Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1794

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/16/598120 / BE ZA 25-43
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:3 lid 1 onder e BWArt. 21 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfrechtelijke afwikkeling na onvrijwillige verbreking samenwoning en geldigheid testamentaire beschikkingen

Mevrouw erflaatster overleed in 2023 en liet een testament na waarin haar partner tot enig erfgenaam was benoemd, met een clausule die verval van erfstelling bij vrijwillige verbreking van samenwoning bepaalde. De erfgenaam betwistte of de samenwoning niet vrijwillig was verbroken en vorderde onder meer dat de partner geen erfgenaam meer zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de samenwoning door omstandigheden buiten de wil van partijen was geëindigd vanwege de ernstige gezondheidsachteruitgang van erflaatster en opname in een zorginstelling. De partner bleef betrokken en bezocht erflaatster regelmatig. De relatie was niet beëindigd, alleen de samenwoning.

Verder oordeelde de rechtbank dat een gouden muntenverzameling eigendom was van de partner en niet tot de nalatenschap behoorde, en dat de erfgenaam onvoldoende belang had bij inzage in bankafschriften. Ook was niet gebleken dat de partner onwaardig was om te erven.

De rechtbank wees alle vorderingen van de erfgenaam af en veroordeelde haar in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat onvrijwillige verbreking van samenwoning de testamentaire bepalingen niet doet vervallen.

Uitkomst: De rechtbank wijst alle vorderingen van de erfgenaam af en bevestigt dat de testamentaire beschikkingen ten gunste van de partner niet vervallen zijn door onvrijwillige verbreking van de samenwoning.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598120 / BE ZA 25-43
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E.A.S. van Spanje,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.P.A. Hoogstad.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 12;
- de akte overleggen producties van [eiser] met productie 18;
- de akte overleggen producties van [gedaagde] met producties 13 t/m 15.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026, waarbij partijen samen met hun advocaten aanwezig waren. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De advocaten hebben spreekaantekeningen voorgelezen, deze zijn aan het procesdossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1
Op [overlijdensdatum] 2023 is mevrouw [erflaatster] overleden (hierna: erflaatster). Zij is de moeder van [eiser] . Zij had een relatie met [gedaagde] . Of dat in de periode voor haar overlijden nog steeds zo was, staat in deze procedure ter discussie.
2.2
Erflaatster heeft voor het laatst een testament gemaakt op 15 augustus 2007. Hierin heeft zij [gedaagde] tot haar enig erfgenaam benoemd en hem ook tot executeur aangewezen, welke benoemingen hij heeft aanvaard. Erflaatster legateert verder aan [eiser] een bedrag ter hoogte van haar erfdeel dat zij zou hebben gekregen als zij samen met [gedaagde] erfgenaam was. Tot slot is van belang dat erflaatster ten aanzien van de beschikkingen ten gunste van [gedaagde] het volgende heeft bepaald:
“C. Verval beschikkingen
Indien ik ten tijde van mijn overlijden ongehuwd ben en geen geregistreerd partner ben en ten tijde van mijn overlijden de samenwoning met mijn genoemde partner is verbroken sluit ik mijn genoemde partner uit als erfgenaam in mijn nalatenschap en vervallen alle in dit testament hiervoor en hierna gemaakte beschikkingen ten behoeve van mijn genoemde partner. De beschikkingen ten behoeve van mijn partner blijven echter in stand indien de samenwoning door omstandigheden buiten onze wil is geëindigd.”
2.3
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Zij twisten allereerst over de vraag of de beschikkingen in het testament van erflaatster ten gunste van [gedaagde] zijn vervallen. Volgens [eiser] is dit het geval, omdat hun relatie over was en daarmee hun samenwoning vrijwillig is geëindigd. Zij vordert daarom primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] geen erfgenaam meer is van erflaatster. [gedaagde] betwist dit. Volgens hem blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat zij nog wel partners waren, maar niet meer samenwoonden omdat de toestand van erflaatster dat niet toeliet.
