De rechtbank Midden-Nederland ontving op 2 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 2004. De zitting vond plaats op 23 maart 2026, waarbij betrokkene en een GZ-psycholoog werden gehoord.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis en een verslavingsstoornis, wat leidt tot ernstig lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Er is zorg nodig om dit ernstig nadeel af te wenden, maar vrijwillige zorg is niet mogelijk, waardoor verplichte zorg noodzakelijk is.
De toegewezen zorgmachtiging omvat diverse vormen van verplichte zorg, waaronder medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen, insluiting en toezicht. De rechtbank oordeelde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de zorgmaatregelen evenredig en effectief zijn.
Hoewel de advocaat pleitte voor een duur van zes maanden vanwege het instabiele beeld en het ontbreken van een vervolgplek, vond de rechtbank twaalf maanden passend. De GZ-psycholoog lichtte toe dat het herstelproces instabiel is met terugvallen en dat een vangnet na ontslag noodzakelijk blijft.
De beschikking is op 23 maart 2026 mondeling gegeven en op 26 maart 2026 schriftelijk vastgelegd. Tegen deze beschikking staat cassatie open.