ECLI:NL:RBMNE:2026:1663

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
11937508 \ UC EXPL 25-8343
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 lid 2 BWArt. 7:24 lid 1 BWArt. 6:58 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument krijgt schadevergoeding wegens non-conformiteit tweedehands auto

Eiser, een consument, kocht een tweedehands BMW 535i van gedaagde, een handelaar in auto's. Kort na aankoop bleek de auto ernstige gebreken te vertonen, waaronder olielekkage en foutmeldingen, waardoor veilig gebruik niet mogelijk was. Eiser vorderde schadevergoeding wegens non-conformiteit en weigerde herstel.

De kantonrechter oordeelde dat de auto niet voldeed aan de verwachtingen die eiser mocht hebben, mede omdat de gebreken binnen zes weken na levering aan het licht kwamen. Gedaagde kon niet aantonen dat de gebreken pas na levering waren ontstaan en had bovendien geen herstel uitgevoerd. Het verweer dat eiser niet meewerkte aan herstel werd verworpen.

De schadevergoeding werd vastgesteld op €3.654,84, inclusief waardedaling en gemaakte reparatiekosten. Daarnaast werden kosten voor foutdiagnose (€192,39), buitengerechtelijke kosten (€490,48) en proceskosten (€1.126,71) toegewezen. De wettelijke rente werd toegekend vanaf de dag van dagvaarding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten wegens non-conformiteit van de tweedehands auto.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11937508 \ UC EXPL 25-8343
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.H. Oksuz,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam]
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. B.A.V.J. Mooren.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 17 september 2025 met 7 producties
- de conclusie van antwoord met 7 producties
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitsproken.

