ECLI:NL:RBMNE:2026:1675
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vordering tot afgifte van hond aan eigenaar na zorgperiode door gedaagde
Eiser, eigenaar van de hond genaamd [naam], vordert in kort geding de afgifte van de hond van gedaagde, die tijdens de ziekenhuisopname en revalidatie van eiser voor de hond zorgde. Gedaagde weigert de hond terug te geven, stellende dat hij beter voor de hond kan zorgen vanwege de kracht en energie van de hond en de omstandigheden van eiser.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vordering toewijsbaar is indien aannemelijk is dat eiser in een bodemprocedure zal winnen en er een spoedeisend belang is. Het spoedeisend belang is aanwezig vanwege het levend dier. Eiser is onbetwist eigenaar van de hond. De rechter benadrukt dat hoewel een hond een levend wezen is, de regels over zaken uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn, waaronder revindicatie.
De voorzieningenrechter weegt het belang van de hond mee en stelt dat geen duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser niet voor de hond kan zorgen of dat afgifte tot een onacceptabele situatie leidt. De stellingen van gedaagde zijn onvoldoende onderbouwd. De vordering tot afgifte wordt daarom toegewezen, evenals een dwangsom voor het geval gedaagde niet voldoet. Proceskosten worden gecompenseerd tussen partijen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot afgifte van de hond aan eiser binnen twee dagen, met een dwangsom bij niet-naleving.