ECLI:NL:RBMNE:2026:169

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
16/001139-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontploffing bij school door verdachte en medeverdachten op Nieuwjaarsnacht

Op 1 januari 2025 heeft de verdachte, samen met anderen, een ontploffing veroorzaakt bij een school in Vleuten. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het medeplegen van deze ontploffing, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De verdachte ontkende betrokken te zijn geweest bij het maken van de vuurwerkbom, maar de rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 10 dagen op, evenals een taakstraf van 40 uren. Het verzoek van de officier van justitie om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen werd afgewezen, omdat de gemeente Utrecht, als eigenaar van het schoolgebouw, geen verzoek tot schadevergoeding had ingediend. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, die geen verdere begeleiding nodig achtte.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/001139-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 13 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. H.F.C. Hoogendoorn (hierna: de advocaat);
  • de ouders van [verdachte] ;
  • mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • mevrouw R. Feenstra, jeugdreclasseerder bij Samen Veilig Midden-Nederland.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
primair
op 1 januari 2025 samen met anderen opzettelijk met cobra’s en flessen wasbenzine een ontploffing teweeg heeft gebracht bij het [school] in Vleuten, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair
op 1 januari 2025 opzettelijk behulpzaam is geweest bij het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom bij het [school] in Vleuten, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat [verdachte] het primaire feit heeft gepleegd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van de gehele beschuldiging.
Daarbij voert hij verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank: bewezenverklaring van het primaire feit
Inleiding
Vaststaat dat op 1 januari 2025 rond 01:50 uur door twee personen een vuurwerkbom op een deur van het [school] werd geplakt en vervolgens werd aangestoken, waarna een ontploffing plaatsvond. Deze vuurwerkbom bestond uit twee cobra’s en twee flessen wasbenzine, die aan elkaar vast getapet zaten, en één losse cobra. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben bekend dat zij de vuurwerkbom hebben aangestoken. Daarbij heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij op Oudjaarsnacht met [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] was en dat zij met zijn vieren de vuurwerkbom hebben gemaakt en hebben bedacht om de vuurwerkbom bij het [school] te plaatsen.
[verdachte] ontkent dat hij betrokken was bij het maken van de vuurwerkbom en het plan om de vuurwerkbom bij het [school] te plaatsen. Hij was wel bij het [school] aanwezig op het moment dat de vuurwerkbom werd aangestoken, maar hij heeft de ontploffing slechts gefilmd en is verder niet betrokken geweest bij het plaatsen en/of aansteken van de vuurwerkbom.
De rechtbank zal hierna uitleggen dat zij vindt dat er sprake was van een samenwerking tussen [verdachte] en de anderen en dat daarom bewezen kan worden dat [verdachte] samen met die anderen schuldig is aan de ontploffing bij het [school] .
Bewijsoverweging
Om veroordeeld te worden voor het ‘medeplegen’ van een strafbaar feit, moet er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders zijn. Ook als geen sprake is van het samen uitvoeren van het feit, kan sprake zijn een nauwe en bewuste samenwerking. Het gaat om wat de verdachte heeft gedaan bij onder meer de voorbereiding en uitvoering van het strafbare feit (materiele bijdrage) en/of zijn bijdrage bij het bedenken, meedenken en beslissen daarvan (intellectuele bijdrage). Als die bijdrage belangrijk genoeg is, dan kan sprake zijn medeplegen. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, kan rekening worden gehouden met hoe veel er samengewerkt werd, de taakverdeling tussen de verdachte en de anderen, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het strafbare feit en het belang van de rol van de verdachte, of hij op belangrijke momenten aanwezig was en dat hij niet gestopt is toen dat kon.
De advocaat stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] (actief) betrokken is geweest bij de voorbereiding van de ontploffing of bij het plaatsen en/of aansteken van de vuurwerkbom. [verdachte] was alleen aanwezig op het moment dat de vuurwerkbom werd aangestoken en heeft de ontploffing ook gefilmd, maar er was dus geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.