2.4
Verder vordert [eiser] subsidiair dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot taxatie van de gouden munten die tot de nalatenschap van erflaatster behoren en dat hij deze moet opnemen in de aangifte erfbelasting, een en ander op straffe van een dwangsom. Volgens haar hebben partijen dit afgesproken. Voor zover de rechtbank dit anders ziet, geldt volgens [eiser] dat deze munten tot de nalatenschap behoren en haar vordering om die reden moet worden toegewezen. [gedaagde] stelt daarentegen dat deze munten zijn eigendom zijn en betwist dan ook dat partijen voormelde afspraak hebben gemaakt. Daarnaast vordert [eiser] op straffe van een dwangsom afgifte van alle bankafschriften van erflaatster die zien op de zeven jaar voorafgaand aan haar overlijden. Volgens haar hebben partijen ook hierover een afspraak gemaakt en, voor zover de rechtbank daar anders over oordeelt, heeft zij als legataris belang bij afgifte van de stukken. [gedaagde] betwist dit.
2.5
Tot slot vordert [eiser] meer subsidiair een verklaring voor recht dat [gedaagde] onwaardig is om te erven, als vast komt te staan dat hij goederen van de nalatenschap heeft verduisterd. [gedaagde] betwist dat hij goederen heeft verduisterd en wijst er bovendien op dat uit de wet volgt dat je onwaardig bent om te erven als je een uiterste wil hebt verduisterd. Dit geldt volgens hem dus niet als hij goederen zou hebben verduisterd.
2.6
[gedaagde] krijgt op alle punten gelijk. De rechtbank zal daarom alle vorderingen van [eiser] afwijzen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Hierna wordt toegelicht waarom de rechtbank deze beslissingen neemt.

3.De beoordeling

De beschikkingen ten gunste van [gedaagde] zijn niet vervallen
3.1
Tussen partijen staat ter discussie of de beschikkingen in het testament van erflaatster ten gunste van [gedaagde] zijn vervallen. Zoals vermeld, is dit het geval als de samenwoning tussen erflaatster en [gedaagde] was verbroken op het moment dat erflaatster overleed. Dit is slechts anders als de samenwoning is geëindigd door omstandigheden buiten de wil van erflaatster en [gedaagde] . Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van. Dat zal hierna worden uitgelegd.
3.2
Tussen partijen staat het volgende vast. Erflaatster en [gedaagde] hebben sinds 1987 een liefdesrelatie met elkaar. Zij wonen vanaf 1998 samen en hebben in 2007 een samenlevingscontract met elkaar gesloten. In de nacht van 16 op 17 november 2022 is erflaatster gevallen en heeft zij haar heup gebroken. Zij is naar het ziekenhuis gebracht en is daar geopereerd. In diezelfde maand is erflaatster uit het ziekenhuis ontslagen en opgenomen op de geriatrische revalidatieafdeling van [revalidatiecentrum] in Den Haag. Uit een brief van een verpleegkundige van [revalidatiecentrum] aan de huisarts van erflaatster blijkt dat de revalidatie stagneerde. Dit kwam mede doordat de cognitie van erflaatster achteruitging. Hoewel zowel erflaatster als [gedaagde] aanvankelijk een duidelijke wens hadden voor een terugkeer naar huis, stemden zij uiteindelijk in met de aanvraag voor een onderzoek op grond van artikel 21 Wet Pro zorg en dwang (Wzd). De reden hiervoor was dat de cognitie van erflaatster zo ernstig achteruitging dat een woonvorm voor mensen met dementie passender was. In de tijd dat erflaatster in het ziekenhuis en op de revalidatieafdeling van [revalidatiecentrum] verbleef, heeft [gedaagde] haar bijna dagelijks bezocht.
3.3
In februari 2023 is erflaatster onderzocht door het Centrum Indicatiestelling Zorg. Uit dit onderzoek bleek kort gezegd dat het nodig was om erflaatster op te nemen in een Wzd-geregistreerde instelling, omdat haar gedrag als gevolg van haar psychogeriatrische aandoening leidde tot ernstig nadeel of een aanzienlijk risico daarop. Er volgde dan ook een indicatiebesluit met zorgprofiel VV05: ‘beschermd wonen met intensieve dementiezorg’. Partijen gingen samen op zoek naar een geschikt verpleeghuis voor erflaatster. Deze vonden ze uiteindelijk in Baarn bij zorginstelling [zorginstelling] , dichtbij de woonplaats van [eiser] maar verder weg van de woonplaats van [gedaagde] . Erflaatster is eind februari 2023 verhuisd naar [zorginstelling] , waar zij verbleef op een kleinschalige gesloten afdeling. Ook toen erflaatster daar verbleef, bezocht [gedaagde] haar ongeveer één keer per week. Hij bleef dan enkele uren en schoof aan voor het avondeten. In februari 2023 schreef erflaatster een kaart aan [eiser] , de dochter van [eiser] en [gedaagde] . In de kaart aan [gedaagde] die in de procedure is gebracht is te lezen wat erflaatster voor hem voelde en hoeveel ze van hem hield.
3.4
In april 2023 breekt erflaatster ook haar andere heup en gaat haar gezondheid snel achteruit. Na een kort sterfbed, waarbij (ook) [gedaagde] erflaatster ondersteunde, is zij overleden. Partijen hebben toen samen de uitvaart geregeld. Op de uitvaart heeft [eiser] een toespraak gehouden. Hierin noemt zij onder meer dat erflaatster in de bloei van haar leven de liefde vond bij [gedaagde] en dat zij samen 35 gelukkige jaren mochten beleven.
3.5
Volgens [gedaagde] volgt uit dit alles dat hij en erflaatster nog wel degelijk samen waren, maar niet meer samen woonden door omstandigheden buiten hun wil. [eiser] is het daar niet mee eens. Volgens haar is de relatie tussen erflaatster en [gedaagde] al voor het overlijden van erflaatster geëindigd. Toen met de opname van erflaatster in het ziekenhuis ook de samenwoning ten einde kwam zijn de beschikkingen ten gunste van [gedaagde] vervallen. Het einde van de relatie leidt zij af uit verschillende omstandigheden.
3.6
Allereerst wijst zij erop dat [gedaagde] verschillende keren tegen haar heeft gezegd dat de relatie over was. Dit was in december 2022. Toen is [gedaagde] begonnen met het opruimen van de persoonlijke spullen van erflaatster die nog in de gezamenlijke woning lagen. [eiser] begreep niet waarom dit zo snel al moest gebeuren, maar besloot hem te helpen en hoorde toen meermaals “dat de relatie eigenlijk al jaren over was”. Dat wordt volgens [eiser] ook bevestigd door de gedragingen van [gedaagde] daarna. Zo heeft hij in januari 2023 de gezamenlijke financiële structuur beëindigd. De gezamenlijke bijdrages aan de huishoudpot werden stopgezet en het saldo op de en/of rekening werd verdeeld. Vanaf het moment dat erflaatster in [zorginstelling] verbleef, betaalde zij dan ook zelf de CIZ-bijdragen en verzekeringen en ontving zij haar eigen post. Ook benadrukt [eiser] dat zij altijd de zorg voor erflaatster heeft geregeld en dat [gedaagde] zich daarbij afzijdig hield. Zij was de contactpersoon voor zorginstellingen, regelde de medische afspraken en de dagelijkse ondersteuning, zoals de was. Maar erger nog is volgens [eiser] dat [gedaagde] ook kwetsende opmerkingen maakte richting erflaatster. Ook trok hij in twijfel of erflaatster wel in een particulier verpleeghuis kon gaan wonen en of haar vermogen daarvoor toereikend was. Dit terwijl erflaatster over meer dan genoeg financiële middelen beschikte. Dit getuigt volgens [eiser] niet van naar elkaar omkijken en voor elkaar zorgen zoals je van partners zou mogen verwachten. Dit alles klemt volgens [eiser] des te meer nu erflaatster van haar kant wel altijd voor [gedaagde] heeft gezorgd: zij deed de was, de boodschappen en zorgde voor het eten.
3.7
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiser] teleurgesteld is in de manier waarop [gedaagde] vorm heeft gegeven aan zijn rol als partner in de laatste fase van het leven van erflaatster. Maar daaruit blijkt niet dat hun relatie over was, zoals [eiser] beweert. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat [gedaagde] zelf heeft gezegd dat de relatie eigenlijk al was geëindigd, want dat is door hem gemotiveerd weersproken. Overigens is het niet ongewoon dat relaties van karakter veranderen als een van de partners dement wordt, maar dat betekent niet het einde van de relatie. Dat zou ook niet stroken met alles wat hiervoor in 3.2 - 3.4 is vastgesteld, want daaruit volgt juist dat [gedaagde] tot op het laatst betrokken was bij het leven van erflaatster als haar partner. Zij woonden alleen niet meer samen omdat de gezondheid van erflaatster dat niet meer toeliet. In die zin is sprake van een schoolvoorbeeld van een samenwoning die tegen de zin van de partners is verbroken. Dat de financiële structuur tot slot, voor zover die tussen [gedaagde] en erflaatster bestond, is geëindigd toen erflaatster in het verpleeghuis ging wonen is ook niet zo vreemd. Zij hadden toen immers geen gezamenlijke huishouding meer. Alles samengenomen zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] geen erfgenaam is van erflaatster afwijzen.