2.De kern van de zaak

[eiser] , een consument, heeft een tweedehands BMW 5 535i (de auto) gekocht van [gedaagde] , een handelaar in auto’s. Na enkele weken komt [eiser] erachter dat de auto gebreken vertoont. [eiser] vordert in deze procedure een schadevergoeding van [gedaagde] , omdat hij vindt dat de auto niet voldeed aan wat hij daarvan mocht verwachten (non-conformiteit) en [gedaagde] heeft geweigerd om de auto te herstellen. [eiser] heeft de auto uiteindelijk verkocht voor een lager bedrag. [gedaagde] vindt dat hij niet hoeft te betalen, omdat de auto volgens [gedaagde] wel voldeed aan wat [eiser] daarvan mocht verwachten. Maar de wet zegt dat de auto in elk geval geschikt moet zijn voor normaal gebruik en dat is niet het geval. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] heeft geweigerd om aan herstel mee te werken, slaagt niet. Hij moet de schade van [eiser] dus vergoeden.
3 De beoordeling
[gedaagde] moet de schade van [eiser] vergoeden
3.1
[gedaagde] moet de schade van [eiser] vergoeden, omdat de auto non-conform was. [1] Het verweer van [gedaagde] dat hij geen gelegenheid heeft gehad om te herstellen omdat [eiser] weigerde om mee te werken aan een foutdiagnose, [2] slaagt niet. De schade van [eiser] bedraagt € 3.654,84. Daarnaast moet [gedaagde] ook de kosten voor de foutdiagnose van
€ 192,39 vergoeden. Hierna wordt dat stap voor stap uitgelegd.
De auto voldoet niet aan de verwachting die [eiser] daarvan mocht hebben
3.2
De door [eiser] op 21 november 2024 van [gedaagde] gekochte auto was non-conform. Volgens de wet is een zaak non-conform als deze niet de eigenschappen heeft die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [3] In elk geval moet de zaak de eigenschappen bezitten die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn. [gedaagde] betwist dat de gebreken zo ernstig waren dat normaal gebruik niet meer mogelijk was, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. Met name de ernstige olielekkage, de vele foutmeldingen en de continue aandrijfmelding, waarbij de auto tijdens deelname aan het verkeer afsloeg, zijn gebreken waardoor normaal gebruik, dat wil zeggen veilige deelname aan het wegverkeer, van de auto niet mogelijk was. Immers, met een auto deelnemen aan het wegverkeer die afslaat is niet veilig. Ook de grote hoeveelheid foutmeldingen maken de auto onbetrouwbaar. [eiser] heeft ter onderbouwing van de ernst van de olielekkage een offerte van de BMW Dealer [bedrijf] overgelegd. [4] Uit de offerte blijkt dat het reinigen van de olie alleen al € 2.559,69 zou kosten.
3.3
Dat de auto al tien jaar oud was met een kilometerstand van 215.000 leidt niet tot een andere beslissing. Dit geldt ook voor het feit dat de auto zonder APK-goedkeuring is verkocht. Ook bij de aankoop van een oude auto geldt namelijk dat de koper mag verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn. [5]
3.4
Dat zou anders zijn geweest als [gedaagde] [eiser] voorafgaand aan de koop had geïnformeerd over de gebreken, maar dat is niet het geval. Ook de lage prijs maakt geen verschil, behalve als [gedaagde] daarbij had duidelijk gemaakt dat de lage prijs werd aangeboden vanwege de gebreken. Maar [gedaagde] heeft geen mededelingen over de gebreken gedaan, bijvoorbeeld in de advertentie of mondeling voorafgaand aan de verkoop. Zowel [gedaagde] als [eiser] hebben namelijk verklaard dat zij niet op de hoogte waren van de gebreken tijdens de koop en levering van de auto. [eiser] mocht dus verwachten dat de auto geschikt was voor normaal gebruik in het verkeer. Dat [eiser] rekening moest houden met kosten voor onderhoud in verband met de kilometerstand van de auto spreekt voor zich. Dit is echter iets anders dan het niet veilig kunnen deelnemen aan het wegverkeer omdat de auto al na enkele weken ernstige gebreken vertoonde.
Wettelijk vermoeden van non-conformiteit bij consumentenkoop
3.5
Omdat [eiser] een consument is en [gedaagde] een handelaar in auto’s, is er sprake van een consumentenkoop. De wet beschermt consumenten tegenover handelaren door middel van een wettelijk vermoeden bij consumentenkoop dat, als de gebreken zich voordoen binnen één jaar na levering, een vermoeden bestaat dat de zaak al op het moment van de levering non-conform was. [6] Omdat de gebreken zich al binnen zes weken na levering van de auto voordeden [7] en [gedaagde] niet heeft aangetoond dat de gebreken pas na levering zijn ontstaan, moet er van worden uitgegaan dat de auto al op het moment van levering non-conform was.
Er is geen sprake van schuldeisersverzuim
3.6
[eiser] heeft recht op schadevergoeding op grond van de wet. Een consument heeft dat recht namelijk als sprake is van non-conformiteit. Daarvoor is niet eerst nodig dat de verkoper in de gelegenheid wordt gesteld om te herstellen. [8] Er is dus ook geen sprake van schuldeisersverzuim, zoals [gedaagde] stelt. Overigens heeft [eiser] [gedaagde] op 17 februari 2025 wel degelijk de gelegenheid gegeven om de auto te herstellen toen deze bij de garage stond. [9] Maar [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij toen niet heeft hersteld omdat de storingsmeldingen lastig te verhelpen waren.
3.7