Hoewel [verdachte] bij het [school] vooral alleen de ontploffing heeft gefilmd, heeft [medeverdachte 2] gezegd dat [verdachte] ook mee heeft gedaan bij het bedenken van het plan en het maken van de vuurwerkbom. De rechtbank hecht waarde aan de verklaring van [medeverdachte 2] , omdat de rechtbank in andere stukken uit het dossier aanwijzingen ziet dat die verklaring klopt, namelijk in wat de politie in de telefoons van [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gevonden. In berichten op die telefoons wordt ruim één uur voorafgaand aan de explosie al gesproken over de ontploffing, waarbij [verdachte] spreekt over dat hij samen met anderen (‘we’) het [school] gaat opblazen. Ook weet [verdachte] voor de ontploffing al waar de vuurwerkbom van gemaakt is. Dit past bij de verklaring van [medeverdachte 2] dat [verdachte] ook betrokken is geweest bij het maken van de vuurwerkbom. Dat de berichten anders uitgelegd moeten worden en dat [verdachte] via anderen wist hoe de vuurwerkbom in elkaar zat, daar gaat de rechtbank niet in mee (dat is niet aannemelijk geworden).
Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft bedacht om de vuurwerkbom te maken. Daarbij heeft hij ook een rol gehad bij het maken van de vuurwerkbom. [verdachte] en de medeverdachten zijn vervolgens met zijn vieren bij het [school] samengekomen met als doel om de ontploffing te weeg te brengen. Daarmee is de bijdrage van iedere verdachte in de voorbereiding van zodanig gewicht geweest dat op dat moment al sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten en daarmee van medeplegen. Het maakt vervolgens voor het bewijs van de samenwerking bij dit strafbare feit niet meer uit wie uiteindelijk de vuurwerkbom heeft afgestoken. Het doel was hetzelfde, en ieder van hen had de vuurwerkbom aan kunnen steken, alleen zijn het in dit geval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geweest.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens het [school] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van vernieling van het [school] , gelegen aan de [adres] in [plaats] . Op 1 januari 2025 zag ik dat er een gat van ongeveer 20 tot 30 cm in de ruit naast de hoofdingang zit. Daarnaast zag ik erg veel roetschade op het kozijn, muren en de houten overkapping. De klap is zo groot en krachtig geweest dat een grote doos, gevuld met lichtarmaturen, ook was vernield. [2] Daarnaast zijn er ook een aantal schilderijen van de muur op de grond kapot gevallen. [3]
De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: We gaan terug naar de avond/nacht van 1 januari. Met wie was je deze avond?
A: [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , bij mij thuis.
V: Waar was je rond 1:50 uur?
A: Bij [school] .
V: Er is een vuurwerkbom afgestoken bij het [school] . Ben jij hierbij betrokken geweest?
A: Ik ben betrokken geweest. [4]
A: Ik stond bij de losse cobra en [medeverdachte 1] bij de bom. Het lukte [medeverdachte 1] niet om die aan te steken. Toen zijn we gewisseld van plek. Ik stond dus bij de bom en [medeverdachte 1] bij de losse cobra. Toen heb ik de bom aangestoken en [medeverdachte 1] heeft de losse cobra aangestoken. [5]
A: We hebben ‘m met z’n vieren met elkaar bij mij thuis in elkaar geknutseld. Daarna zijn we naar die school gegaan, hebben we hem op het raam geplakt en hebben we ‘m laten afgaan.
V: We gaan ervan uit dat je zegt met dat ding dat het die bom is. Klopt dat?
A: Ja
V: Waar bestond die bom uit?
A: Twee cobra’s en twee wasbenzine flessen.
V: Hoe ging dat in elkaar zetten van die bom?
A: Gewoon twee flessen met tape en die cobra’s ertussen. [6]
V: Wanneer is dat bedacht?
A: Die dag zelf, de 31e (
de rechtbank begrijpt: 31 december 2024).
V: Wie heeft het plan bedacht?
A: We hebben het met z’n vieren bedacht.
V: En die vier zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en jij?
A: Ja.
V: En iedereen heeft wel wat gedaan bij het maken van die bom en in het gebeuren?
A: Ja. [7]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , met bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 1 januari 2025 onderzocht ik de telefoon van [verdachte] . Ik las in de applicatie Snapchat een chat met een contact genaamd ‘ [Snapchat contactnaam 1] ’. [8]
Tijd
Afzender
Inhoud
00:26 uur
Ik
Kijk me loca
We gaan zo het amadeus opblazen
00:28 uur
[Snapchat contactnaam 1]
Mee wat dan
00:28 uur
Ik
3 cobra’s 2 wasbenzine [9]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , met bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Onder de verdachte [medeverdachte 3] is een mobiele telefoon in beslag genomen. [10]
Ik heb in de data gezocht op “ [school] ". Ik trof hierbij, onder andere, een chatgesprek aan die gevoerd is op 1-1-2025 via Snapchat tussen “ [Snapchat contactnaam medeverdachte 3] ” & “ [Snapchat contactnaam 2] ”. Ik zag in dit Snapchatgesprek dat “ [Snapchat contactnaam medeverdachte 3] ” door “ [Snapchat contactnaam 2] ”, “ [medeverdachte 3] ” genoemd werd. [11]
Tijd
Afzender
Inhoud
00:55 uur
[Snapchat contactnaam medeverdachte 3]
ik ga even amadeus op lazen blazen
01:02 uur
[Snapchat contactnaam 2]
Met wie?