De munten hoeven niet getaxeerd te worden
3.8
Tussen partijen staat ter discussie of tot de nalatenschap van erflaatster een gouden muntenverzameling behoort. Volgens [eiser] is dit het geval. Volgens haar moet [gedaagde] daarom worden veroordeeld om deze verzameling te laten taxeren en deze mee te nemen in de aangifte erfbelasting. Zij stelt primair dat partijen dit hebben afgesproken tijdens een gesprek op 11 juni 2024 bij mr. Postma-Kanters, de voormalig advocaat van [gedaagde] . [gedaagde] is deze afspraak niet nagekomen en moet dat volgens haar alsnog doen. Voor zover de rechtbank dit anders ziet, stelt [eiser] dat de muntenverzameling ook eigendom was van erflaatster. Zij wijst in dat kader op artikel 5 van Pro het samenlevingscontract, waarin staat dat de inboedel die is bestemd voor de gemeenschappelijke huishouding ieder voor de helft aan partijen toebehoort. Bovendien heeft erflaatster haar verteld dat zij de munten had gekocht, zo stelt [eiser] .
3.9
[gedaagde] stelt daarentegen dat de munten van hem zijn. Hij heeft de munten in een winkel in Rotterdam gekocht met zijn eigen geld. Erflaatster was daarbij volgens hem niet aanwezig. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij van een deel van die munten de aankoopbewijzen nog heeft. Deze staan op zijn naam. Hij betwist dan ook dat er afspraken zijn gemaakt over deze muntenverzameling.
3.1
[eiser] heeft ter zitting erkend dat de munten zijn gekocht in Rotterdam en dat erflaatster daarbij niet aanwezig is geweest. Zij heeft ter zitting zelfs verklaard dat zij de aankoopbewijzen heeft gezien en dat deze inderdaad op naam van [gedaagde] stonden. Dit verhoudt zich niet tot haar stelling dat erflaatster de munten had gekocht. De verwijzing naar het samenlevingscontract snijdt ook geen hout, want munten zijn geen inboedelgoederen. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat de munten eigendom zijn van [gedaagde] . Het is dan ook niet aannemelijk dat partijen zouden hebben afgesproken de munten desalniettemin mee te nemen in de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster en deze daarom te laten taxeren. De vordering van [eiser] die ziet op de muntenverzameling zal daarom worden afgewezen.
De bankafschriften hoeven niet afgegeven te worden
3.11
[eiser] vordert afgifte van verschillende bankafschriften van erflaatster over een periode van zeven jaar voorafgaand aan haar overlijden. Zij stelt primair dat [gedaagde] tijdens het genoemde gesprek bij mr. Postma-Kanters heeft toegezegd deze stukken aan haar te verstrekken. [gedaagde] betwist dit. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat dit is afgesproken. Aan de door haar gestelde afspraak kan [eiser] dus geen recht op afgifte van de bankafschriften ontlenen.
3.12
Vervolgens dient de vraag zich aan of [eiser] uit andere hoofde aanspraak kan maken op afgifte van de bankafschriften. De rechtbank stelt daarbij voorop dat erflaatster er uitdrukkelijk voor heeft gekozen [eiser] niet aan te merken als erfgenaam. [eiser] heeft desondanks wel recht op informatie maar alleen voor zover die informatie ziet op de omvang van de nalatenschap van erflaatster. Zij krijgt immers een legaat ter hoogte van haar erfdeel dat zij zou hebben gekregen als zij samen met [gedaagde] erfgenaam was. Zij heeft dus in beginsel geen recht op inzage in het uitgavepatroon van erflaatster en van [gedaagde] . Pas als [eiser] voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de nalatenschap vast te stellen, weegt haar recht zwaarder dan het recht van erflaatster en [gedaagde] op privacy. Dat is het geval als zij aannemelijk maakt dat op de bankrekeningen transacties hebben plaatsgevonden die de saldi op de sterfdatum negatief hebben beïnvloed en die ten onrechte nog niet zijn gecorrigeerd. Dit kunnen bijvoorbeeld onrechtmatige onttrekkingen zijn, nog te verrekenen vermogensverschuivingen naar [gedaagde] of door erflaatster verstrekte leningen. Dat daarvan sprake is geweest is niet gesteld of gebleken.
