ECLI:NL:RBMNE:2026:184

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
605062 HA RK 26-1
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verschoningsverzoek rechter wegens onvoldoende persoonlijke band

De bestuursrechter heeft een verzoek tot verschoning ingediend in een bestuursrechtelijke hoofdzaak tussen RTL Nieuws en de minister van Justitie en Veiligheid over een Woo-verzoek met betrekking tot MH17 en staatsgeheime documenten. Het verzoek was gebaseerd op een vermeende persoonlijke relatie met mr. A, een juridisch adviseur van RTL Nieuws, die volgens verzoeker een vriend is van zijn schoonouders en met wie hij sporadisch contact had.

De verschoningskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden. De relatie tussen verzoeker en mr. A werd als te oppervlakkig beoordeeld om de schijn van partijdigheid te wekken. Bovendien is mr. A geen procespartij maar een overige procesdeelnemer.

De kamer benadrukte dat transparantie over dergelijke relaties gebruikelijk is en dat partijen in de hoofdzaak zelf een wrakingsverzoek kunnen indienen indien zij onpartijdigheid betwijfelen. Het verzoek tot verschoning werd daarom afgewezen en de beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter wordt afgewezen wegens onvoldoende persoonlijke band en geen schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 605062 HA RK 26-1
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 27 januari 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
Mr. G. Schnitzler,
bestuursrechter,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
De verschoningskamer heeft op 5 januari 2026 het verzoek tot verschoning ontvangen. Verzoeker heeft dit verzoek aangevuld in een e-mail die hij op 6 januari 2026 aan de verschoningskamer heeft gestuurd. Het verzoek is ingediend in de zaak met zaaknummer 24/5990 (hierna: de hoofdzaak). De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak staat gepland op 3 februari 2026. Er heeft geen mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek plaatsgevonden.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn verschoningsverzoek ingediend om de volgende redenen.
De hoofdzaak betreft een zaak tussen RTL Nieuws en de minister van Justitie en Veiligheid, waarbij het gaat om een Woo-verzoek dat betrekking heeft op MH17 en (gestelde) staatsgeheime documenten. Uit het dossier blijkt dat RTL Nieuws wordt bijgestaan door mr. [A] . Mr. [A] is niet gesteld als gemachtigde maar staat RTL Nieuws bij als juridisch adviseur. Mr. [A] is een vriend van de schoonouders van verzoeker. Verzoeker is mr. [A] in die hoedanigheid in de afgelopen 15 tot 20 jaar ongeveer één keer per jaar tegengekomen op verjaardagen/feestjes waarbij zij elkaar soms spraken en het bestuursrecht dan ook onderwerp van gesprek was. In maart 2025 hebben verzoeker en mr. [A] een keer een borrel gedronken. Omdat verzoeker graag transparant en zorgvuldig wil zijn, heeft hij het verzoek ingediend. Zelf vindt verzoeker echter dat het moet worden afgewezen. Hij heeft geen directe persoonlijke band met mr. [A] en de relatie is wat hem betreft daarom te “dun”.
2.2.
In de e-mail die verzoeker na indiening van het verzoek heeft gestuurd, schrijft hij
dat mr. [A] zich tijdens een hoorzitting die in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden heeft gepresenteerd als gemachtigde, maar dat uit een nieuwsbericht kan worden afgeleid dat hij mogelijk in loondienst is of was bij RTL. Dat verzoeker niet precies weet hoe dit zit, onderstreept volgens hem dat hij slechts een magere band met mr. [A] heeft.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
Op grond van artikel 8:19 Awb Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te waarborgen. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waardoor de rechter van mening is dat hij een zaak niet onpartijdig kan behandelen. Daarnaast kan de rechter het idee hebben dat de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid kan ontstaan. In beide gevallen onderzoekt de verschoningskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. In dat geval kan de rechter geen beslissing in de hoofdzaak nemen. Rechtzoekenden moeten namelijk vertrouwen kunnen hebben in de rechtspraak.
Het oordeel van de verschoningskamer
3.3.
In aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak (hierna: de Leidraad) is opgenomen dat de rechter ervoor zorgt dat hij geen zaak behandelt als iemand uit zijn persoonlijke of zakelijke kennissenkring betrokken is als procespartij. In deze aanbeveling staat ook dat wanneer een overige procesdeelnemer behoort tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter, dit de rechter kan noodzaken tot het niet behandelen van die zaak. In het tweede geval biedt de aanbeveling de rechter zelf de ruimte om te besluiten om de zaak wel of niet te behandelen. Bij de definities van de Leidraad (paragraaf 1.7) is onder andere vermeld dat degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, wordt beschouwd als ‘overige procesdeelnemer’ in de zin van de aanbevelingen uit de Leidraad.
3.4.
Zoals vermeld, meent verzoeker zelf dat zijn band met mr. [A] te oppervlakkig is voor een verschoning en dat het verzoek om die reden moet worden afgewezen. Het heeft de verschoningskamer daarom bevreemd dat hij het verzoek desondanks heeft ingediend. Het is begrijpelijk dat verzoeker naar partijen transparant wil zijn. Deze transparantie had verzoeker kunnen bereiken door partijen – voorafgaand of aan het begin van de mondelinge behandeling – over zijn relatie met mr. [A] in te lichten en hen te berichten dat hij hierin zelf geen grond ziet om zich te verschonen. Partijen hadden dan de mogelijkheid gehad om een wrakingsverzoek in te dienen als zij menen dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit is een in de praktijk gebruikelijke gang van zaken. De verschoningskamer heeft hierin geen rol.
3.5.
Nu het verzoek tóch is gedaan, zal de verschoningskamer het inhoudelijk beoordelen. Met verzoeker is zij van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Verzoeker heeft zelf opgemerkt dat hij vindt dat hij de hoofdzaak onpartijdig kan behandelen. Subjectieve onpartijdigheid doet zich dus niet voor. De door verzoeker geschetste omstandigheden wekken daarnaast niet de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid of vooringenomenheid. Mr. [A] is zelf geen procespartij. Hij is wel een overige procesdeelnemer. De verschoningskamer kan echter niet vaststellen dat mr. [A] tot de persoonlijke kennissenkring van verzoeker behoort. En als dat wél het geval zou zijn, is de relatie tussen mr. [A] en verzoeker te oppervlakkig om de hiervoor genoemde schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te doen ontstaan.
3.6.
De conclusie is dat de verschoningskamer het verschoningsverzoek zal afwijzen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
wijst het verschoningsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin verzoeker werkt en de president van deze rechtbank;
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. A.F. Hermans en mr. I.L. Rijnbout als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.