01:07 uur
[Snapchat contactnaam medeverdachte 3]
met [medeverdachte 2] en zin zmatties
01:17 uur
[Snapchat contactnaam 2]
Heb mij in je achterhoofd als je die hele school opblaast [12]
01:21 uur
[Snapchat contactnaam medeverdachte 3]
Waarom dat
Ik wil geen andere gedachtes gwn amadeus opblazen.
01:54:41 uur
[Snapchat contactnaam medeverdachte 3]
Attachment (
de rechtbank: begrijpt een video van de ontploffing)
02:01 uur
[Snapchat contactnaam 2]
Ik mag niet opslaan hé
02:02 uur
[Snapchat contactnaam medeverdachte 3]
Jawel
Als het moet zit ik voor feze [13]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op de telefoon van verdachte [verdachte] is een filmbestand van 1 januari 2025 om 01:51:56 uur aangetroffen. Op de beelden is de ingang van het [school] in Vleuten te zien. Er wordt gesproken op deze video door een mannen-/jongensstem. De gesproken tekst is "4 cobra's, 2 flessen wasbenzine, voor deze kanker..... (niet te verstaan)” [14] .
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
primair
op 1 januari 2025 te Vleuten, gemeente Utrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- cobra's vast te maken aan flessen (gevuld met) benzine,
- ( vervolgens) dat explosief tegen de deur van het [school] te plakken,
- ( vervolgens) dat explosief met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken,
- ( waardoor) vlammen/vuur en een explosie zijn ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten ramen, muren, deuren, kozijnen en een houten overkapping van het [school] , een doos met lichtarmaturen en schilderijen, te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
4.2
Strafbaarheid feit en [verdachte]
Het feit en [verdachte] zijn strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 80 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren,
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de periode die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat verzoekt de rechtbank om rekening te houden met het geslaagde mediationtraject en de gevolgen die het feit voor [verdachte] heeft gehad. Zo heeft [verdachte] van school moeten wisselen en heeft hij (lang) in voorarrest verbleven. Volgens de advocaat heeft [verdachte] hierdoor al de consequenties van zijn gedrag ervaren. Het opleggen van een werkstraf heeft daarom geen pedagogische meerwaarde, mede gelet op de omstandigheid dat het lang heeft geduurd voordat de strafzaak inhoudelijk is behandeld.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij het [school] op Nieuwjaarsnacht. Hij heeft samen met zijn mededaders bedacht om een vuurwerkbom bij het [school] af te steken en heeft ook geholpen bij het maken van de vuurwerkbom. De ontploffing heeft grote materiële schade aan het schoolgebouw toegebracht. [verdachte] heeft door zijn handelen blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Ook heeft het handelen van [verdachte] gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Dit geldt niet alleen voor de medewerkers en de leerlingen van het [school] , maar ook voor de maatschappij en in het bijzonder de omwonenden van de school. De rechtbank neemt dit [verdachte] kwalijk.
Daar staat tegenover dat de rechtbank het positief vindt dat [verdachte] met de school in gesprek is gegaan (mediation), waarbij hij niet alleen zijn spijt heeft betuigd, maar ook (grotendeels) zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 2 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.
Advies van de Raad voor de Kinderbescherming
De Raad heeft op 24 december 2025 een rapportage over [verdachte] opgesteld. De Raad ziet veel beschermende factoren. [verdachte] groeit op in een betrokken gezin, heeft een positieve vrijetijdsbesteding (zoals sport en werk) en is niet geïnteresseerd in antisociaal gedrag. Ook doet hij het goed op school. In het afgelopen jaar heeft [verdachte] goed meegewerkt aan de begeleiding van de jeugdreclassering en zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden. De Raad vindt het niet nodig dat [verdachte] nog langer door de jeugdreclassering wordt begeleid, omdat [verdachte] en zijn ouders voldoende in staat zijn om de positieve lijn verder voort te zetten. De Raad schat in dat de kans klein is dat [verdachte] opnieuw strafbare feiten pleegt.
De Raad adviseert om een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen. Volgens de Raad is het niet nodig om een voorwaardelijke straf aan [verdachte] op te leggen, omdat deze nauwelijks pedagogische meerwaarde heeft en niet nodig is om het recidiverisico te verlagen. Wel vindt de Raad het passend om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, zodat [verdachte] de gevolgen van zijn handelen ervaart.
Straf
Omdat sprake is van een heel ernstig feit vindt de rechtbank dat er in ieder geval jeugddetentie moet worden opgelegd. [verdachte] heeft in zijn voorarrest al in de jeugdgevangenis gezeten en de rechtbank vindt dat hij daarmee genoeg jeugddetentie heeft gehad. [verdachte] hoeft van de rechtbank niet opnieuw naar de jeugdgevangenis. Daarom zal een onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd worden die niet langer duurt dan de dagen die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten.
De rechtbank vindt het wel van belang dat [verdachte] nog de gevolgen van zijn handelen ervaart. De rechtbank zal daarom aan [verdachte] nog een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de volgende straf passend en geboden is: een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 10 dagen, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft doorgebracht (10 dagen), en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren.
De straf die rechtbank aan [verdachte] oplegt, is lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. [verdachte] en zijn ouders hebben verklaard dat de 10 dagen voorarrest ontzettend veel indruk hebben gemaakt op [verdachte] (en zijn gezin). [verdachte] was voor dit feit nog niet eerder op deze manier in aanraking met politie en justitie gekomen. [verdachte] zegt dat hij tijdens zijn detentieperiode zijn lesje wel heeft geleerd en nooit meer in aanraking wil komen met politie en justitie. De rechtbank gelooft [verdachte] daarin.
Gelet op het advies van de Raad zal de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, geen voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Hierbij weegt mee dat de kans dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit pleegt laag wordt ingeschat en dat geen reden wordt gezien voor verdere begeleiding door de jeugdreclassering of het opleggen van bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet net als de Raad geen pedagogische meerwaarde voor een hogere straf.
De straf die rechtbank aan [verdachte] oplegt, wijkt af van de straffen die de rechtbank aan de mededaders oplegt. Daarbij weegt mee dat [verdachte] niet diegene is geweest die de vuurwerkbom heeft aangestoken (de rechtbank legt [verdachte] een lagere taakstraf op dan de mededaders die de vuurwerkbom hebben aangestoken) en dat [verdachte] ten tijde van het feit 15 jaar oud was (de rechtbank legt [verdachte] ook een lagere onvoorwaardelijke jeugddetentie op dan de mededaders die ouder zijn dan [verdachte] ).
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.In beslag genomen voorwerpen

Onder [verdachte] zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:
 1 1 STK Telefoontoestel (goednummer: 3460856);
 1 1 STK Bivakmuts (goednummer: 3460866).
6.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de telefoon verbeurd te verklaren en de bivakmuts terug te geven aan [verdachte] .
6.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om de telefoon terug te geven aan [verdachte] .
6.3
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal de telefoon verbeurd verklaren, omdat deze gebruikt is bij (de voorbereiding van) het bewezenverklaarde feit.
Teruggave aan [verdachte]
De bivakmuts wordt teruggegeven aan [verdachte] , omdat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Schadevergoedingsmaatregel?

Inleiding
Het [school] heeft geen verzoek tot schadevergoeding ingediend voor de schade aan het schoolgebouw. Op het wensenformulier heeft de gemachtigde van het [school] aangegeven dat het gebouw eigendom is van de gemeente Utrecht. De gemeente Utrecht heeft zich niet als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Als een slachtoffer zich niet in het strafproces heeft gevoegd, kan de strafrechter ambtshalve een schadevergoedingsmaatregel opleggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Zij acht een totaalbedrag van € 40.000 euro op zijn plaats als vergoeding voor de schade die de gemeente Utrecht heeft geleden. De officier van justitie heeft (per verdachte) gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 10.000,00.
7.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af te wijzen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en heeft daarbij het volgende laten meewegen.
Allereerst weegt mee dat de gemeente Utrecht een professionele partij is, waarvan verwacht mag worden dat zij kennis heeft van de juridische mogelijkheden tot het vorderen van schadevergoeding. De gemeente Utrecht heeft er (kennelijk op dit moment) voor gekozen om (nog) geen verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Het is niet bekend wat de afwegingen van de gemeente daarbij zijn geweest. Niet kan worden uitgesloten dat de schade mogelijk op een andere wijze is vergoed, bijvoorbeeld door een verzekeraar.
