De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een in 2022 gebouwde vrijstaande woning vast op €556.000,- met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde een lagere waarde van €413.000,- voor, gebaseerd op zijn eigen aankoopprijs in september 2021, geïndexeerd naar de waardepeildatum.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde de marktwaarde op de waardepeildatum moet weerspiegelen, bepaald via de vergelijkingsmethode met referentiewoningen. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix van drie vergelijkbare woningen in dezelfde buurt, recent verkocht nabij de waardepeildatum.
De rechtbank vond dat de taxatiematrix en toelichting voldoende aannemelijk maakten dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Het eigen aankoopcijfer van eiser werd niet als maatgevend beschouwd, omdat de aankoop meer dan een jaar voor de waardepeildatum plaatsvond en onduidelijk was wat precies was gekocht (grond, cascowoning of woning). Ook was de wijk uniek met een lagere kavelprijs en bijzondere verplichtingen.
Daarom wees de rechtbank het beroep af, verklaarde het ongegrond en wees eiser geen vergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door rechter Rijlaarsdam op 17 april 2026.