Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1665

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/2777
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning uitbreiding eerste verdieping en dakopbouw

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort heeft op 5 februari 2026 een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de eerste verdieping en het bouwen van een dakopbouw met dakkapellen op een perceel in Amersfoort.

Verzoekers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar hun bezwaarschriften zijn te laat ingediend, namelijk op 25 en 27 maart 2026, terwijl de termijn zes weken na bekendmaking (5 februari 2026) op 19 maart 2026 eindigde. Verzoekers erkenden deze overschrijding en voerden aan dat zij de bouwtekeningen pas na de termijn hadden ontvangen, waardoor zij niet tijdig bezwaar konden maken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het opvragen van bouwtekeningen geen geldige reden is om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, aangezien verzoekers ook een formeel bezwaarschrift hadden kunnen indienen. De bezwaren zijn daarom niet-ontvankelijk en hebben geen kans van slagen. Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang en de evident ongegrondheid van het verzoek, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens te late indiening van bezwaarschriften en gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2777

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen

1. [verzoeker sub 1] ,

2. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3]

uit [plaats] , verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).

Procesverloop

1. Met het besluit van 5 februari 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de eerste verdieping aan de achterzijde en het realiseren van een dakopbouw met dakkapellen op het perceel van [adres] in [plaats] .
2. Verzoekers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gezamenlijk verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 16 april 2026 bericht dat de bouwwerkzaamheden naar verwachting aan het einde van de week voltooid zijn.

Overwegingen

3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat zij het verzoek als kennelijk ongegrond afwijst. [1] De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen indien tegen een
besluit bezwaar is gemaakt. Het college heeft een kopie van de bezwaarschriften meegezonden. Het college heeft de voorzieningenrechter in de brief van 15 april 2026 laten weten dat de bezwaarschriften waarschijnlijk binnen twee weken niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verzoekers hun bezwaarschriften te laat hebben ingediend en daar geen goede reden voor hebben.
5. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omgevingsvergunning bekend is gemaakt. [2] Bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. [3]
6. In dit geval heeft het college het besluit (de omgevingsvergunning) op 5 februari 2026 naar de vergunninghouder verzonden en daarmee dus bekendgemaakt. De bezwaarschriften hadden dus uiterlijk op 19 maart 2026 door het college ontvangen moeten zijn.
7. Verzoekers hebben hun bezwaarschriften digitaal ingediend op 25 maart 2026 om 21:54 en op 27 maart 2026 om 09:21. Dat blijkt uit de stukken in het dossier. Dat betekent dat de bezwaren te laat zijn ingediend. Verzoekers hebben dit zelf ook erkend in hun bezwaarschriften.
8. Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, mag het college besluiten het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen. Dit is anders wanneer er een geldige reden is waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. [4] Met de brief van 27 maart 2026 heeft het college verzoekers twee weken de gelegenheid gegeven om een eventuele reden van de overschrijding van de bezwaartermijn schriftelijk mee te delen.
9. Verzoekers hebben in de brief van 3 april 2026 aangegeven dat zij binnen de bezwaartermijn de bouwtekeningen behorende bij de omgevingsvergunning bij het college hebben opgevraagd, omdat de bouwtekeningen noodzakelijk waren om de aard en omvang van het bouwplan te kunnen beoordelen. Ondanks herhaalde verzoeken zijn de stukken pas op 23 maart 2026, en dus na het verstrijken van de bezwaartermijn, door het college aan verzoekers verstrekt, om welke reden de termijnoverschrijding verzoekers redelijkerwijs niet kan worden verweten. Ook voeren verzoekers aan dat de gepubliceerde aanvraag zag op een ander bouwplan, dan waarvoor het college uiteindelijk een omgevingsvergunning heeft verleend.
10. Dat verzoekers de bouwtekeningen hebben opgevraagd om hun bezwaargronden te formuleren, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden om te oordelen dat de bezwaren verschoonbaar te laat zijn ingediend. Verzoekers hadden er ook voor kunnen kiezen om alleen een ‘formeel’ (pro-forma) bezwaarschrift in te dienen, met daarin de opmerking dat de redenen van het bezwaar- na ontvangst van alle bij de omgevingsvergunning behorende stukken- zouden worden ingediend.
11. Gelet op het voorgaande en de brief van het college van 15 april 2026 hebben de bezwaren van verzoekers evident geen kans van slagen, omdat deze niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. De voorzieningenrechter ziet ook niet dat de omgevingsvergunning evident onrechtmatig is.
12. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om een
voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb.
3.Artikel 3:41 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.