Dat [gedaagde] [eiser] op 24 februari 2025 telefonisch heeft aangeboden om de auto voor de oorspronkelijke prijs terug te kopen, betekent niet dat [gedaagde] nu geen verplichting meer heeft om de schade van [eiser] te vergoeden. Uit de whatsappberichten van 24 en 25 februari 2025 blijkt dat [gedaagde] en [eiser] op 24 februari 2025 gesproken hebben over de auto en dat [gedaagde] een aanbod heeft gedaan om de auto terug te kopen voor de oorspronkelijke prijs. [10] Omdat [eiser] echter de voorkeur gaf aan herstel, hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] navraag zou doen bij de garage over het storingsvrij maken van de auto. [gedaagde] bericht [eiser] op 25 februari 2025 – na navraag bij de garage – dat herstel zeer lastig en kostbaar is en dat [gedaagde] daarom een andere oplossing wilde. Maar nog in hetzelfde bericht trekt [gedaagde] het aanbod om de auto voor de oorspronkelijke prijs terug te kopen in. [eiser] heeft daarmee – nadat duidelijk was geworden dat herstel zeer lastig en kostbaar was – geen kans gehad om op het aanbod van [gedaagde] in te gaan. [eiser] heeft [gedaagde] op 25 februari 2025 alsnog gevraagd om de auto terug te kopen, maar [gedaagde] heeft niet meer gereageerd.
De schade van [eiser] bedraagt € 3.654,84
3.8
Het door [eiser] gevorderde schadebedrag van € 3.654,84 zal worden toegewezen. [eiser] heeft de auto vanwege de vele gebreken op 5 mei 2025 verkocht aan een derde partij voor een bedrag van € 8.000,00. Dat is een waardedaling van € 4.750,00 ten opzichte van de oorspronkelijke koopprijs van de auto van € 12.750,00. Weliswaar heeft [eiser] in de periode tussen november 2024 en mei 2025 het voordeel gehad dat hij in de auto kon rijden, maar de auto heeft in die tijd ook vaak bij de garage gestaan. Daarnaast heeft [eiser] zelf ook kosten gemaakt om onderdelen van de auto te repareren en/of te vervangen, waaronder de velgen. Daardoor zou de auto juist meer waard moeten zijn geworden in plaats van minder.
3.9
[gedaagde] heeft de omvang van de schade betwist. Volgens [gedaagde] had de auto bij een andere dealer voor een hoger bedrag kunnen worden verkocht. Maar die stelling heeft hij niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met verklaringen of verkoopbonnen van vergelijkbare auto’s. Een waardedaling van € 4.750,00 is ook niet onaannemelijk omdat het herstel en de reiniging van de olielekkage alleen al € 2.559,69 zou kosten. [11] Daarbij zou het oplossen van de foutmeldingen volgens zowel [gedaagde] als [eiser] een lastige klus zijn.
3.1
Het bedrag dat [eiser] in deze procedure als (vervangende) schade vordert is ruim € 1.000,00 lager dan de waardedaling van € 4.750,00. Daarmee is een verdere discussie over de vraag of de waardedaling reëel is dus ook niet meer nodig. Het is voldoende aannemelijk dat [eiser] in elk geval voor een bedrag van € 3.654,84 schade heeft geleden. Daarom zal dit bedrag worden toegewezen.
[gedaagde] moet de kosten voor de foutdiagnose vergoeden
3.11
[eiser] heeft recht op de kosten die hij heeft gemaakt voor de foutdiagnose (de factuur van € 192,39 van BMW Dealer [bedrijf] [12] ). Dit zijn namelijk kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid die volgens de wet voor vergoeding in aanmerking komen. [13]
3.12
Omdat de vordering wordt toegewezen, behoeven de overige stellingen en weren geen verdere bespreking.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.13
[eiser] heeft [gedaagde] tot 17 mei 2025 de gelegenheid gegeven om actie te ondernemen om de auto te herstellen. [eiser] vordert vanaf die datum de wettelijke rente over de schade. Maar de wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van een geldsom. Dat is vanaf het moment dat [eiser] [gedaagde] heeft laten weten dat hij de vordering tot nakoming (herstel) heeft omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Uit het procesdossier blijkt dat [eiser] dit pas in de dagvaarding heeft laten weten. [eiser] heeft daarom op grond van artikel 6:119 BW Pro recht op de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De gevorderde wettelijke rente over het schadebedrag zal daarom worden toegewezen vanaf 17 september 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten van [eiser] betalen
3.14
[eiser] vordert een forfaitaire vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijk tarief, zoals in het Besluit bepaald. Dat is een bedrag van € 490,48. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.15
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.126,71
3.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.17
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van
€ 3.654,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 192,39 aan kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 490,48 aan buitengerechtelijke kosten,
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.126,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1. tot en met 4.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.W. Zwart en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Art. 7:17 lid 2 en Pro 7:24 lid 1 BW.
2.Art. 6:58 BW Pro “schuldeisersverzuim
3.Daarbij moet volgens art. 7:17 lid 2 BW Pro rekening gehouden worden met de aard van de zaak (een tweedehands auto) en de mededelingen van de verkoper vóór of bij de verkoop.
4.Productie 4 [eiser] .
5.Hof 's-Hertogenbosch 17 november 2015,
6.Art. 7:18a lid 2 BW.
7.Whatsapp bericht 2 januari 2025, Productie 3 [eiser] /Productie 4 [gedaagde] .
8.Art. 7:24 lid 1 BW Pro/Hof Arnhem-Leeuwarden, 19 mei 2025,
9.Whatsapp berichten vanaf 17 februari 2025, Productie 3 [eiser] /Productie 4 [gedaagde] .
10.Productie 4 [gedaagde] .
11.Productie 4 [eiser] .
12.Productie 6 [eiser] .
13.Art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW.