Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1727

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12090345
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:628a lid 3 BWArt. 7:673 lid 1 sub b onder 2 BWArt. 6:119 BWArtikel 3.5A horeca-cao
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding oproep-arbeidsovereenkomst en toekenning achterstallig loon

Werknemer sloot op 5 juli 2025 een oproep-arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Werkgever en werkte regelmatig in juli en augustus 2025. Na een discussie over onbetaald gebleven uren werd Werknemer niet meer opgeroepen.

Werknemer vorderde achterstallig salaris van €560 bruto over augustus 2025, wettelijke verhoging, rente, ontbinding van de arbeidsovereenkomst, loonstroken en een transitievergoeding. Werkgever verscheen niet in de procedure en leverde geen verweer.

De kantonrechter oordeelde dat de vordering tot betaling van het achterstallige loon, inclusief 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 8 december 2025, toewijsbaar is. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd eveneens toegewezen met ingang van 6 mei 2026. De transitievergoeding werd afgewezen omdat geen ernstig verwijtbaar handelen van Werkgever was vastgesteld.

Daarnaast werd Werkgever veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening loonstroken te verstrekken, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten van €814 werden aan Werkgever opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, loonstroken en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12090345 \ UE VERZ 26-54
Beschikking van 6 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.J.R.L. Lankreijer,
tegen
[verweerder] B.V., tevens h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 5 februari 2025 een verzoekschrift met zesentwintig producties ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 april 2026. Op die zitting is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [verweerder] is niet verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend.
1.2.
Op de zitting heeft [verzoeker] een afschrift overgelegd waaruit volgt dat het verzoekschrift op 19 maart 2026 bij deurwaardersexploot aan [verweerder] is aangeboden.
De kantonrechter heeft om die reden de zitting voortgezet. Door of namens [verzoeker] is zijn standpunt toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een beschikking zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 2008, heeft op 5 juli 2025 een oproep-arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [verweerder] . In de maanden juli en augustus 2025 heeft [verzoeker] regelmatig door [verweerder] gewerkt. Nadat een discussie ontstond over onbetaald gebleven gewerkte uren is [verzoeker] niet meer opgeroepen. [verzoeker] maakt in deze procedure aanspraak op achterstallig salaris (€ 560,00 bruto) voor de maand augustus 2025 en de wettelijke verhoging en rente daarover. Verder verzoekt [verzoeker] om de ontbinding van de oproep-arbeidsovereenkomst, het verstrekken van loonstroken van de gewerkte maanden en maakt hij aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter wijst de verzoeken grotendeels toe en overweegt daarover als volgt.