Ook weegt mee dat onvoldoende duidelijk is wat de omvang van de schade aan het [school] is geweest. Het dossier bevat wel een aanvraag voor een offerte van herstelwerkzaamheden, maar daaruit volgt niet dat de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd dan wel wat de daadwerkelijke kosten van de herstelwerkzaamheden zijn geweest. De rechtbank kan op basis van het dossier dan ook niet vaststellen wat de omvang van de schade aan het schoolgebouw is geweest.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op artikelen 33, 33a, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n en 157 van het Wetboek van Strafrecht
-

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] het
primaire feitheeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot
een jeugddetentie voor de duur van 10 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (10 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een
werkstraf van 40 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 20 dagen jeugddetentie;
schadevergoedingsmaatregel
- wijst af de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
beslag
- verklaart 1 STK Telefoontoestel (3460856) verbeurd;
- gelast de teruggave aan [verdachte] van 1 STK Bivakmuts (3460866);
voorlopige hechtenis
- heft op het - al geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. T.C.P. Christoph, (kinder-)rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
primairhij op of omstreeks 1 januari 2025 te Vleuten, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- een of meer cobra's, althans een of meer stuks (knal)vuurwerk, vast te maken aan een of meer flessen (gevuld met) benzine en/of
- (vervolgens) dat explosief, in elk geval die cobra's, althans dat (knal)vuurwerk, met de flessen (gevuld met) benzine, aan/bij/tegen het (raam)kozijn en/of de deur van de hoofdingang van het [school] te plaatsen/plakken/leggen en/of
- (vervolgens) dat explosief, in elk geval die cobra's, althans het (knal) vuurwerk, met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken,
- (waardoor) vlammen/vuur en/of een explosie zijn/is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten ramen en/of muren en/of deuren en/of kozijnen en/of een houten overkapping, althans het gebouw, van het [school] , en/of een doos met lichtarmaturen en/of schilderijen, te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] op of omstreeks 1 januari 2025 te Vleuten, gemeente Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door
- een of meer cobra's, althans een of meer stuks (knal)vuurwerk, vast te maken aan een of meer flessen (gevuld met) benzine en/of
- (vervolgens) dat explosief, in elk geval die cobra's, althans dat (knal)vuurwerk, met de flessen (gevuld met) benzine, aan/bij/tegen het (raam)kozijn en/of de deur van de hoofdingang van het [school] te plaatsen/plakken/leggen en/of
- (vervolgens) dat explosief, in elk geval die cobra's, althans het (knal) vuurwerk, met vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken,
- (waardoor) vlammen/vuur en/of een explosie zijn/is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten ramen en/of muren en/of deuren en/of kozijnen en/of een houten overkapping, althans het gebouw, van het [school] , en/of een doos met lichtarmaturen en/of schilderijen, te duchten was,
waarbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 1 januari 2025 in Vleuten en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, (meermalen) (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- af te spreken en/of aanwezig te zijn bij een afspraak in de woning van T. Bus en/of
- meerdere telefonische berichten te verzenden en/of
- een tas met vuurwerk en/of flessen en/of benzine te dragen/mee te nemen en/of
- digitaal een locatie te delen en/of
- een video te maken en/of een video te delen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitale paginanummers uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025000200, doorgenummerd pagina 1 tot en met 318. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens het [school] , d.d. 1 januari 2025, pagina 11.
3.Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens het [school] , d.d. 1 januari 2025, pagina 12.
4.Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 14 januari 2025, pagina 310.
5.Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 14 januari 2025, pagina 315.
6.Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 14 januari 2025, pagina 311.
7.Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 14 januari 2025, pagina 312.
8.Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 1 januari 2025, pagina 21.
9.Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 1 januari 2025, met als bijlage een foto van een chatgesprek, pagina 34.
10.Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 2 januari 2025, pagina 112.
11.Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 2 januari 2025, pagina 113.
12.Een geschrift, te weten een chatgesprek tussen [Snapchat contactnaam medeverdachte 3] en [Snapchat contactnaam 2] , pagina 114 en 115.
13.Een geschrift, te weten een chatgesprek tussen [Snapchat contactnaam medeverdachte 3] en [Snapchat contactnaam 2] , pagina 115.
14.Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 5 januari 2025, pagina 96.