Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- het aanvullend en gewijzigd verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op
- het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 27 februari 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 februari 2026;
- het bericht van de GI van 27 februari 2026.
- de pleegouders met hun advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] namens de GI met hun advocaat;
- [C] namens de Raad;
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De standpunten
5.De beoordeling
”Het uitgangspunt van de RvdK is dat de RvdK niet toetst wanneer de kinderrechter dat al gedaan heeft. In de beschikking van 5 december 2025 heeft de kinderrechter zich zeer expliciet uitgelaten over het perspectief van [minderjarige] bij moeder in het MKH. De Raad ziet daarom geen rol voor zichzelf weggelegd in het kader van de toetsende taak”.De kinderrechter kan zich vinden in het standpunt van de Raad dat de Raad in deze specifieke zaak geen toetsende rol heeft.
5 december 2025 het volgende overwogen:
5 december 2025 als volgt overwogen:
Ook is niet duidelijk wat er moet gebeuren als tijdens de moeder-kindplaatsing blijkt dat de volledige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet haalbaar is. Het is cruciaal voor de ontwikkeling van [minderjarige] en het continueren van de veilige gehechtheid dat zij, mocht de plaatsing mislukken, terug kan keren naar haar pleegouders.”
23 februari 2026 al gewerkt aan een plan om de omgang van [minderjarige] met de pleegouders vorm te geven, en zullen dat op korte termijn met pleegouders overleggen. Hoewel de pleegouders inmiddels een verzoek tot omgang met [minderjarige] hebben ingediend bij de rechtbank, hoopt de kinderrechter dat alle betrokkenen in goed overleg buiten procedures om afspraken over de omgang kunnen maken en dat de relatie tussen moeder en de pleegouders normaliseert.
6.De beslissing
mr. J. Mather als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.