkaar worden afgewogen. Als er aan één punt in ruime mate is voldaan, kan dat betekenen dat de andere twee punten een stuk minder relevant worden. Bijvoorbeeld: hoe aannemelijker het is dat de vordering bestaat, hoe minder streng wordt getoetst of aan de criteria van spoedeisendheid en restitutierisico is voldaan.
De vordering van eisers is voldoende aannemelijk
3.2
De vordering van eisers is meer dan aannemelijk: hij is keihard. Gedaagden betwisten de vordering ook niet. Het enige inhoudelijke verweer is van [gedaagde sub 7] . Dat komt erop neer dat hij mogelijk in een bodemprocedure een verweer zou kunnen voeren, omdat hem mogelijk een onjuiste voorstelling van de gang van zaken is gegeven op het moment dat hij de garantie gaf. Maar hoe en wat heeft [gedaagde sub 7] nog niet kunnen onderzoeken omdat hij daar nog geen tijd voor had. Dit levert geen serieuze betwisting op van de vordering op [gedaagde sub 7] . Aan het eerste vereiste voor het toewijzen van de vordering is voldaan.
3.3
Nadat de inhoudelijke behandeling was gesloten en de partijen op de gang in gesprek waren gegaan terwijl de rechter het mondelinge vonnis aan het voorbereiden was, heeft [gedaagde sub 5] nog gezegd dat gedaagden een beroep willen doen op matiging van de boetes. Dat is te laat. Een dergelijk verweer moet naar voren worden gebracht bij de inhoudelijke behandeling. Het verweer ziet overigens maar op een klein deel van de vordering. Toch wil de rechter de partijen wel meegeven dat het kan zijn dat de boetes op een gegeven moment dermate hoog oplopen, dat matiging in beeld komt.
Eisers hebben een spoedeisend belang
3.4
Aan het tweede vereiste voor het toewijzen van de vordering is ook voldaan. De aandelen zijn vijf maanden geleden al geleverd en de betaling van de koopsom is toen uitgesteld tot uiterlijk 3 maart 2026. Alles in de vso ademt dat gedaagden tot die datum uitstel van betaling krijgen, maar dat op die dag betaald moet zijn. Als dat niet zo is, gaan er meerdere garanties in en worden hoge boetes verbeurd. De vso hecht er dus enorm belang aan dat er uiterlijk op 3 maart 2026 wordt betaald. Omdat op deze datum toch niet is betaald, hebben eisers een spoedeisend belang bij een veroordeling tot betaling van hun vorderingen.
Gesteld noch gebleken dat er een restitutierisico is
3.5
Gesteld noch gebleken is dat er een restitutierisico is. Dat kan dus aan toewijzing van de vorderingen niet in de weg staan.
De vorderingen van eisers worden toegewezen
3.6
Omdat alle drie de factoren pleiten voor eisers zal de voorzieningenrechter de vorderingen van eisers toewijzen. Het petitum (dat is de manier waarop de eis precies is geformuleerd op het einde van de dagvaarding) sluit aan bij de tekst van de vso. Er is geen verweer gevoerd tegen hoe de eis precies is geformuleerd.
Gedaagden moeten de buitengerechtelijke incassokosten van eisers betalen
3.7
Eisers vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daar is geen verweer tegen gevoerd. Eisers beroepen zich niet op de bepaling in de vso over vergoeding van kosten maar op artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 4.725,00 worden toegewezen.
Gedaagden moeten de proceskosten van eisers betalen
3.8
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
392,05
- griffierecht
7.062,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.820,05
3.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld
3.1
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag waartoe hij of zij hoofdelijk veroordeeld is te betalen. Maar als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3.11
[gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] hoeven pas te betalen als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet betalen [1] . De voorzieningenrechter begrijpt de eis zo, dat
directnadat blijkt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet voldoen, het vonnis ook tegen [gedaagde sub 5] , [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] kan worden tenuitvoergelegd.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.12
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, ook als één van partijen hoger beroep instelt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan eisers te betalen:
( i) de hoofdsom van € 500.000,--
(ii) de rente van 6 % per jaar over de hoofdsom van € 500.000,-- vanaf 15 februari
2026 tot de dag der algehele voldoening;
(iii) de (vaste) boete van € 10.000.-- ( [gedaagde sub 2] );
(iv) de (vaste) boete van € 10.000,-- ( [gedaagde sub 1] );
( v) de (lopende) boetermijnen van € 1.000,-- per dag voor zowel [gedaagde sub 2] als voor [gedaagde sub 1] vanaf 3 maart 2026 tot de dag der algehele voldoening;
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] hoofdelijk om, als [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] niet of niet volledig aan de veroordeling hiervoor onder 4.1 voldoen, aan eisers te betalen het door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] uit hoofd van de veroordeling onder 4.1 onbetaald gelaten bedrag, met dien verstande dat ze als [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] niet of niet volledig aan de veroordeling onder 4.1 sub (i) voldoen, niet meer dan € 250.000,-- hoeven te voldoen;
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 7] om, als [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] niet of niet volledig aan de veroordeling hiervoor onder 4.1 sub (i) voldoen, aan eisers te betalen een bedrag van € 250.000,--;
4.4
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan eisers te betalen een bedrag van € 4.725,00 aan buitengerechtelijke kosten;
4.5
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 8.820,05, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.6
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.

Voetnoten

1.dat wil zeggen: als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet voldoen aan de veroordeling onder 4.1.