3.De beoordeling

Het achterstallige salaris over de maand augustus 2025 zal worden toegewezen
3.1.
[verzoeker] maakt in totaal aanspraak op 56 uren aan onbetaald salaris voor de maand augustus 2025. Hierbij gaat het om 54 niet uitbetaalde gewerkte uren en 2 niet-gewerkte uren, waar [verzoeker] alsnog aanspraak op meent te kunnen maken in verband met een te late wijziging van het tijdstip van de oproep. [1]
3.2.
Op de zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij elke keer vóór de aanvang van zijn werkzaamheden op een persoonlijk urenregistratieformulier zijn uren moest noteren. Die uren moest hij ook voor zichzelf met een paraaf aftekenen. Op 18 augustus 2025 is dit niet goed gegaan, doordat [verzoeker] haast had bij het invullen van zijn urenregistratieformulier. Hij heeft zijn in- en uitkloktijden vermeld, maar is vergeten het totaal aan door hem gewerkte uren voor die dag op te tellen. [verweerder] is uitgegaan van de opgetelde uren en heeft ook de gewerkte 8 uur op 18 augustus gemist en die dus te weinig uitbetaald.
3.3.
Verder heeft [verzoeker] toegelicht dat hij een aantal gewerkte uren in augustus niet heeft genoteerd op zijn persoonlijk urenregistratieformulier. Het gaat om de volgende dagen en uren:
  • 3 augustus 2025 (10 uren);
  • 8 augustus 2025 (7 uren);
  • 9 augustus 2025 (10 uren);
  • 10 augustus (10 uren);
  • 24 augustus 2025 (9 uren).
In totaal gaat het om 46 niet-geregistreerde uren. Dit kwam volgens [verzoeker] doordat het persoonlijk urenregistratieformulier niet altijd bij [verweerder] voorhanden was en door een medewerker van [verweerder] dan werd toegezegd dat die uren nadien nog zouden worden genoteerd. Dit is voor deze data vervolgens nooit gebeurd, aldus [verzoeker] .
3.4.
Ter onderbouwing van de gewerkte uren op 3 augustus 2025 heeft [verzoeker] een Whatsappbericht van 2 augustus 2025 overgelegd waaruit volgt dat hij ‘morgen’ (dus 3 augustus 2025) vanaf 12:00 uur komt werken. Ter onderbouwing van de gewerkte uren op 8 augustus 2025 (7 uren), 9 augustus 2025 (10 uren) en 10 augustus (10 uren) heeft [verzoeker] een Whatsappbericht van 8 augustus 2025 overgelegd waaruit volgt dat hij voor deze drie data door [verweerder] is opgeroepen. Ter onderbouwing van de gewerkte uren op 24 augustus 2025 (9 uren) heeft [verzoeker] een Whatsappbericht van 24 augustus 2025 overgelegd waaruit volgt dat hij voor diezelfde dag door [verweerder] is opgeroepen.
3.5.
Volgens [verzoeker] bestaat verder nog aanvullend aanspraak op de betaling van 2 niet-gewerkte uren voor maandag 11 augustus 2025, omdat uit een Whatsappbericht van 8 augustus 2025 volgt dat hij die dag is opgeroepen om vanaf 12:00 uur te komen werken terwijl later aan hem is bericht dat hij pas vanaf 14.00 hoefde te komen werken. Dat die mededeling door [verweerder] is gedaan, volgt volgens [verzoeker] uit de inkloktijd die staat genoteerd op zijn persoonlijk urenregistratieformulier. Die inkloktijd is 14.00 uur, en dat is twee uur later dan de oorspronkelijke oproep uit het Whatsappbericht.
3.6.
Door [verweerder] is niet weersproken dat [verzoeker] de bovengenoemde uren wel heeft gewerkt, maar niet uitbetaald heeft gekregen. De kantonrechter zal [verweerder] daarom veroordelen tot de uitbetaling van deze uren, wat in totaal neerkomt op € 560,00 bruto.
De wettelijke verhoging van 50% zal worden toegewezen
3.7.
Omdat [verweerder] het loon niet tijdig heeft betaald, zal ook de gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris worden toegewezen. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
[verweerder] moet de wettelijke rente betalen
3.8.
[verweerder] moet ook de gevorderde wettelijke rente over het verschuldigde bedrag betalen. [verzoeker] heeft namelijk meerdere keren aan [verweerder] verzocht om het verschuldigde bedrag aan hem te betalen en dat heeft [verweerder] niet gedaan. De rente zal daarom worden toegewezen over het achterstallige salaris vanaf 8 december 2025, tot aan de dag van volledige betaling.
De ontbinding van de oproep-arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen
3.9.
Op grond van artikel 7:671c BW kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.10.
De kantonrechter zal het ontbindingsverzoek van [verzoeker] toewijzen. Vaststaat is dat [verweerder] het salaris van [verzoeker] in de maand augustus 2025 niet volledig heeft betaald. Verder volgt uit een Whatsappbericht van 18 september 2025 dat [verzoeker] vanaf september 2025 niet meer door [verweerder] is opgeroepen, doordat [verzoeker] uit de Whatsappgroep is verwijderd van waaruit hij werd opgeroepen. Gelet hierop is sprake van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.11.
[verzoeker] heeft geen datum verzocht voor het bepalen van het einde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal deze datum daarom bepalen op de datum van deze beschikking.
De transitievergoeding zal worden afgewezen
3.12.
[verzoeker] heeft verzocht om de toekenning van een transitievergoeding. Toekenning van deze vergoeding is bij een ontbindingsverzoek door de werknemer alleen mogelijk als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [2] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Van dergelijk handelen is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Niet is komen vast te staan dat [verzoeker] vanaf september niet meer door [verweerder] is opgeroepen vanwege zijn beklag over het achterstallige salaris van augustus 2025, zoals door [verzoeker] gesteld. De discussie over het achterstallige loon heeft, zo begrijpt de kantonrechter, vragen opgeroepen die voorstelbaar zijn. Het achterhalen van de onderbouwing van de gewerkte uren verliep ook tijdens de mondelinge behandeling moeizaam en is deels terug te voeren op de manier waarop [verzoeker] de door hem gewerkte uren onder de aandacht van [verweerder] heeft gebracht. De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [verweerder] de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate heeft geschonden en zal daarom de transitievergoeding afwijzen.
[verweerder] moet loonstroken verstrekken van de gewerkte maanden
3.13.
De vordering tot het verstrekken van de salarisstroken voor de gewerkte maanden (juli en augustus 2025), binnen vijf dagen na betekening, zal worden toegewezen. De gevraagde dwangsom wordt ook toegewezen, in die zin dat deze zal worden vastgesteld op € 50,00 per dag en zal gemaximeerd worden op € 500,00.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.14.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). Omdat [verzoeker] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [verweerder] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten voor betekening van de beschikking (als onderdeel van de nakosten).
De wettelijke rente over de proceskosten
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.16.
De kantonrechter zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [verzoeker] ;
4.2.
bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 6 mei 2026;
4.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van het achterstallige loon van € 560,00 voor de maand augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over dat bedrag van 50%;
4.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over het achterstallige salaris vanaf 8 december 2025, tot aan de dag van volledige betaling;
4.5.
veroordeelt [verweerder] om binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] de salarisstroken voor de gewerkte maanden (juli en augustus 2025) te verstrekken, op straffe van een door [verweerder] te betalen dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat [verweerder] in gebreke blijft met voldoening aan deze veroordeling, met een maximum van € 500,00;
4.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [3] ;
4.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie artikel 7:628a lid 3 BW en artikel 3.5A van de horeca-cao.
2.Zie artikel 7:673 lid 1 sub b onder Pro 2 BW en artikel 7:671c lid 2 sub b BW.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.