3.13
De door [eiser] gestelde twijfel aan de openheid en eerlijkheid van [gedaagde] levert onvoldoende belang op bij inzage in de bankafschriften. Die twijfel is gebaseerd op het feit dat [gedaagde] een aantal roerende zaken die tot de nalatenschap behoren, niet heeft vermeld op de aangifte erfbelasting en daarover wisselend heeft verklaard. Het gaat daarbij onder meer om contant geld, sieraden en gouden munten (de rechtbank begrijpt dat het hier gaat over andere gouden munten dan de eerder besproken gouden munten). Zonder nadere toelichting of onderbouwing is echter niet aannemelijk dat het niet vermelden van bepaalde roerende zaken op de aangifte erfbelasting, in relatie staat tot het verloop van de bankrekeningen en de saldi op de sterfdatum. Het staat bovendien vast dat [gedaagde] de desbetreffende zaken allemaal aan [eiser] heeft afgegeven. [eiser] is dus niet benadeeld door de handelswijze van [gedaagde] , integendeel. Ten aanzien van het door [eiser] benadrukte belang bij een correcte aangifte erfbelasting merkt de rechtbank op dat de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij [gedaagde] als executeur en niet bij [eiser] , zodat haar belang bij afgifte van de bankafschriften ook niet hierin gelegen kan zijn.
3.14
Verder heeft [eiser] aangevoerd dat zij wil kunnen nagaan hoeveel contant geld er door erflaatster is opgenomen. [gedaagde] heeft volgens haar namelijk aanvankelijk verklaard dat er geen contant geld tot de nalatenschap van erflaatster behoorde, terwijl later een tasje gevonden werd met ongeveer € 8.000,- á € 9.000,- aan contanten. Zij weet niet of dit al het contante geld is wat er ten tijde van het overlijden van erflaatster voor handen was. Zij wil aan de hand van de bankafschriften nagaan hoeveel contant geld erflaatster opnam en of dit bedrag kan kloppen, althans dat heeft de rechtbank na enig doorvragen uit de stellingen van [eiser] begrepen. Maar ook dit maakt niet dat [gedaagde] de bankafschriften in kwestie aan [eiser] moet verstrekken. Contant geld kan immers ook weer uitgegeven worden, zodat niet aan de hand van de bankafschriften gecontroleerd kan worden of het aangetroffen bedrag aan contant geld klopt. Het tasje met contant geld is overigens net als de andere niet op de aangifte erfbelasting vermelde roerende zaken aan [eiser] afgegeven. Alles samengenomen is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij afgifte van de bankafschriften. De rechtbank zal de daartoe strekkende vordering dan ook afwijzen.
[gedaagde] is niet onwaardig om te erven van erflaatster
3.15
Als vast komt te staan dat [gedaagde] gelden aan de nalatenschap heeft onttrokken, vordert [eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] onwaardig is om te erven. Zij stelt dat [gedaagde] daarmee opzettelijk een deel van de nalatenschap van erflaatster heeft verduisterd als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 onder Pro e BW. De rechtbank is het echter met [gedaagde] eens dat niet is gebleken dat hij gelden aan de nalatenschap van erflaatster heeft onttrokken. Maar ook als dat wel zo zou zijn, zou dat er niet toe leiden dat [gedaagde] onwaardig is om te erven op grond van voormeld artikel. Het gaat daarin immers uitdrukkelijk om het verduisteren van een uiterste wil en niet om het verduisteren van goederen. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht daarom afwijzen.
3.16
Omdat alle vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen heeft [gedaagde] geen belang bij een bespreking van zijn bezwaar tegen de door [eiser] kort voor de zitting in het geding gebrachte heimelijke opname van een gesprek dat zij met hem heeft gevoerd, waarvan zoals op zitting al gememoreerd, de rechtbank wel het in de stukken aangegeven relevante deel heeft beluisterd, dat overigens geen doorslaggevend ander licht op de zaak werpt.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.17
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . Voor compensatie van de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat partijen geen familie van elkaar zijn. Hieruit volgt tevens dat de stelling van [gedaagde] dat een proceskostenveroordeling volgt uit een schending van artikel 21 Rv Pro, omdat [eiser] bewust feiten en omstandigheden over zijn relatie met erflaatster naar voren heeft gebracht die onjuist zijn en/of relevante feiten achterwege heeft gelaten, evenmin nadere bespreking behoeft.
3.18
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af;
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.