Eiseres heeft op 18 december 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waardoor eiseres op 2 februari 2026 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld op 12 januari 2026. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen alsnog binnen een nader bepaalde termijn een besluit te nemen.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn van 52 weken is vastgesteld. In dit geval betekent dit dat verweerder uiterlijk op 11 februari 2027 een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 50,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 467,-) en het betaalde griffierecht (€ 54,-).