Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, gelegen aan een adres in een plaats, met een waarde van €1.204.000,- vastgesteld op 1 januari 2024. Eiser betwist de waarde en stelt een lagere waarde van €1.116.000,- voor, onder meer omdat een van de referentiewoningen te ver van de waardepeildatum zou zijn verkocht en de referentiewoningen niet vergelijkbaar zouden zijn.
De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met drie referentiewoningen die binnen een jaar rondom de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn, mede omdat het niet vereist is dat referentiewoningen identiek zijn, maar wel vergelijkbare kenmerken moeten hebben. De heffingsambtenaar heeft bovendien rekening gehouden met verschillen in onderhoudsstaat en afwerkingsniveau.
De rechtbank stelt vast dat de verkoopdatum van de referentiewoning die op 18 september 2024 is verkocht, binnen de toegestane termijn valt en dat de gebruikte indexeringscijfers de waardeverandering adequaat weerspiegelen. De door eiser aangevoerde alternatieve referentiewoning wordt door de rechtbank niet als beter vergelijkbaar beschouwd.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft de vastgestelde WOZ-waarde van €1.204.000,-. De uitspraak is gedaan door rechter Y.N.M. Rijlaarsdam op 20 januari 2026.